Ode aan de doktersassistente

Mijn hypochondrie heeft met grote regelmaat een beetje geruststelling van de huisarts nodig. Ik ben dan ook een trouwe bezoeker van de huisartsenpraktijk. Bellen doe ik liever niet, want in mijn beleving sta ik in de telefoon als ‘Mevrouw De Hypochonder’. Als ik bel, ben ik altijd bang dat ze denken: O, die weer. Wat nu weer? Die gaan we niet inplannen, want die stelt zich toch aan.

Omdat ik een veel geziene gast ben in de huisartsenpraktijk, ben ik inmiddels ook voor de doktersassistente een bekende. Vandaag breng ik een ode aan haar*.

De doktersassistente is de vrouw die de hele dag met veel geduld de telefoon opneemt. Ze beoordeelt de ernst van de klachten aan de andere kant van de lijn en plant de beller in voor het spreekuur. Tussendoor verwijdert ze wat hechtingen, stuurt dossiers door, werkt de administratie bij, maakt een uitstrijkje, stipt wratten aan en spuit wat oren uit.

En dan, tussen alle telefoontjes en andere taken door, sta ik weer voor haar balie. Ik huil, want ik ben net bij de huisarts geweest en had een nogal heftig gesprek. Ze doet niet moeilijk. Het is eigenlijk al pauze, maar ze neemt de tijd en maakt een vervolgafspraak voor me. Ze maakt een lange afspraak, want ze weet inmiddels dat ik dat nodig heb, zonder dat ik dat nog hoef te vragen. Erom vragen vind ik niet fijn en dus ben ik haar in stilte dankbaar. Ze wenst me sterkte en knikt me ten afscheid vriendelijk toe. Vriendelijke mensen zijn trouwens ook een beetje eng, want daar moet ik van huilen.

Soms durf ik, ondanks dat ik denk dat ze daar van alles van vindt, de doktersassistente te bellen. Op een dag ontdekte de hypochonder dat ik dood zou gaan. Ik had dus een dokter nodig, liefst die dag nog. Ik repeteerde wat ik zou zeggen en pakte de telefoon. Aan de andere kant van de lijn werd me gevraagd of ik die afspraak vandaag nog wilde. “Dat zou wel fijn zijn, maar ik denk dat dat niet kan?” Dat zou inderdaad lastig worden en ze zocht een plekje voor me wat later in de week. Ze vroeg me wat er aan de hand was. “O, paniek. Gaat wel weer over.” Ik had mezelf onder controle. Maar toen werd ze heel vriendelijk: “Ja, je weet dat dat weer over gaat, maar dat kan ook heel heftig zijn, dus als het niet lukt, moet je vandaag nog een keer bellen.” Snikkend door al dat lieve begrip hing ik op. Ik droogde mijn tranen en ging naar mijn werk. Alleen al haar begrip had voor rust gezorgd.

Ik belde ook een keer nét voor het weekend. De paniek kreeg de overhand en de hypochonder was druk. Ik twijfelde of ik wel of niet zou bellen. Als ik bel, wat denken ze dan van me? Als ik niet bel, wordt het dan een paniekweekend? Ik besloot de gok te wagen. Met trillende handen belde ik. Ik legde de assistente mijn probleem voor. Paniek, waarschijnlijk niks ergs, maar wel iets waarvan ik het eng vond om er het weekend mee in te gaan. Ik dacht natuurlijk dat ze zou zeggen dat ik me niet aan moest stellen en dat het wel over zou gaan. Maar ze luisterde, bleef rustig, legde uit dat mijn vaste huisarts vrij was, maar dat ik bij een andere arts ingepland kon worden. Ik was haar diep dankbaar. Toen vroeg ze nog iets engs: “Lukt het om die twee uurtjes nog te wachten?” Ja, dat kon ik. En dat was vriendelijk, dus de tranen begonnen al te branden.
Ik ging naar de huisarts. Na vijf minuten stond ik, gepijnigd en gerustgesteld, weer buiten. Toen ik langs de assistente liep, knikte ze me vriendelijk toe. En ik haar. Dankjewel, betekende dat. Dankjewel dat je altijd zoveel geduld hebt, nooit zegt dat ik zeur en altijd probeert om als ik dat nodig heb een plekje voor me te vinden op het spreekuur.

*Voor zover ik weet, leest ze niet mee, maar laat dit dan een ode aan de doktersassistente in het algemeen zijn. Wie de schoen past…En voor mij wel zo veilig en anoniem als ze niet reageert.

Schone ramen

Hoewel ik dol ben op gezeemde ramen, vind ik het zemen zelf een periodiek terugkerende kwelling. Ik stel het graag uit, maar als ik vakantie heb, vind ik altijd wel dat ik mezelf er even toe moet zetten.

Om te beginnen houd ik dan het weerbericht goed in de gaten. Ik kan de regen wel uit de lucht kijken, want als het regent, hoef ik de ramen niet te zemen. In ieder geval niet aan de buitenkant. En de binnenkant wordt niet vies, toch? Helaas toch wel.

Op een dag komt er dan toch dat moment dat de zon op de ramen staat. Ik zie hoe de regendruppels en het vuil van een aantal weken zich verzameld hebben. Het zou bijna jammer worden dat de zon schijnt. De huishoudontwijkende stem in me vindt dan: Ach joh, niemand ziet of die druppels van gisteren of van vorige week of vorige maand zijn. Dus eh…je kunt nog best een dagje wachten. Soms geef ik aan die stem toe.

Heel, heel soms schijnt de zon zo fel dat ik bijna zin krijg om de ramen te zemen. Hoewel dat bijna zorgelijk is, is dat wel een gevoel waar ik gebruik van moet maken. Ik haast me naar buiten en begin te zemen. Na afloop (en vooruit, tussendoor ook een keer) gooi ik tevreden mijn emmertje met zwart geworden water leeg. Ik heb nooit het gevoel dat ik de ramen voor niks heb gezeemd. Het is altijd wel écht nodig. Maar weet je wat? Die ramen leken vies toch ook echt heel gelukkig. Dat gun ik ze gewoon weer, dus de volgende keer stel ik het lekker weer uit.

En dan…dan is daar heel even dat moment dat ik met een gevoel van trots en voldoening door mijn blinkende ramen kan kijken. Toch wel lekker, die schone ramen. En jaja, dat vuil dat nu nog zichtbaar is, is dus echt wel van de overburen en niet van mij. Maar ik ben nooit de enige die geniet van mijn schone ramen.

Als ik mijn ramen zeem, gebeurt er volgens mij in de lucht ook wat. Moeder De Gans wordt wakker. Ze roept haar man, haar kroost, de rest van de familie en alle vrienden: ‘Naomi heeft de ramen gezeemd! Joehoe! Kom! Allemaal verzamelen, wie het eerst is en wie het meest kwijt kan op één raam!’
En daar komen ze dan. De complete familie Gans. Ze laten hun groene uitwerpselen achter op mijn net zo zorgvuldig, na veel uitstelgedrag, gezeemde ramen. En ik? Ik hoop maar weer op regen. Om dat groen te verwijderen én om een smoes te hebben om niet weer te hoeven zemen.

Weekendhoofd

De meeste mensen kijken steeds weer uit naar het weekend. Ik ook, maar de laatste jaren vond ik weekend wat lastig. De week vol werk, angsten en gedachten putte me zó uit, dat ik in het weekend sliep en op de bank hing. Mijn hoofd draaide in zo’n weekend dan overuren. Ik nam de week nog een keer helemaal door, bereidde me voor op de week die komen ging, maakte me vooral heel veel zorgen over de komende week en bovendien had de hypochonder in me ook altijd volop aandacht nodig in het weekend. Leuke dingen doen zat er even niet meer in.

Al die dingen maken dat het weekend voor mij heel lang een strijd is geweest en dat soms nog steeds is. Mijn weekendhoofd is duf en draait tegelijk overuren.

Het kan ook anders! Mijn altijd overuren draaiende hoofd werd op een zaterdag wakker en had besloten ook mee te doen met het fenomeen weekend en vrij zijn. Het begon al bij het wakker worden. Ik had de héle nacht geslapen (waar vind je het nog?) en had ’s morgens een gevoel dat heel dicht in de buurt kwam van uitgerust zijn. Dat gevoel had ik ook al in tijden niet gehad. Ik had een rare week achter de rug, met veel spanning over of een therapie wel of niet door zou gaan en met veel emoties. De tranen hadden rijkelijk gevloeid en die putten me altijd uit. Ik had dus gerekend op een pittig weekend. Het liep heerlijk anders!  

Die bewuste zaterdag werd ik wakker met het idee dat ik uit bed wilde. Ik wilde iets dóen, iets ondernemen. Ook dat gevoel ontbreekt vaak. Er was nog een gevoel dat vaak afwezig is: Ik had zin om andere mensen te zien, iets af te spreken. Dat deed ik dus ook snel, voor dat gevoel weer zou verdwijnen. De zeurende hoofdpijn, die me al dagen kwelde, was verdwenen.
Ik had spierpijn, maar de hypochonder had er maar zó kort een mening over, dat ik daar niet eens aandacht aan besteedde. De zon scheen. Ik wilde naar buiten. Ik betrapte mezelf erop dat ik in huis liep te zingen. Dat deed ik vroeger bijna altijd, maar had ik al heel lang niet gedaan.

Zo wilde ik iedere week wel een weekendhoofd hebben!
Een heel klein angstig stemmetje riep: Je weet dat dit binnen een uur of een dag anders kan voelen? Dat weet ik. En dat is júist waarom ik er zo van geniet. Dit goede uurtje, deze goede ochtend had ik te pakken. Na een poosje begon de vermoeidheid weer om aandacht te vragen. Maar het gaf niet. Ik had gezien hoe het ook kan. En er hing een belofte in van meer goede uren en dagen. Ik kan niet wachten!

Boekenpraat: Naar bed, naar bed (M.J. Arlidge)

Van lezen komt mijn altijd actieve hoofd tot rust. Niet mijn eigen woorden, maar die van een ander staan dan even centraal. Ik geef vervolgens in mijn eigen woorden mijn mening over wat ik heb gelezen.

Het verhaal
Inspecteur Helen Grace wordt geconfronteerd met de moord op een oude bekende. Ze wil er alles aan doen om de dader te pakken en moet en zal zorgen voor gerechtigheid. Maar dan valt er een tweede slachtoffer. Opnieuw is het iemand die ze heeft gekend. Heeft dit iets met haar te maken? Moet ze haar leidinggevende opbiechten dat ze een verband ziet tussen de slachtoffers en dat zij dat verband lijkt te zijn? Moet ze zelf op onderzoek uit? Het is voor Helen een bijna onmogelijke keuze. Wie kan ze vertrouwen? Wat gebeurt er met de informatie die ze kan geven? “Alles wat jij aanraakt, gaat dood.”

Ondertussen doen de collega’s van Helen er ook alles aan om de moorden op te lossen. Maar zitten ze op het juiste spoor? Wie kunnen zíj eigenlijk nog vertrouwen?

Mening
Ik weet niet wat het is met de boeken over Helen Grace, maar het duurt altijd even voor ik er lekker in zit. Ze worden geschreven vanuit vele perspectieven en dat is ook in dit vijfde deel het geval. Toch, als ik de start eenmaal heb gemaakt en de perspectieven ken, kan ik niet meer stoppen met lezen. In dit vijfde deel wist Arlidge me opnieuw mee te nemen in de gedachtewereld van Helen Grace en de verschillende andere personages. En toch wist Arlidge het ook weer voor elkaar te krijgen om pas ergens op de laatste bladzijden een vastomlijnd idee te hebben van wie de dader zou kunnen zijn. Zelfs toen twijfelde ik nog, tot bijna de laatste bladzijde.

Helen vind ik een intrigerend personage. Ze weet me de hele serie al te boeien. Soms vind ik het jammer dat alles meer dan nodig lijkt om haar blijft draaien, maar dat maakt voor mij tegelijk deze boeken zo boeiend.

Serie
Het gebeurde al eerder in de serie, maar zeker in dit vijfde deel komt veel terug uit eerdere delen. Ik zou dus aanraden om de boeken op volgorde te lezen en om niet een wat recenter deel als eerste te lezen. Dat zou maken dat veel dingen niet goed te begrijpen zijn.


“Wat gaat er allemaal door je heen?”

Als een hulpverlener me een vraag stelt die me raakt, klap ik dicht. Ik ben dan bang dat ik moet huilen of dat het allemaal veel te dichtbij komt. Meestal is dat niet zo zichtbaar. Ik maak eens een grapje, ik draai er een beetje omheen en dat is het wel. Alleen wie me echt goed kent, weet dat er dan raak is geschoten. Hoe harder de grap, hoe erger het is.

Soms klap ik wel zichtbaar dicht. Ik trek me terug en weet niet meer wat ik moet zeggen. In zo’n geval schieten mijn ogen vaak al vol tranen.

Ik weet inmiddels wat mensen leren in hun opleiding. Als je ziet dat iemand gaat huilen, moet je blijkbaar vragen: “Wat gaat er allemaal door je heen?” Wat er door me heen gaat? Bloed, zuurstof, water, bloedlichaampjes, het eten van vanmorgen en vast nog veel meer. Maar dat is dan natuurlijk weer niet wat ze willen horen.

Meestal kan ik niet benoemen wat me zo heeft geraakt. Ik antwoord dan ook vaak: “Geen idee.” De meeste hulpverleners nemen met dat antwoord geen genoegen. Als je me even laat bijkomen van het idee dat je dwars door mijn muur heen hebt geprikt, begin ik daarna meestal wel te praten. Maar het kan ook anders. Ik deed een therapie waarbij het voelen vanuit mijn lichaam centraal stond. Als ik dan op slot schoot, kwam eerst de vraag der vragen: “Wat gaat er nu allemaal door je heen?” Op dat moment schoot ik alleen maar nóg harder op slot. Niks. Nu niet meer. Dan gingen we verder. “Zet je voeten maar naast elkaar op de grond. Wat voel je nu?” Ik voel niks. En eerlijk? Alleen al dat braaf gehoorzamen door mijn voeten naast elkaar op de grond te zetten, kostte me moeite. Ik voel niks! Ik wil niks voelen. Houd op! Laat me mezelf herpakken! Herpakken is dus net niet wat hulpverleners willen. Die willen zien wat er echt in je leeft, maar dat is precies wat ik het moeilijkst vind om te laten zien.
We gingen dan nog even verder. “Scan je lichaam maar. Voel je je voeten? Je benen? Je buik?” Ik vond dat vreselijk. Ik voelde van alles. Verdriet, tranen, angst, paniek. Ik voelde heus wel dat ik voeten had, maar niet bewust. Omdat ik zo’n ontzettende hekel aan die vragen had, antwoordde ik altijd braaf dat ik alles voelde, zodat we zo snel mogelijk de sessie weer op zouden pakken. In mij ging dan de paniek verder. Want wat ging er allemaal door me heen? Veel. Heel, heel, veel te veel. De vraag stellen vind ik stom, maar ik snap dat hij gesteld moet worden. Me dwingen antwoord te geven vind ik niet zo’n goed idee. Het zal vast voor iedereen anders zijn, maar voor mij werkt het het beste om me even rustig te laten nadenken over die vraag. Ik kan dan eerst voor mezelf op een rijtje krijgen wat er eigenlijk allemaal door me heen gaat, behalve bloed, zuurstof en dat soort dingen en geef dan na een poosje vanzelf antwoord. Maar wél als ik mezelf weer onder controle heb.

De regeltjes

Regels. Ze zijn best handig en geven vaak wat structuur. Maar we kunnen er soms ook wat te star mee omgaan.

Nadat diverse behandelingen, verspreid over meerdere jaren, niet het gewenste resultaat hadden gehad, kwam ik op een (lange!) wachtlijst te staan bij een instelling gespecialiseerd in het behandelen van mensen met angsten, zoals mijn hypochondrie. Ik vond het een eng traject, maar wilde het ook een kans geven. Ik toog met knikkende knieën naar de intake. Vooraf had ik uiteraard heel goed nagedacht over of ik de mensen daar zou vertrouwen en over wat ik wel en niet zou gaan zeggen. Ik zocht de balans tussen duidelijk maken hoe het echt met me gaat en tegelijk de mensen niet al te ongerust maken.

Mijn zorgvuldige voorbereidingen lieten me tijdens de intake een beetje in de steek, want ik zei wat dingen waarvan ik had bedacht dat ik die beter niet kon zeggen. Een tweede gesprek volgde, met het eerste voorstel voor een behandelplan. Dat plan moest nog door het team, maar er werd gedaan alsof dat maar een kleinigheidje was. Het behandelplan klonk eng: Twee keer per week behandeling, geen bezoekjes meer aan de huisarts en dus geen geruststelling meer. De hypochonder werd er bang van. Mijn verstand wist dat dit een kans was die ik zou gaan grijpen. Ein-de-lijk uit de spiraal van de hypochondrie.

Een paar dagen na de intake ging de telefoon. “Uit uw dossier blijkt dat er nog niet voldoende is gedaan om u hier al te kunnen behandelen.” Boem. Ik voldeed dus niet aan de regeltjes. Ik schoot, natuurlijk pas nadat ik het gesprek beleefd had beëindigd, in paniek. Ik had iemand vertróuwd, ik had gedacht dat ze me zouden hélpen, ik had gedacht dat dit m’n allerlaatste kans was om beter te worden en hoewel ik het doodeng vond, had ik me voorgenomen er vol voor te gaan. En nu heb ik nog niet genoeg gedaan? Ik, die al jaren van de ene naar de andere therapeut ben gegaan. Niet omdat ik dat zo nodig wilde, maar omdat ik niet altijd paste bij de geldende regeltjes. Ik, die ook de dingen deed waar ik niks in zag. Ik, ja.
Ze hebben in de GGZ regels en daar houden ze zich aan. Ik had inderdaad al vele therapieën gehad, maar het juiste woordje stond er niet tussen. Exposure moest ik doen. En dat stond nergens beschreven, hoewel ik het wel had gedaan.

De mens achter de regeltjes? Dat was ik in dit geval. Ik pas misschien niet binnen alle regeltjes, maar ik leid wel al járen een leven dat geleid wordt door angst. Dat moet een keer klaar zijn. Deze instantie leek me daarbij te kunnen helpen, nadat ik al zo’n beetje alles had geprobeerd.
Ik ben leerkracht geweest. Ik heb al doende geleerd niet te kijken naar de regeltjes, maar naar de kinderen. En nu zou ik een oproep willen doen aan de mensen in de GGZ: Zullen we kijken naar de cliënten in plaats van naar de regels? Wat hebben ze nodig? Kan de instelling dat bieden? Als het antwoord ja is, help dan en vink niet eerst alle regeltjes nog eens af. Dat scheelt de instelling een berg administratie en de cliënt een poosje wachten en een enorme hoeveelheid frustratie.

Het zakdoekjesmoment

Als er af en toe diep in je ziel wordt geroerd, komt er onvermijdelijk een keer een moment dat er tranen naar buiten piepen. Tenminste, dat overkwam mij. Eerlijk gezegd denk ik stiekem zelfs dat hulpverleners tranen leuk vinden.

Zo’n momentje met tranen komt bij mij niet zomaar. Wie wil weten wat er écht in mijn binnenste leeft, moet even geduld hebben. Ik laat er een paar sessies of consulten overheen gaan voor ik hulpverleners iets verder laat kijken dan mijn blije, vrolijke, grappende masker. Ik begin voorzichtig, met dingen waarvan ik zeker weet dat ik ze kan hebben en dat ik er niet om hoef te huilen.

Soms lukt dat niet. Dan breekt een hulpverlener dwars door mijn masker heen en betrapt me opeens op gevóel. Help, gevoel! Iedereen reageert anders op tranen. De psychologen die ik zag, deden niets. Of ze benoemden dat ik moest huilen. Ja, dat voel ik zelf ook wel. Mijn huisarts doet aan het ‘zakdoekjesmoment’. De allereerste keer dat hij me in tranen kreeg, kende ik hem al ruim een jaar. Ja, het duurt even, maar dan heb je ook wat. Ik zat hem te vertellen dat ik écht dood aan het gaan was en écht niet iets leuks kon doen. Iets leuks doen leek hem namelijk de oplossing voor mijn zogenaamde hartkwaal. Maar mij niet. Ik raakte in paniek: “Ik kan echt niet iets leuks gaan doen, echt, dan ga ik dood.” En daar kwamen dan ein-de-lijk de tranen die mijn echte angst lieten zien. Ik zag hem om zich heen kijken, een interessante manoeuvre maken en het doosje met tissues tevoorschijn toveren. Alles in me kwam in opstand. “Ik haat het zakdoekjesmoment.” Maar daar deed hij niet aan mee: “Je hebt ook niet gehuild; het heeft alleen een beetje geregend op je wangen.” Dat brak de spanning. Het was de eerste keer dat ik overstag ging. Tot die tijd had ik nog nóóit op al die uitnodigende tissues gereageerd. Nergens.

Op een dag kwam ik in een therapiekamer voor mijn werk. Ik moest een cursus voorbereiden met de therapeut in kwestie. Uitnodigend stonden ook hier de zakdoekjes klaar. Direct kwam alles in me in verzet. Ik ga hier dus niet huilen. Dat hoefde uiteraard ook niet, want ik was daar voor werk, maar alleen al het idee dat de tissues er stonden, maakte me enigszins recalcitrant.

Ik ben nog steeds niet van de tissues. Ik was er in eerste instantie heel goed in om gewoon heel bescheiden een traantje te laten rollen. Maar inmiddels overkomt het me wel eens dat het zo’n tranen-snot-snikken-bui wordt. Bij de huisarts is dat tegenwoordig meer regel dan uitzondering.

Inmiddels is het zakdoekjesmoment een bijna vast onderdeel geworden van mijn consulten bij de huisarts. Ik scan bij binnenkomst in de behandelkamer waar ze staan. Soms staan ze klaar, maar dan worden ze weer snel weggemoffeld. Meestal staan ze buiten bereik. Als dan de tranen vloeien, volgt dus altijd weer het zakdoekjesmoment. We weten allebei dat ik daar een hekel aan heb en daarom is het inmiddels een leuk onderdeel geworden van de tranen. Ik haatte het, maar inmiddels verheug ik me er bijna op hoe ik deze keer m’n tissue aangereikt zal krijgen.   
Kom maar op met dat volgende zakdoekjesmoment!