Alternatief recept: Naar buiten

Buiten zijn is voor mij een heel goed medicijn. Als mijn hoofd vol zit, lukt het me buiten vaak om weer wat orde op zaken te stellen. Sinds ruim een jaar was ik zelfs elke dag buiten en toch ging er ergens iets mis…

Buiten zijn is fijn
Ik woon echt op één van de beste plekken van Nederland, als het gaat om een goede uitvalsbasis voor wandelen of fietsen. Ik loop de deur uit, zo de polder in en kan dan perfect een uurtje wandelen. Dan kom ik bijna geen mensen tegen en ben ik na een uur weer opgefrist thuis. Sommige mensen vinden dat saai, steeds hetzelfde rondje, maar ik vind het heerlijk. Ik zie elke dag weer wat anders, op precies hetzelfde rondje. Ik kan er echt van genieten.

Buiten zijn doet pijn
Er zijn zat mogelijkheden om dat rondje wat uit te breiden en zo weet ik dus hoe ik tussen de zes en de dertien kilometer lekker kan wandelen, gewoon vanuit huis. Maar…ergens ging iets mis. Ik was altijd minstens een half uur per dag buiten, maar meestal echt wel een uur. Toen werd het februari. Ik kreeg stress en pijn. De pijn zorgde ervoor dat wandelen en fietsen even vrijwel onmogelijk werden. Mijn nek en mijn hoofd sprongen dan zo’n beetje van mijn lijf af. Ik ging nog wel elke dag naar buiten, maar vaak waren dat nog maar twintig minuten.

“Je hebt het zo nodig.”
Een poosje geleden zat ik bij mijn huisarts. Er was weer eens paniek. Dat bleek nog een gezellig staartje te zijn van het gesprek met de arbeidsdeskundige, maar wist ik veel. Ik was het zó zat. Daar zat ik dan: “Alle trucjes die ik normaal doe, helpen ook niet. Ik wil heus wel kleuren en naar buiten, maar dat doet te veel pijn.” Dat ik pijn had, was duidelijk. Dat dat verder niet ernstig was, was volgens de huisarts ook duidelijk.

Hij vond dat ik mijn conditie weer wat op moest gaan bouwen, zodat de pijn dan misschien ook minder zou worden. “Ja, hóe dan? Buiten zijn doet pijn!” Ik wist het allemaal even niet meer, die dag was álles stom tot de macht veel, dus zéker dat advies. Wat nou naar buiten? Dóe iets!

Aan het eind van het gesprek was ik de wanhoop nabij. Ik wilde húlp, wat moest ik?! Ook bij de huisarts zag ik een spoor van wanhoop op zijn gezicht. Hij had gedaan wat hij moest doen, maar kon niet meer doen dan dat om me gerust te stellen en dat was die dag dus niet voldoende. Bij de deur zei hij het nog een keer. De voorgeschreven medicatie was niet het belangrijkst, maar het alternatieve recept: “Ga nou lekker naar buiten; je hebt het zo nodig…”

Het drong niet meer tot me door, want ik dacht alleen maar: Hoe kom ik met mijn jankhoofd langs een volle wachtkamer en daarna naar huis?

Twee dagen later. De pijn was weer wat gezakt. De frustratie ook. Ik kon weer normaal nadenken. Ineens drong door wat er bij de deur tegen me gezegd was: “Je hebt het zo nodig…” Ik stippelde op knooppunten een fietsroute uit, sprong op de fiets, ontdekte nieuwe fietspaden, genoot van de natuur en was na bijna anderhalf uur fietsen weer thuis. En wat bleek? Ik had het nodig.  

Het beste medicijn

Boekenpraat: ’t Hooge Nest (Roxane van Iperen)

Het verhaal
De zussen Janny en Lien Brilleslijper zijn in de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet. Ze worden zelf gezocht, omdat ze Joden zijn, maar laten zich niet tegenhouden. Ze willen vechten voor vrijheid.

Als het gevaar voor hen in Amsterdam en Den Haag te groot wordt, besluiten de zussen met hun gezinnen onder te duiken. Zo komt de familie Brillenslijper terecht in ’t Hooge Nest, een riante zomervilla in ’t Gooi. Daar vangt de familie onderduikers op en vanuit daar zetten de zussen hun werk voor het verzet voort.

De familie heeft klein Amsterdam naar ’t Hooge Nest gebracht. Het lijkt er relatief veilig. Daar in de bossen, in de tuinen van ’t Hooge Nest, groeien kinderen op, worden verjaardagen gevierd en lijkt het leven bijna normaal.

Dan wordt de familie verraden. De zussen worden via gevangenissen en kamp Westerbork getransporteerd naar Auschwitz. Ze zitten in hetzelfde transport als de familie Frank. De zussen Brilleslijper worden vervolgens (weer samen met de zussen Frank) getransporteerd naar Bergen-Belsen, waar ze proberen te overleven tot het einde van de oorlog. “Bergen-Belsen is goed. Hier zijn geen gaskamers. Dit is gewoon een kamp,” denken Janny en Lien bij aankomst in Bergen-Belsen. Al snel merken ze echter dat Bergen-Belsen niet ‘gewoon’ een kamp is, maar dat ook daar de dood heerst. Samen proberen ze ‘aan deze kant’ te blijven.  

Mening
Roxane van Iperen schrijft dat nabestaanden van de zussen Brilleslijper haar hebben gezegd dat ze dit verhaal moest vertellen, omdat het anders is dan veel verhalen die de wereld kent. De Joden lieten zich niet gewillig naar hun dood leiden. Er waren wel degelijk Joodse (en bovendien vrouwelijke) verzetslieden.

In dit boek vertelt Van Iperen het verhaal van de familie Brilleslijper. Het boek is non-fictie, maar wel heel goed te lezen, zonder al te veel inspanning. Ik vond het een heel indrukwekkend boek en was diep onder de indruk van wat de zussen deden en hoe ze elkaar (en vele anderen!) door de oorlog probeerden te slepen.

Van Iperen heeft op allerlei manieren onderzoek gedaan en vertelt zo een waarheidsgetrouw verhaal. Het was een voor mij onbekend verhaal. Waar het verhaal het pad kruist van de zussen Frank, komen wat bekende dingen voor, maar verder leerde ik veel nieuws. Wat mij betreft is dit zeker een verhaal dat verteld moet worden. Opdat wij niet vergeten.

Dit boek ook lezen?
Je kunt ”t Hooge Nest’ bijvoorbeeld kopen bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: ’t Hooge Nest
Auteur:
Roxane van Iperen
Uitgeverij:
Lebowski Publishers
Genre:
Non-fictie, Tweede Wereldoorlog
Pagina’s:
382

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Even geduld a.u.b.

Even geduld heb ik soms. Maar niet heel veel. Het weinige geduld dat ik heb, wordt al heel lang op de proef gesteld. Ik waag maar weer eens een blogje aan de wachtlijstproblematiek in de GGZ, want de soap loopt ‘lekker’ lang door.

Wachten duurt lang
Wachten duurt lang, zeggen ze. Dat zal allemaal wel zo zijn, maar ik sta nu negen maanden op de wachtlijst voor een behandeling die gericht is op mijn hypochondrie. Ik had gehoopt (en oké, gedacht) dat ik inmiddels wel aan de beurt zou zijn, maar dat ben ik niet.

Ik schreef al eerder dat het allemaal wat vaag was en dat het lang duurde én dat men ook nog een partijtje moeilijk deed over privacy. Ik geloofde daar niet zo in; ik dacht meer dat ze gewoon niet wilden zeggen hoe vreselijk lang de wachtlijst nog was.

Actie
Het leek voor mij onmogelijk om antwoord te krijgen op mijn vragen en daarom waagde uiteindelijk de huisarts zich in het gangenstelsel van kastjes en muren. Hij hield standvastig vol, waar ik al was afgehaakt. Ik moest namelijk de administratie bellen en van de administratie de behandelaar en zo bleef ik dus maar in een cirkeltje ronddraaien en kwam ik nooit iets te weten. Mijn huisarts zocht het wat hogerop. Ook dat had geen effect, maar dat bleek vooral te komen omdat degene die hij moest hebben op vakantie was.

Er is beloofd dat de meneer-in-pak-met-veel-geld-op-de-bank-en-een-dure-auto na zijn vakantie mijn huisarts gaat bellen. Ik ben benieuwd of meneer dat ook gaat doen. In ieder geval is er tot die tijd nog een klein sprankje hoop.

Het duurt nog wel ‘even’
Mijn huisarts kreeg wél te horen wat ik al vermoedde, maar van niemand bevestigd kreeg. Het kan nog wel een jaar duren voor ik aan de beurt ben. Ja, dat is inderdaad in totaal ruim twintig maanden wachten dan. Bizar.

Ik was woest, toen ik dat hoorde. Mijn huisarts was de brenger van de boodschap en dus ook degene die mijn frustratie aan moest horen, ondanks dat hij er alles aan had gedaan.

Hij legde uit dat de instelling dit ook niet wil. “Zij zitten met te weinig mensen en met geld enzo, zij willen dit ook niet.” Dat kon mij allemaal niet schelen. “Ik ben een méns, geen instelling, dat is erger. Ik ben hier het slachtoffer van.” Dat was hij helemaal met me eens, maar veel meer dan wat er nu al was gedaan, kon er niet aan gedaan worden. We onderzochten nog de mogelijkheid van een andere instelling, maar concludeerden dat dat op dit moment niet kan. Wachten dus.

De gevolgen van de zieke ggz
Dit hele gedoe heeft nogal grote gevolgen. Die gevolgen zijn er voor mij, maar ook voor anderen. Dat ik me rot voel, is voor mij heel vervelend. Maar ook anderen hebben hier last van. Ik houd bijvoorbeeld plekken bij de huisarts bezet die beter naar anderen zouden kunnen gaan en mijn familie en vrienden maken zich stiekem soms meer zorgen om mij dan ik weet.

Een ander gevolg is dat ik niet kan werken voor ik mijn behandeling heb gehad. Dat betekent dat ik mijn twee jaar ziektewet vol ga maken en dat ik uiteindelijk heel stilletjes van de arbeidsmarkt dreig te verdwijnen. Dat wil ik niet. Dat had ik nooit gedacht. Dat doet pijn. Maar dat is wat het is.

En tot die tijd? Tot die tijd blijf ik hier af en toe over bloggen, tot er ein-de-lijk iets gedaan wordt. En ja, dan kijk ik naar de politiek. Die roepen namelijk allemaal heel hard iets over wachtlijsten inkorten enzo. Prachtige woorden, maar het wachten is op de daden.

De hobby van elke huisarts

Laat ik even vooropstellen dat ik geen diepgaand wetenschappelijk onderzoek heb gedaan voor ik dit artikel begon te schrijven. Ik denk echter dat ik, in mijn jarenlange status als hypochonder, genoeg huisartsen heb gezien om toch iets te kunnen zeggen over de hobby van elke huisarts. Ik verdenk ze er namelijk van dat ze allemaal delfde hobby hebben. Misschien zelfs wel meer dan één.

Dat doet pijn!
Als ik met pijnklachten bij een huisarts kom, willen ze dat altijd onderzoeken. Logisch, zou je denken. Dat is het ook, maar toch… Pas kwam ik bijvoorbeeld bij de huisarts met pijn in mijn nek. Dat had ik al uitgelegd. Zelfs al aangewezen. “Ik ga even kijken.” En terwijl hij me stond te pijnigen, concludeerde hij: “Hier doet het pijn hè.” Ja, daar deed het pijn. En niet veel later: “Hier denk ik dat het ook pijn doet.” Ja, daar deed het ook pijn.

Zo gaat het dus altijd met pijn. Last van een prikkelbare darm? Lekker, kneden we even die darm helemaal aan stukken. Pijn deed ie toch al, of niet dan?

Er komt een dag dat ik ga slaan als ze me pijn doen. Of wacht, die dag is eigenlijk al een keer geweest. Ik had last van het Syndroom van Tietze, een pijnlijk gebeuren op je borstbeen. Dat voelt een beetje als een hartaanval, maar is het niet. En ja, die pijn kunnen artsen erger maken door even een beetje te duwen enzo. Zou kunnen dat ik toen een keer mijn arm een beetje uit heb laten schieten, in een reflex.

Wat dat met hobby’s van huisartsen te maken heeft? Nou, ik heb dus stiekem het idee dat ze dat leuk vinden, als er iemand met dat soort dingen komt. Lekker een beetje iemand pijn doen. Want ja, ze weten precies waar het pijn doet en als ze dat dan in één keer aan kunnen wijzen, vinden ze dat volgens mij stiekem heerlijk. Ik heb er namelijk al diverse artsen op betrapt dat ze dit echt wel een leuk onderdeel van hun werk vinden.

Bloedbaden
Ik heb de indruk dat het afhandelen van bloedbaden niet van iedere huisarts een hobby is, maar dat er wel degelijk een paar tussen zitten die blij zijn als de spoedlijn gaat en er komt iemand met een half afgehakte hand binnen ofzo. Nouja, een huisarts liever dan ik, want ik moet er niet aan denken.

Tranentrekkers
Tot slot heb ik het sterke vermoeden dat er nog een andere gedeelde hobby van huisartsen is. Soms komt er iemand voor psychische problemen. Laat ik het makkelijk houden en het bij mezelf houden. Ik kom dus zeer geregeld voor psychische problemen. Het is alom bekend dat degene die mij aan het huilen kan krijgen een lintje verdient, want ik huil niet makkelijk. Ik lach wel. Of ik maak grapjes. En hoe harder de grap en hoe groter de glimlach, hoe erger het is.

Ik kan me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommige huisartsen er in mijn lange staat als hypochonder toch een beetje een hobby van hebben gemaakt om mij aan het huilen te krijgen. En nee, dat is niet iedereen gelukt. Jammer hoor.

Koffiepauze
Op een gegeven moment is het koffiepauze in de praktijk. De artsen verzamelen zich. Stiekem zou ik in die pauze wel even om een hoekje willen kijken. Zouden ze dan even vertellen hoeveel mensen ze pijn hebben gedaan en hoeveel zakdoekjes ze al hebben uitgedeeld?

Vast niet.

En om nog even terug te komen op dat gebrek aan onderzoek voor dit blogje: Ik heb het mijn huidige huisarts een keer verteld, dat ik artsen ervan verdenk dat ze het leuk vinden om mensen pijn te doen. Hij gaf toe, maar wel lachend. Dat telt vermoedelijk niet als onderzoek.

Dappere dame

Er kwam een arbeidsdeskundige bij me langs. Deze man zou gaan bepalen of ik weer aan het werk zou kunnen bij mijn eigen werkgever en zo niet, welk werk ik dan wel zou kunnen. Klinkt goed, in eerste instantie. Maar als je nog helemaal niet kunt werken, klinkt het net iets minder goed.

Dappere dame
De arbeidsdeskundige had wat voorkennis. Er was namelijk een arbeidsinzetbaarheidsprofiel opgesteld door de bedrijfsarts. Dat profiel was samen met mij opgesteld en ik stond er helemaal achter. In dit profiel stond namelijk heel duidelijk wie ik ben en vooral wat op dit moment mijn beperkingen zijn.

De arbeidsdeskundige had het profiel eens goed bestudeerd en was naar mijn huis gekomen met het idee dat ik weer (op termijn fulltime) aan de slag zou kunnen. Hij zag heel veel mogelijkheden.

Stel je even voor dat je met dat idee naar mijn huis komt en dat er dan ook nog eens een vrolijk lachende, vriendelijke, zelfstandige vrouw in dat huis blijkt te wonen. Eén en één is twee, toch? Dat leek het wel ja. Nadat ik had uitgelegd wat mijn functie was voor ik me ziek meldde, vroeg de arbeidsdeskundige wat ik dacht dat ik nu zou kunnen. Ik was daar nogal helder in: Op dit moment kan ik eigenlijk niets. Ik ben te overprikkeld, te moe en te labiel. Hij vond dat ik erg negatief was en zag heel veel mogelijkheden. Dat ik nooit meer fulltime zou kunnen werken, snapte hij ook niet.

Paniek!
Op dat moment raakte ik in paniek. Ik had net uitgelegd wat mijn beperkingen zijn, maar blijkbaar vond deze man dat niet geloofwaardig. Nu hij had gezegd dat ik (op termijn fulltime) zou moeten gaan re-integreren, was de paniek compleet.

De paniek was er eigenlijk al veel langer. Nog net voor de arbeidsdeskundige arriveerde, liep de stress hoog op. Ik had al wat nachten met nachtmerries over werk gehad. Op de dag dat de arbeidsdeskundige zou komen, ‘ontmantelde’ ik mijn huis. Alle persoonlijke spullen gingen weg. Ik gunde de man geen kijkje in mijn privéleven. Vervolgens appte ik mijn moeder: “Als er straks een ambulance naar Huize Naomi rijdt, ben ik onder de stress bezweken.” Uiteraard was deze zogenaamd dappere, maar vooral heel eigenwijze dame van plan om het gesprek alleen te doen, maar mijn moeder bood aan te komen. Dat bleek een goed plan.

Eerst zette ik de man met bibberende handen koffie voor. Ik zag het kopje trillen, maar hij niet. Het gesprek begon dus, zoals al eerder beschreven, vrij kalm. Tot de paniek toesloeg.

Op dat moment moest mijn moeder het gesprek af en toe overnemen. De arbeidsdeskundige zag in dat ik op dit moment niet belastbaar ben. Daar heeft hij ook gelijk in, maar ik vond het heel erg dat hij dat niet geloofde toen ik het zei. Waarom geloven mensen me niet? Omdat ik nog kan lachen? Dat is mijn grootste probleem en dat stond ook in het arbeidsinzetbaarheidsprofiel. Maar ja, de paniek had het van me overgenomen; mijn moeder legde uit dat dit precies het probleem is en de arbeidsdeskundige zei dat ik me geen zorgen moest maken. Dat soort uitspraken werken bij mij niet.

Uiteindelijk wilde hij het nog eens uitleggen. “Dat komt bij mij niet meer binnen, maar dan luistert mijn moeder wel.” Zo geschiedde. De arbeidsdeskundige concludeerde dat ik niet belastbaar ben en zou dat doorgeven aan de bedrijfsarts (die dat al láng wist). Hij zou nog aan mij terugkoppelen wat de uitkomst was. Die uitkomst kwam vrij snel, met grote, dikke, geel gearceerde letters: geen re-integratie op dit moment.

Hoe nu verder?
Na afloop was ik ‘blij’ dat deze man had gezien hoe het écht werkt bij mij. Dat is zeldzaam en kan ik niet bewust wel of niet oproepen. Maar ja, ik bleef ervan balen dat mensen me niet gewoon geloven als ik iets zég. Ja, ik kan lachen, maar ik zou willen dat ik iets minder goed toneel kan spelen.

Was ik opgelucht? Ja en nee. Nee, natuurlijk is het niet leuk dat ik nog niet kan werken, nu ik al een jaar thuis ben. Ik zou echt wel weer aan de slag willen. Ik weet echter dat ik op dit moment nog niet voldoende ben hersteld om dat te kunnen. Dus ja, ik was opgelucht. Ik kreeg nog extra tijd om aan mijn herstel te werken. En die tijd heb ik nodig.

Vervolgens was er medicatie nodig om de rust te herstellen en gingen er nog wat onrustige dagen en nachten voorbij. Het had me gesloopt. Nee, ik ben niet die dappere dame. Ik ben een heel erg overbelaste autist, die hersteltijd nodig heeft. Deze man begrijpt dat nu. Op naar de volgende hobbel dan maar…

Boekenpraat: Post voor mevrouw Bromley (Stefan Brijs)

Het verhaal
De Engelse John Patterson is van plan te gaan studeren. Het is echter 1914 en zijn vriend Martin Bromley komt hem opgewonden vertellen dat er oorlog is uitgebroken.

Voor Martin is direct duidelijk dat hij in het leger wil en het liefst neemt hij John met zich mee. John wil echter absoluut niet gaan vechten, maar ‘gewoon’ gaan studeren. Dat is dan ook precies wat hij doet. John studeert, maar moet wel steeds voorzichtiger zijn op straat. Er zijn namelijk vele ronselaars actief die hem onder druk zetten om toch het leger in te gaan.

John moet het inmiddels stellen zonder zijn goede vriend Martin, met wie hij samen opgroeide. Mevrouw Bromley, de moeder van Martin, heeft John gevoed en is als een moeder voor hem. John zou alles voor haar doen, maar hij heeft niet kunnen voorkomen dat Martin toch afreisde naar het front.

Dan komt de dag dat ook John moet kiezen. En na die dag volgen nog vele dagen waarop hij keuzes moet maken. John mist zijn vrienden, want die zijn aan het front. Velen zullen nooit terugkeren. Zijn vader heeft, als postbode, al aan heel wat deuren een overlijdensbericht moeten bezorgen. Kan John hier iets in betekenen? Hoe kan hij het leed verzachten? Voor hij het weet, maakt John keuzes met verstrekkende gevolgen. Uit liefde. Maar maakt liefde alles goed?

Mening
Dit boek maakte me stil. Over de Tweede Wereldoorlog heb ik al heel veel gelezen, maar nu las ik dus over de Eerste Wereldoorlog.
Op heel erg indrukwekkende wijze wist Stefan Brijs me mee te voeren naar het leven vol waanzin in de loopgraven. Door mee af te reizen werd ik me bewust van de dood die de soldaten tegemoet liepen. Ze wisten het en toch gingen ze.

De angst, de waanzin, het verdriet en de trots komen in dit boek allemaal aan bod. In het hele boek is John aan het woord en dat maakte het heel goed te volgen, ook al speelt het boek zich af op diverse plaatsen en verspreid over een aantal jaren.

Voor mij was dit boek een kennismaking met het werk van Stefan Brijs. Ik ben er diep van onder de indruk.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Post voor mevrouw Bromley’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Post voor mevrouw Bromley
Auteur:
Stefan Brijs
Uitgeverij:
Atlas Contact
Genre:
Roman
Pagina’s:
511

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

‘Gezelligheid’ bij de tandarts

Bezoekjes aan de tandarts zijn niet echt mijn favoriete bezigheid. Ik weet dat het noodzakelijk is enzo, maar toch zie ik mijn tandarts het liefst zo min mogelijk. Mijn tandarts is een leuk mens hoor, echt waar. Ze had alleen een ander vak moeten kiezen om haar écht aardig te kunnen vinden, want het lukt me nu niet om haar los te zien van al haar martelwerktuigen.

Zja, whel heuj
Nee, ik ben niet dronken ofzo, ik probeer mijn conversaties met de tandarts op te schrijven. Het valt me namelijk op dat de tandarts er altijd alles aan doet om een consult nog een beetje gezelligheid mee te geven. “Heb je vakantie? Wat doe je voor werk?” Allemaal leuk en aardig en ik snap het wel, maar hóe kan ik ooit antwoord geven met minstens zeven apparaten en slangen in mijn mond? Ik heb een poosje geleden besloten dat ik gewoon nog alleen met “ah” reageer. Dat kan zowel ja als nee betekenen, maar betekent eigenlijk vooral: Schiet op en houd je mond!

Lekker comformtabel…
Ik weet wel zeker dat er ergens in mijn dossier iets staat over dat ik doodsangsten uitsta voor de tandarts. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik houd er gewoon niet van. Ze doen je altijd pijn, je ligt nógal oncomfortabel en als je pech hebt, heb je een jaar na je behandeling ook nog pijn vanwege een door de tandarts gemaakt foutje.

Want even serieus, die houding met je hoofd lager dan je benen en je mond open, dat ligt toch niet lekker? Tegen de tijd dat je weer rechtop mag gaan zitten, is de eerst zo spierwitte kamer veranderd in een hok vol sterretjes, omdat je te lang met je hoofd omlaag hebt gelegen. “Nou, tot de volgende keer.” Ik denk dan alleen maar: Wacht even, ik zie sterretjes, laat me even bijkomen! Als ik dan heel langzaam mijn benen op de grond durf te zetten en op durf te staan, stamel ik ook nog wel een groet, maar na drie kwartier met open mond liggen, zijn mijn kaken echt niet meer zo heel gewillig.

Muziekje erbij?
Een paar jaar geleden ging ik, na een verhuizing, over naar een andere praktijk. De martelwerktuigen zijn hetzelfde, de oncomfortabele houding en de zogenaamde gezelligheid ook. Maar er was nóg iets. Ik kreeg een tandarts die hield van zingen. In de wachtkamer hingen al allerlei flyers van concerten enzo. Dat leek me nog gezellig, totdat ik op de stoel lag. De beste man begon te neuriën. En niet even, maar nee, gewoon het hele consult lang. Het is dat ik dus met een mond vol martelwerktuigen lag, want anders had ik geloof ik enige agressie vertoond.

De neuriënde tandarts is gelukkig vertrokken en is opgevolgd door iemand die de muziek gewoon uit de radio laat komen. Klinkt al een stuk beter. Gezelligheid probeert ze ook wel, maar daar doe ik dus niet aan mee. De oncomfortabele houding lijkt bovendien elk half jaar wel oncomfortabeler te worden. Verder is mijn tandarts heel aardig hoor, zoals ik al zei. Maar nogmaals, ze had een ander beroep moeten kiezen. Ik weet zeker dat ik haar dan écht aardig had gevonden.

Autisme en (mijn) geloof

Sinds ik de diagnose autisme kreeg, heb ik me in veel aspecten van autisme verdiept. Eén van de dingen waar ik over las, was geloven. Veel autisten hebben moeite om de abstracte dingen die in de Bijbel staan te geloven. Anderen vinden het moeilijk om naar de kerk te gaan. Weer anderen hebben juist heel veel steun aan hun geloof. Hoe zit dat bij mij?

Ik geloof
Vanaf mijn geboorte hebben mijn ouders me opgevoed vanuit christelijke waarden en normen en vanuit het geloof dat de Bijbel waar is en dat Jezus onze Redder is.

Toen ik ouder werd, bezocht ik christelijke scholen en ging ik met mijn ouders mee naar de kerk. Ik heb er nooit een seconde aan getwijfeld of wat ik in de Bijbel las en wat ik in de kerk hoorde waar zou zijn. Ik geloofde rotsvast dat dit de waarheid was.

Dat geloof ik nog steeds. Dat klinkt misschien vreemd, want het schijnt zo te zijn dat veel autisten het geloof maar moeilijk te begrijpen vinden. Hoe kan een God Die je verder niet kunt zien nu bestaan? Hoe kan Hij doen wat wij geloven dat Hij doet? Toch is júist de onzichtbaarheid van God en Zijn grootheid denk ik voor mij altijd een reden geweest dat ik zo rotsvast in Hem heb geloofd. God was voor mij zó bijzonder, dat zichtbaarheid iets van mijn geloof af zou hebben gedaan.

Daarnaast, toen er stormen kwamen in het leven, heb ik steeds ervaren hoe God me daar doorheen hielp met Zijn Woorden van steun in de Bijbel. En dat merk ik nog steeds. Ik zei pas tegen mijn dominee: “Stel dat ik niet had geloofd, ik zou echt niet weten of ik er dan zo bij had gezeten.” Hij zei dat ik dat wel wist. Ik had het geloof nodig. En dat is waar.

En ja, ook ik vind het soms moeilijk en ook ik twijfel soms of ik wel écht op de juiste manier geloof, maar in de basis is er altijd het geloof en het vertrouwen, ook al voel ik dat niet altijd. Dat voelen is ook zoiets. Ik vind voelen soms lastig. Als ik het niet voel, wéét ik echter dat God nog steeds voor me zorgt en dan houd ik me aan die wetenschap vast.

De kerk
Het is al vrij lang geleden dat ik een kerkdienst bezocht. Het lukt me niet. Er zijn in dat gebouw vreselijk veel prikkels en mensen en er wordt heel veel sociale interactie verwacht. Ik bedoel…voor de dienst begint, kan er zomaar een wildvreemde tegen je beginnen te praten. Ik vind dat ontzettend lastig. Wat zeg ik wel en niet? Wie is die ander eigenlijk? Mijn oplossing is om zo laat mogelijk binnen te komen, maar ja, tijdens de dienst kan het dan alsnog ‘fout’ gaan. Allemaal eng.

Een andere kwestie is dat wat ik zing en lees en hoor in een dienst me zó kan raken dat ik moet huilen. Dat wil ik dan natuurlijk weer niet tussen al die andere mensen.

Na de dienst is er dan soms gelegenheid om koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Mij zie je daar sowieso niet. Ik ben na een kerkdienst volkomen afgedraaid. Ik red het dan echt niet om ook nog gezellig te doen, zéker niet met mensen die ik maar zijdelings ken.

Ik mis het wel, om naar de kerk te gaan en ik werk aan een plan om er weer (in ieder geval één keer per zondag) heen te kunnen. Ik probeer wel verbonden te blijven. Ik luister elke zondag de diensten mee, terwijl ik thuis zit te kleuren. Contact met andere gemeenteleden en de dominee is er ook. Ik weet dat er mensen in de kerk zijn die voor me bidden en hun steun doet me goed.

Is er een hemel voor autisten?
Gekke vraag? Het is de titel van een boek van Alianna Dijkstra. Zij beschrijft daarin persoonlijke verhalen over autisme en het christelijk geloof. Ik las het boek met veel belangstelling. Niet alleen autisten komen aan het woord, maar ook christelijke hulpverleners. Ik vond het heel mooi hoe ik sommige dingen herkende. Andere dingen herkende ik juist helemaal niet, maar dat verbaast me niet. Iedereen is anders; iedere autist is anders, ook op dit vlak.

Autisme genezen
In het boek ‘Is er een hemel voor autisten?’ stelt Alianna Dijkstra de vraag of mensen bidden om genezing van hun autisme. Ik vond  dat een interessante vraag. Zelf heb ik dat nooit gedaan. Ik weet zelfs niet of ik ervan ‘genezen’ zou willen worden. Ik ben ik. Met autisme. Ik bid wel om genezing van de nadelige gevolgen van vele jaren overprikkeling, maar ik denk dat autisme op zichzelf ook een kracht kan zijn. Bovendien zie ik het niet als een ziekte en dus ook niet als iets dat genezen zou moeten of kunnen worden.

Ik geloof dat God me heeft geschapen. In mijn geval was dat met autisme. Dat kan ik heel goed accepteren. Omdat Hij, zoals dat in de Bijbel staat, me al kende voor ik geboren werd. Hij kan me dus ook door het leven met autisme leiden. En daar vertrouw ik op.  

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Toppunt van Hollandse gezelligheid: We zijn er bijna

Met vijfendertig mensen samen op vakantie, met camper en caravan. Zie je het voor je? Zo’n hele sliert van campers en caravans met Hollandse kentekens, slingerend door de bergen van een willekeurig Europees land. Ik zie dat dus wel voor me, op maandagavond in de zomer. Ik kijk dan namelijk We zijn er bijna en ik val zeker niet in de leeftijdscategorie van Omroep Max, maar ik vind het echt zo’n geweldig programma!

Het concept
Een groep Hollanders trekt met camper of caravan door een deel van Europa. Omroep Max is er, met presentatrice Martine van Os, bij om alles vast te leggen.

Ergens op een camping verzamelt de groep en dan kan het feest beginnen. De reisleider legt de routes uit, er is natuurlijk een welkomstborrel en er wordt uitgebreid met iedereen gesproken. De kennismaking is een feit. Op naar vijf weken gezelligheid.

Hollandse gezelligheid en nieuwsgierigheid
Op reisdagen is het al vroeg druk op de camping. Alles moet klaar worden gemaakt voor vertrek én er is vaak nog een routewijziging. Eenmaal op een nieuwe camping aangekomen, worden de caravans en campers geïnstalleerd. Mat buiten, tuinstoel voor de deur, schotel goed gericht voor ontvangst van Hollandse televisie en de campingklompen aan. Hier en daar kost dat bijna een huwelijk, maar uiteindelijk staat alles op zijn plaats.

De vrouw maakt vervolgens een maaltijd klaar. Meestal iets met aardappels, bij hoge uitzondering wel eens rijst of iets anders zeer buitenlands. Aardappels zijn natuurlijk uit Holland meegenomen, genoeg voor vijf weken.

Na zo’n dag reizen, is je caravan uiteraard vies. Net als je auto. Op ‘vrije dagen’ zijn de mannen daar druk mee. Niks heerlijker en rustgevender dan kijken naar bejaarde mannen die vol zorg hun auto en caravan of camper poetsen. Moeder de vrouw draait ondertussen een handwasje. Samen met manlief wordt vervolgens de was uitgewrongen en op het rek gehangen.

De volgende morgen word je weer wakker op de camping. Wat je dan doet? Wit brood met Hollandse hagelslag eten als ontbijt. Of een zure haring, want dat is goed voor je cholesterol. Ondertussen kijk je natuurlijk naar wat de buren eten bij het ontbijt en groet je iedereen die in badjas voorbij komt wandelen. En je kent ook nog eens iedereen bij naam.

Op stap
Vaak is er een excursie gepland, waarbij de hele groep op stap gaat. Een stad bezoeken, een rondvaart of bergwandeling maken, noem maar op. Dat alles vaak onder leiding van een gids, die in het Duits (want dat verstaan wij Hollanders prima) uitlegt wat er allemaal te zien is. De camera’s komen tevoorschijn en eenmaal terug in de caravan worden de foto’s via telefoon of tablet gedeeld met het thuisfront.

Soms zit ik overigens met samengeknepen billen te kijken. Oude mensen die niet zo heel goed ter been zijn en dan toch een berg gaan beklimmen en bejaarden die met hun caravan door haarspeldbochten sjezen…soms slaak ik echt even een gilletje.

Vertedering
Ik kijk vooral met vertedering naar We zijn er bijna. Ik zie hoe kwiek sommige oude mensen nog zijn. Als je toch zo oud mag worden…Ik teken ervoor. Of wat te denken van de weduwnaars die alleen reizen en die vol liefde, soms met tranen in hun ogen, vertellen hoe ze hun vrouw missen tijdens de reis? Zó lief!

Tijdens een uitstapje zie ik de bejaarden een poging doen tot het spreken van een andere taal. “Wat is de sjortste weg?” Daarbij wordt ‘weg’ op z’n Duits uitgesproken. Ik vind dat heerlijk! Ik kijk het liefst nog zes keer de aflevering terug, omdat ik elke keer weer iets anders leuks zie.

Ga ik ook?
Eén van de reizigers is dit jaar op stap met zijn broer. Dat lijkt me wel wat, als ik bejaard ben lekker met m’n zusje op stap. Er is alleen één probleem. Ik vind het dus allemaal heel leuk en kneuterig en gezellig en dat soort dingen, maar vijf weken met zo’n groep op stap? Nee, mij niet gezien. Ik zou blij zijn als ik me ’s avonds weer veilig in mijn caravan op zou kunnen sluiten en even niet gezellig zou hoeven doen. De excursies zou ik ook overslaan en ik zou mooi in m’n eentje ergens een wandeling gaan maken.

Dat neemt echter niet weg dat ik met heel veel genoegen kijk. Zó leuk. Voor anderen dan. En om naar te kijken. Wat mij betreft maken ze er een dagelijks programma van en mag dat het hele jaar uitgezonden worden.

Voor wie denkt: Waar heeft ze het over? Maandagavond, begintijd meestal tussen 21.00 en 21.30 uur op NPO 1. We zijn er bijna van Omroep Max.