Ongenode gasten

Mensen die bij mij op bezoek komen; ik vind het meestal spannend, maar toch prima. Overigens heb ik liever wel dat die mensen dat vooraf even melden, want zogenaamde verrassingen vind ik niet zo leuk. De laatste tijd heb ik regelmatig last van ongenode gasten. Tijd om eens een blogje aan hen te wijden.

Bezzzzzoek
Allereerst krijg ik ’s nachts steeds ongenood bezoek. Ik word dan wakker van hun gezoem en heb ’s morgens wat souvenirs in de vorm van jeukende bulten. Ja, meer mensen last van? Ik nodig ze niet uit hoor en ik heb horren voor de ramen. Maar blijkbaar is het zó leuk bij mij thuis dat de dames daar allemaal geen enkele boodschap aan hebben. Ik ben dus ’s nachts regelmatig op jacht. Ach ja, dat is weer eens wat ander tijdverdrijf voor slapeloze uren.

Nachtmerries
Nog meer ander ongenood bezoek dat ’s nachts langskomt, meldt zich in de vorm van nachtmerries. Helaas schijnen nachtmerries een beetje bij de weg naar herstel te horen, maar wat mij betreft doe ik het liever zonder die dingen. En bovendien…de laatste tijd droom ik steeds dat er onverwacht en vooral ongewenst bezoek voor de deur staat. Dat begint dan met één persoon. “Verrassing!” Dat eindigt met een huis vol mensen, terwijl ik juist zo lekker ein-de-lijk even wat voor mezelf aan het doen was. Ik wijd het maar aan het feit dat ik nogal overprikkeld was in de tijd dat ik dat steeds droomde. Ik wilde alleen maar rust, maar dat was er niet.

Werk
Het meest onwelkome en sowieso ongenode bezoek is alles wat met werk te maken heeft. Ik durf er nog steeds niet goed over te schrijven, maar een klein begin maak ik nu toch maar.
De leerlingen zijn het probleem niet. Het feit dat werk het grootste deel van mijn nachtmerries domineert, heeft te maken met het onbegrip van mijn werkgever voor mijn ziekte.

Een ongenode werkgast meldde zich. Ik ben nu bijna een jaar ziek thuis en heb daarom binnenkort een gesprek met een arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts snap ik inmiddels; dat is niet meer eng. Dit is nieuw en onbekend en dus eng. De arbeidsdeskundige wilde een gesprek met mijn werkgever en mij samen. Dat is onmogelijk en dat werd gelukkig geaccepteerd. Vervolgens besloot de arbeidsdeskundige dan bij mij thuis te komen. Daar had ik niet om gevraagd. Ik zou liever naar het kantoor gaan, want ik wil dit bezoek niet thuis. Mijn huis is veilig. Daar kan en wil ik geen werk binnen hebben. Het schijnt echter toch te gaan gebeuren.

Tot slot was er nog een ongenode bos bloemen. Op dit moment heb ik geen contact met mijn collega’s. Ik spreek wel bevriende collega’s, maar dat is dan op eigen initiatief en heeft niets met werk te maken. Alles wat met werk te maken heeft, geeft zoveel stress dat het onverantwoord is. De collega’s doen echter wel hun best. Er werden bloemen bezorgd door een onafhankelijke bezorgdienst. Als afzender stond ‘je collega’s’ op het kaartje. Ik kon er niets aan doen. Heel even mochten de bloemen naar binnen. Toen heb ik ze gezet waar werk op dit moment hoort. Ver buiten mijn bereik. Dag bloemen. Ik ken jullie goede intenties, maar ik ken ook mijn nachtmerries. Ze gingen na vijf minuten weer naar buiten en stonden daar afwisselend in de regen en de brandende zon. Ik voelde me ondankbaar. Maar ik voelde me ook alsof ik ein-de-lijk een ongenode gast buiten had gezet. En dat was nodig.  

Boekenpraat: Familie op de vlucht (Diney Costeloe)

Het verhaal
Dit verhaal speelt zich af net voor de Tweede Wereldoorlog, in het Duitsland onder leiding van Hitler. De Joodse Ruth kijkt in het midden van de nacht machteloos toe hoe haar man Kurt wordt opgepakt. Ze blijft achter met haar vier bange kinderen. Laura (10), Inge (7) en tweeling Peter en Hans (3) zijn bang van alle geluiden die ze horen. Dan dringt tot moeder Ruth door dat er meer aan de hand is. Haar huis en haar winkel staan in brand. Ze moet vluchten, maar de weg naar buiten is al volledig afgesloten door de vlammen en de rook.

Ruth weet met dank aan de buren zichzelf en de kinderen in veiligheid te brengen. Ze kan echter nergens heen. Het is 1937 en Joden worden veracht, mishandeld en genegeerd. Zonder haar man Kurt moet Ruth zichzelf en de kinderen in veiligheid brengen.

Het boek beschrijft de vlucht van Ruth en de kinderen in het door Hitler geregeerde Duitsland, op zoek naar vrijheid en vrede. Ook vertelt het boek het verhaal van Kurt, nadat hij door de SS is opgepakt. Het boek eindigt net voor de Tweede Wereldoorlog begint.

Mening
Nadat ik de eerdere boeken van Diney Costeloe ademloos had gelezen, begon ik vol verwachting aan dit derde boek. De drie boeken staan overigens allemaal los van elkaar.

Costeloe schrijft in haar boeken over wat onbekendere gebeurtenissen die zich net voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog afspeelden. Ook in dit boek wist Costeloe me weer te grijpen. Ik las het boek in een paar avonden uit. Costeloe liet me de angst voelen van de vluchtende familie, liet me soms schrikken van de gruwelen die mensen elkaar aan konden doen en liet me zien hoe hoop letterlijk deed leven.

Dit boek vertelt het schrijnende verhaal van rassenhaat en verraad, maar ook het mooie verhaal van moed en kracht. Ik zou er graag nog veel meer over zeggen, maar zou dan veel te veel van het verhaal weggeven. Wie dus benieuwd is geworden, zal dit boek zelf moeten lezen.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Familie op de vlucht’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Familie op de vlucht
Auteur:
Diney Costeloe
Uitgeverij: De Fontein
Genre:
Roman
Pagina’s:
351

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

#doeslief

We moeten lief zijn voor elkaar, horen we de laatste tijd vaak. Er is zelfs een hele campagne voor in het leven geroepen. Ik juich dat toe, want een beetje meer liefde in de wereld is altijd goed. En toch… ik vraag wel eens of mensen wat minder lief voor me kunnen zijn.

Als het even tegenzit
Ik had een paar roerige dagen achter de rug. Ik had wat bezoekjes gebracht aan iemand in het ziekenhuis en dat triggerde me nogal. Uiteindelijk had dat me ook een paar middagdutjes gekost en dus had mijn hoofd besloten dat het even tijd was om hélemaal niks te doen. Prima, hoofd.

Toen ik daar net weer van begon op te knappen, stond er een therapiesessie in de agenda. Ik vond dat een perfecte timing. En toen, nét voordat ik naar therapie ging, ging de telefoon. Bellen en ik zijn sowieso een slechte combinatie, maar dit ging over werk. Zodra ik hoorde dat het over werk ging, zat mijn hart in mijn keel en zat ik figuurlijk gesproken tegen het plafond. Ik rondde het telefoongesprek af, appte in blinde paniek een vriendin en mijn moeder, googelde me suf over wat er ging gebeuren en kwam er niet uit. En ergens diep vanbinnen voelde ik tranen roepen dat ze een enkeltje over m’n wangen wilden.

Doe eens niet lief
Ik vond dat de tranen even moesten wachten tot therapie. Dat deden ze niet. Ze kwamen gewoon al in de auto. Eenmaal op de parkeerplaats had ik mezelf weer een beetje onder controle. Ik pakte mijn telefoon om mijn parkeerapp in te stellen en zag een appje van een vriendin. Gewoon, onschuldig, iets over een feestje waar we heen zouden gaan. Ik appte haar terug dat het even helemaal niet ging en ja, toen kwam er dus liefs terug. Ik was ondertussen in de wachtkamer aanbeland. Geen lieve dingen meer sturen; ik zit in de wachtkamer. Maar de tranen waren er al.

Tja, dat komt er dus van. Als iemand lieve dingen tegen me zegt of lieve dingen naar me appt, gaan de tranen stromen. Dat is goed, zeggen ze. Tranen schijnen een goed teken te zijn. Dat vond ik niet, daar in die wachtkamer. Gelukkig was er verder niemand, dus de zogenaamde ramp bleef beperkt.

Toen mijn psycholoog me kwam halen, vond ik: “Zo, alles gaat weer prima, ik heb ’t weer helemaal onder controle. Ik heb straks namelijk nog een afspraak, dus al dat gejank gaan we niet doen.” Maar ja, dat was hij niet met me eens. “Zullen we dat na dit uur zeggen?” Niet doen, ga ik van huilen, van dat soort uitspraken.

Ik dacht daar later nog eens over na. Een dag eerder was me al hetzelfde overkomen, tijdens een telefoontje met de assistente van de huisarts. Die klonk bezorgd, geïnteresseerd. En hop, daar waren de tranen.

Dus ja, mensen, doe met z’n allen eens lief.
Maar als iedereen zo is als ik, moet de productie tissues dan wel stevig omhoog.

Komt een hypochonder bij de huisarts

De laatste weken had ik veel vaker dan officieel toegestaan contact met de huisarts. Opeens bedacht ik, lekker buiten op de fiets, dat het al tien dagen geleden was dat ik een (al dan niet telefonisch) consult had gehad. Een nieuw record, voor de afgelopen weken. De hypochonder was trots. Prompt was de volgende dag zo’n dag. Zo’n dag dat de hypochonder nogal hyperactief was en zelfs overwoog om de huisarts te bellen. Het is weekend, vond het verstand, doe normaal. Maar de hypochonder wist wel beter: Nou, ze worden in ’t weekend ook gewoon betaald hoor. Extra zelfs, dus wat kan jou ’t schelen.

Gratis consult
Het verstand won, want er was helemaal niets aan de hand. Bovendien wist ik ook wel hoe zo’n consult zou gaan. Eigenlijk gaan consulten met de hypochonder in mij namelijk altijd hetzelfde. Een gesprek tussen de huisarts en mijn hypochondrie ziet er ongeveer zo uit:

– Wat is er aan de hand?
Ik ga dood.
– Ja, dat klopt. Maar dat duurt nog wel even.
Nou, dat durf ik te betwijfelen.
– Daar blijven we het over oneens, over dat moment. Wat maakt je nu bang?
Hier volgt dan altijd een vage klacht.
– En sinds wanneer heb je daar last van?
Noemt exacte dag en datum en liefst tijd.
– Oké. Wat denk je zelf dat het is?
Ja, duhu, ik ga dood.
– Heb je op internet gekeken?
Nee, natuurlijk niet, dat is verboden.
– Wil je dat ik er even naar kijk?
JAAAAAA!
– Huisarts doet onderzoek.
En, ga ik dood?
– Ja, maar dat wist je al. Maar niet hieraan en ook niet snel.
O, wat is het dan?
– Huisarts geeft onschuldige verklaring.
Dus ik stel me weer aan?
– Nee, je stelt je niet aan, je vóelt dat wel echt, maar het is niets ernstigs.
En toch vind ik het stom.
– Ja, daar kan ik niks aan veranderen, dat jij dat vindt. Is er verder nog iets?
Nee, dit was ‘t.

Tochtje naar de deur en een laatste advies.
– Dan mag je een nieuwe afspraak maken over … weken.
Oké, ik hoop dat ik het uithoud.

Of, zeldzaam, maar ook één keer voorgekomen bij blinde paniek:
-Dan mag je een volgende afspraak maken voor wanneer jij denkt dat goed is.
Oké, tot morgen!
Maar ik maakte braaf een afspraak voor over drie weken. Een consult zonder grapje is namelijk geen consult.

Nou, zie je, ik heb zo’n consult helemaal niet nodig. Ik kan het zelf. Gratis en voor niets.

De puzzelstukken van het leven

Heel af en toe maak ik een legpuzzel. Lekker een muziekje op of stilte om me heen en maar zoeken naar passende stukjes. Recent maakte ik ook weer een puzzel en spontaan bedacht ik wat filosofische levenslessen.

Puzzelen
Volgens mij heb ik als kind nooit een legpuzzel met meer dan honderd stukjes voltooid. Ik begon altijd dapper met de rand, maar vervolgens ontbrak het aan geduld om de rest van de puzzel af te maken.

Een paar jaar geleden ontdekte ik de heerlijkheid van puzzelen. Ik had een ontzettende rotdag en had afleiding nodig. Ik kleurde in die tijd nog niet en dacht opeens aan legpuzzels. Dat vond ik een goed idee en dus klikte ik er daar snel één van mijn huis binnen.

Ik begon vol goede moed. De rand lag zo, maar ja, toen moest de rest nog. Dat duurde geloof ik nog anderhalf jaar. Ik puzzel namelijk met tussenpozen. Als hij op tafel ligt, kan ik niet stoppen. Als de puzzel weer opgerold op de mat om de koker zit, kan ik er zo een half jaar niet naar kijken.

Ook toen ik een paar jaar geleden na mijn ziekenhuisopname thuis moest herstellen, vond ik het heerlijk om te puzzelen. Er konden zomaar uren voorbijgaan met stukjes leggen. Zo brak dus het moment aan dat ik mijn eerste puzzel ooit voltooide. En inmiddels volgden er nog een paar. Mijn meest recente puzzel was een fijn plaatje van Rien Poortvliet en maakte me een beetje filosofisch.

Rien Poortvliet – At the forest with the Gnomes (puzzel van Jumbo, 1000 stukjes)

Het leven is een puzzel
Terwijl ik zat te puzzelen, liep ik af en toe helemaal vast. Als ik dan even wat anders deed, kon ik daarna meestal weer een heleboel stukjes op de juiste plek leggen.
Er lag een stukje op de verkeerde plaats, waardoor ik niet meer verder kon. Soms paste een stukje bijna, maar moest het nog even omgedraaid worden. Op het laatst, bij de lucht, was het gewoon passen en meten op vorm, want alle stukjes hadden dezelfde kleur. Die dingen deden me denken aan mijn weg naar psychisch herstel.

Soms overzie ik het allemaal niet. Een gesprek met een hulpverlener en een dutje geven me dan weer inzicht of rust en daarna snap ik het allemaal een stuk beter. Soms lag er een puzzelstukje in mijn leven op de verkeerde plaats. Zo werd ik heel lang behandeld vanuit het idee dat rouw mijn grootste probleem was. Zelf twijfelde ik daar altijd aan, maar ik kon het niet bewijzen. Totdat dus bleek dat autisme de bron was van de moeilijkheden.

Het stukje hypochondrie paste me bijna, maar werd na de diagnose autisme toch weer even omgedraaid. Nu past het een stuk beter. En tja, het is ook een beetje passen en meten op vorm, de weg naar herstel. In mijn behandeling ben ik zoekend naar oplossingen, naar een manier om het leven in te richten. Soms lijkt alles op elkaar, maar ik kom er wel. En tot slot ligt de puzzel er dan compleet.

De legpuzzel werd vijf minuten na voltooiing weer uit elkaar gehaald. En dáár zit hoop ik een verschil. Als de meeste psychische puzzelstukjes op hun plaats liggen, hoop ik op een poosje rust. Gewoon genieten en ernaar kijken. Lijkt me heerlijk.

Boekenpraat: Geachte Mr. Knightley (Katherine Reay)

Het verhaal
Samantha (Sam) Moore heeft een ingewikkelde jeugd gehad. Ze heeft in diverse pleeggezinnen gewoond, heeft zelfs een poosje op straat geleefd en aan de tijd bij haar biologische ouders denkt ze liever nooit meer terug. Sinds een aantal jaren woont Sam in Grace House, een tehuis voor jongeren.

In alle moeilijke jaren was er altijd één constante factor in Sams leven: Boeken. Sam heeft een innige band met de personages uit de boeken van Jane Austen. Die personages helpen Sam om in de huidige maatschappij te overleven.

Sam kent de boeken van Austen bijna volledig uit haar hoofd. Als ze het nodig heeft om zichzelf te beschermen, vlucht ze in personages. Ze citeert of parafraseert de personages dan.

Sam heeft altijd gedroomd van een studie, maar dat leek voor haar een onmogelijke droom. Dan krijgt ze een aanbod van een stichting. De stichting wil haar studie betalen (inclusief huurwoning). De stichting wordt gerund door een man die zich Mr. Knightley noemt. De naam geeft Sam direct vertrouwen. Mr. Knightley verwacht in ruil voor zijn gulheid dat Sam hem op de hoogte houdt van haar leven en haar studievorderingen. Mr. Knightley schrijft niet terug.

De brieven aan Mr. Knightley zijn voor Sam als een therapie. Haar hele hart kan ze in de brieven delen met de geheimzinnige Mr. Knightley. Langzaam kunnen haar personages plaatsmaken voor de echte Sam. Totdat blijkt dat jezelf zijn ook betekent dat je vertrouwen beschaamd kan worden. Heeft Sam dan toch de personages uit vroegere tijden weer nodig?

Mening
In eerste instantie had ik wat moeite met dit boek. Ik heb zelf alleen ‘Trots en Vooroordeel’ van Jane Austen gelezen. Ik ‘ken’ de personages uit dat boek zijdelings, maar zou niets over hen kunnen schrijven. In het begin zorgde dat ervoor dat ik het moeilijk kon volgen als Sam weer in één van haar personages schoot. Sam vergelijkt bovendien andere mensen met personages uit de boeken van Austen en ik kon me daar dan moeilijk een voorstelling bij maken.

Halverwege het boek werd ik echter toch gegrepen. Ik besefte steeds meer dat dit boek over meer gaat dan de liefde voor Austen. Dit boek gaat over jezelf zijn en over liefde, vertrouwen en wantrouwen. Dit boek gaat ook over kinderen met een kras op hun ziel. Al die thema’s begon ik steeds meer terug te zien en op het laatst ontroerde het boek me diep.

‘Geachte Mr. Knightley’ zou ik sowieso aanraden aan de liefhebbers van het werk van Jane Austen. Het is echter voor de leken op het gebied van klassiekers ook een mooi boek over diepere thema’s.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Geachte Mr. Knightley’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Geachte Mr. Knightley
Auteur:
Katherine Reay
Uitgeverij:
Kok
Genre:
Roman
Pagina’s:
351

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Hypochondrische humor

Hypochondrie bestaat geloof ik officieel niet meer. Tegenwoordig heb je dan ziekteangst. Ik vind ’t allemaal prima, maar ik vind hypochondrie vriendelijker klinken, puur vanwege het ontbreken van het woord angst. Niet dat hypochondrie nu zo grappig is, maar soms kan ik er ook de humor wel van inzien.

Hypochondrische angst
Over de nadelige kanten van hypochondrie heb ik al genoeg geschreven. Ik ga dat nu ook niet herhalen, maar houdt het bij de korte samenvatting dat ik ieder signaal van mijn lichaam opvat als een teken dat ik doodziek ben.

Vermoeidheid, een pijntje, een plekje, álles kan eng zijn. Alles behalve ‘echte’ dingen. Voor een snotneus of wat keelpijn zul je mij niet bij een dokter zien. Dat vind ik heel normaal en dus niet eng. Alles wat echter een beetje vaag is en in mijn beleving niet helemaal logisch verklaard kan worden, maakt me wel bang.

De humor van hypochondrie
De hypochondrie maakt me creatief. Ik kan van volkomen normale verschijnselen dodelijke ziektes maken. Een arts kan me dan tegenspreken, maar dat gaat echt niet helpen. De hypochonder is namelijk nogal nadrukkelijk aanwezig, dus die blijft toch roepen dat hij gelijk heeft en niet de arts.

Ik kan me voorstellen dat het soms voor mijn huisarts bijna grappig moet zijn hoe ik dingen kan verzinnen. Het is toch een stuk creativiteit van mijn hersenen dat ik overal enge ziektes bij kan bedenken.

Soms heb ik geen dokter nodig om er de humor van in te zien. Dan weet ik het zelf al. Vorig jaar ben ik veel afgevallen. Daar had ik verder niets voor gedaan, dus dat vond ik uiteraard eng, maar goed, het heeft ook voordelen. Zo heb ik bijvoorbeeld sinds heel veel jaren weer een gezond BMI.

Mijn lichaam veranderde uiteraard ook, door het afvallen. Recent stond ik met bonzend hart naar mijn knie te kijken. Wat zat daar opeens voor vréselijke bobbel boven? Had ik een enorme tumor in mijn bovenbeen? Het was zondagmorgen. De hypochonder was al in alle staten, want op zondagmorgen kun je geen dokter bellen en help, ik ging natuurlijk wel dood.

Het voordeel van knieën en benen is dat je er twee van hebt, dus die kun je met elkaar vergelijken. De hypochonder maakte er werk van en checkte snel het andere been. Huh, daar zat ook een bobbel boven de knie. Wacht eens even…

De angst duurde alles bij elkaar deze keer maar een paar seconden. Toen nam de humor het over. In mijn bovenbenen zitten namelijk spieren. Die zag ik. Heel snel kwam mijn hart weer tot rust en ging ik verder met de dag. En ik kon er niks aan doen, ik vond het grappig. Hypochondrie blijft stom, maar een beetje hypochondrische humor op z’n tijd werkt wel lekker relativerend. En als hypochondrie dan niet meer mag bestaan als term, pas ik ‘m wel aan. Dan heb ik vanaf nu ziekteangst, gecombineerd met humorchondrie. Is de DSM VI al in de maak om ‘m te noteren?

Slaap je niet dan rust je toch?

De laatste jaren heb ik niet zo goed naar mezelf geluisterd en daar betaal ik de prijs van vermoeidheid voor. Overprikkeling kan die vermoeidheid nog een beetje versterken. Toch word ik soms pas echt wakker op het moment dat ik ein-de-lijk mag gaan slapen. Niet grappig, wel goed voor bloginspiratie.

Vermoei(en)de dagen
Sinds een jaar ben ik van de middagdutjes. Ik moet ’s middags echt even slapen om de dagen vol te kunnen houden. Soms heb ik een energieke dag, maar zelfs (of misschien wel juist) dan ga ik ’s middags even naar bed om mezelf niet weer gelijk voorbij te rennen.

De vermoeidheid heeft mijn hypochondrie behoorlijk aangewakkerd. Nog steeds kan de vermoeidheid me heel bang maken, maar nu ik steeds meer logische (psychische) verklaringen krijg voor mijn vermoeidheid, kan ik het iets beter naast me neerleggen. Bovendien geniet ik van elke energieke seconde die ik heb.

Naar bed, naar bed…
Omdat ik een ritme aan wil houden, probeer ik niet al te vroeg naar bed te gaan. Toen ik nog werkte, lag ik er gerust om acht uur in, maar nu probeer ik dat te voorkomen. Soms moet ik echt moeite doen om mezelf ’s avonds na het eten wakker te houden. Dan breekt ein-de-lijk het moment aan dat ik naar bed mag en dan… wordt mijn hoofd wakker.

Het maakt niet uit of ik ’s middags wel of niet slaap (sterker nog, het lijkt erop dat ’s middags slapen zorgt voor een betere nachtrust dan ’s middags niet slapen), maar soms is mijn hoofd opeens wakker als ik eindelijk op bed lig. De hele dag ben ik dan duf geweest, maar zodra ik mag gaan slapen, besluit mijn hoofd dat het feest is.

De gedachten die dan komen, kunnen variëren. Het kan zijn dat ik opeens creatieve ideeën krijg of dat ik een baan wil zoeken. Meestal is het echter wat minder onschuldig en wordt de hypochonder wakker. Die praat me dan allerlei enge ziektes aan en ’s nachts gaat mijn verstand daar heel graag in mee. Na een kwartier in bed ben ik dan klaarwakker en doodsbang en weet ik dat ik slapen wel kan vergeten. Langzaam maar zeker tikken de uren dan weg en word ik steeds maar banger.

Slaap je niet dan rust je toch
Als kind was ik ook een slechte slaper. Mijn vader had de gewoonte om het cliché er dan in te gooien: “Slaap je niet dan rust je toch.” Dat vond ik onzin.

Mijn huisarts gooide hem er pas ook in, toen ik zei dat ik wel weer eens lekker wilde slapen: “Maar slaap je niet…” Ik liet hem de zin niet eens afmaken. Ik snap de theorie wel hoor, dat je ook kunt uitrusten zonder te slapen. Maar dat is wat anders dan dit. En dus maakte ik zelf zijn zin af: “…dan rust je in mijn geval ook niet, want dan word je gek van de angst en van de hypochonder die wakker is.” En ik blijf bij dat standpunt. ’s Middags een uurtje op de bank liggen zonder te slapen? Prima, dan rust je toch, denk ik. Maar niet als je doet wat ik ’s nachts doe. Dus na vandaag onderbreek ik iedereen die aan dit cliché begint en gooi ik die van mij erin: “Slaap je niet dan rust je ook niet.” Wie wil, mag ‘m overnemen.

Het gevoel van thuis

Thuis is voor mij echt mijn eigen plek. De plek waar mijn boeken staan, de plek waar ik helemaal mezelf kan zijn en de plek waar ik me kan ontspannen. Voor mij hoort daar ook zéker het geluid van de kerkklok bij.

Nieuwbouwhuis
Toen ik mijn appartement kocht, was het complex nog in aanbouw. Na een paar maanden mocht ik gaan kijken in het stuk beton dat mijn appartement zou worden. Dat voelde duidelijk niet als thuis.

Vanaf het moment dat ik de sleutel kreeg, veranderde dat. Ik las mijn eerste boek in het huis (terwijl ik wachtte tot de geschilderde ramen gesloten mochten worden), ik verfde de muren en langzaam maar zeker werd het huis een thuis.

Verhuizen
Mijn bed verhuisde als laatste en maakte mijn thuis compleet. Ik veranderde niet alleen van huis, maar ook van woonsituatie en woonplaats. Ik kwam uit een vrij druk gezin en ging alleen wonen. Dat wende heel snel. Als ik herrie wilde, ging ik wel even terug naar de gezelligheid van het ouderlijk huis. Mijn nieuwe woonplaats wende ook vrij snel.

Ik had gedacht dat ik de eerste nacht in mijn eigen huis geen oog dicht zou doen. Niets bleek echter minder waar. Ik sliep heerlijk. De volgende morgen werd ik wakker van…de kerkklok. Niet zo gek, als je bedenkt dat de kerk zich bijna recht tegenover mijn huis bevindt.  

De kerkklok
De kerkklok luidt op het hele en het halve uur. Op het halve uur slaat de klok één keer en op de hele uren geeft de klok met zijn slagen aan hoe laat het is. De eerste dagen hoorde ik iedere keer de klok luiden en werd ik er soms wakker van, maar dat wende al heel snel. Inmiddels hoor ik de klok niet meer bewust.

Een poosje geleden werd de kerk gerenoveerd. De klok was een paar weken niet in gebruik. Toen pas merkte ik hoe de klok mij het gevoel van thuis geeft. Ik hoor de klok niet meer bewust, maar toen hij niet luidde, miste ik hem. Ik miste vooral het lange luiden om twaalf uur ’s middags.

Tijdens slechte nachten moest ik wat langer aan de klok wennen. Als ik niet kan slapen, wil ik eigenlijk niet weten hoe laat het is. De klok blijft het echter onverbiddelijk aan me vertellen. Alleen tussen twaalf en twee uur is het lastig. Dan slaat hij natuurlijk drie keer maar één keer, dus dan raak ik het wel eens kwijt. Maar zodra het twee uur is, weet ik het weer. En ach, inmiddels vind ik dat prima. De klok hoort ook bij de slechte nachten.

Ik ben thuis!
Als ik op vakantie ben, mis ik de klok niet. En toch…na mijn laatste vakantie hoorde ik heel bewust de kerkklok slaan toen ik weer thuis was. Mijn koffer was nog niet uitgepakt, maar ik ging er even voor stilstaan. Ik was thuis! Mijn ‘eigen’ klok sloeg weer. Datzelfde gevoel kan me bekruipen als ik rond de middag thuis aan kom rijden en de klok net begint te luiden. Heerlijk vind ik dat.

Eén van de appartementen in het complex stond pas te koop. Er kwam een kijker. Op het moment dat de kijker buiten stond, luidde de klok. Ik was me daar eigenlijk niet van bewust, maar de kijker wel. De kijker vond het maar irritant. “Daar heb je toch last van?” vroeg de kijker aan de makelaar. Ik zat buiten en hoorde dat, maar ja, ik wilde me er niet mee bemoeien. Had ik dat wel gedaan, zou ik hebben geroepen: “Nee, dat hoor je niet meer, daar slaap je snel genoeg doorheen en het geeft je het heerlijke gevoel van thuis.”

Boekenpraat: De jongen op het houten kistje (Leon Leyson)

Het verhaal
Dit autobiografische boek vertelt het verhaal van Leib Lejzon, beter bekend als Leon Leyson. Leon woonde in Polen toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Heel lang kon zijn familie hem nog geruststellen door steeds te denken dat er niets ergers kon gebeuren dan wat ze nu meemaakten.

Het kon wel erger dan de familie en Leon hadden gedacht. Dit boek beschrijft hoe Leon in een getto ging wonen en hoe hij zich keer op keer verzette tegen de Duitsers. Het gaf hem een goed gevoel om iets te doen. Veel kon hij niet doen, maar alle kleine beetjes gaven hem een gevoel van verzet en zelfstandigheid.

Het leven van Leon lijkt te stoppen als op zijn tiende de oorlog uitbreekt. Hij kan niet meer naar school en moet altijd op zijn hoede zijn. Zijn vader kan het gezin redden. Zijn vader werkt namelijk bij Oskar Schindler, de ‘nazi’ die honderden Joden redde.

Leon beschrijft hoe hij werkte in de fabriek van Schindler. Hij moest daar munitie maken, maar was nauwelijks groot genoeg om bij de machines te kunnen. Hij moest op een kistje staan om zijn werk te kunnen doen en werd daarom ‘de jongen op het houten kistje’ genoemd. Keer op keer weet Oskar Schindler het leven van Leon en een aantal van zijn familieleden te redden. Schindler kan echter niet voorkomen dat Leon honger lijdt en dat hij de rest van zijn leven het verdriet voelt als hij praat over wat hij in de oorlog heeft meegemaakt.

Mening
In eerste instantie had ik dit boek opgevat als een roman, waardoor ik in het begin wat moeite had met de stijl. Toen ik ging inzien dat het hier ging om een levensverhaal, las het verhaal direct heel anders.

Leyson beschrijft het leven in de kampen en in het getto en in de wereldberoemd geworden fabriek van Schindler. Dat doet hij op zo’n manier dat het boek me echt raakte. Zonder dat Leyson erg in detail treedt, laat hij voor de lezer weinig aan de verbeelding over.

Wat me het meest raakte, was wat ik las over het leven van Leyson na de oorlog. Hij heeft geprobeerd de oorlog zijn leven niet te laten beïnvloeden. De invloed was er echter wel. Tot op het allerlaatst heeft Leyson keer op keer al het verdriet gevoeld en alle vernedering die hij voelde tijdens de oorlog. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden om zijn verhaal eerst te vertellen en daarna op te schrijven en zo te delen met de wereld.

Dit boek is een historische weergave van feiten. Het laat het wereldberoemde verhaal van Schindlers lijst zien, beschreven vanuit een overlevende. Een aanrader voor wie geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘De jongen op het houten kistje’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: De jongen op het houten kistje
Auteur:
Leon Leyson
Uitgeverij:
Boekerij
Genre:
Non-fictie – Tweede Wereldoorlog
Pagina’s:
221 (en een aantal fotopagina’s)

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor