Help, mijn hulpverlener huilt!

Om het verlies van mijn vader te verwerken, volgde ik EMDR. Het was de bedoeling dat ik zo toe zou komen aan rouw en dat zijn overlijden niet meer zo vreselijk veel spanning en angst bij me op zou roepen.*

Ik schreef al eerder dat de sessies niet altijd helemaal liepen zoals ik hoopte. Er was één sessie waar ik heel erg tegenop had gezien, maar waarvan ik ook wel wist dat die nodig was. Mijn hulpverlener had me gevraagd wat ik mijn vader zou zeggen als ik hem een brief zou schrijven. Ik vond dat een stomme opdracht, want eh…hij ging ‘m niet lezen, dus ik ging ‘m niet schrijven. Zij moedigde me aan die brief toch te schrijven, omdat ze dacht dat het me zou helpen in het proces.

Omdat ik het schrijven van de brief heel eng vond, stelde ik het eerst maar lekker lang uit. Toen ging ik er toch maar eens voor zitten en bleek het helemaal niet zo moeilijk te zijn als ik dacht. Ik schrijf nu eenmaal graag. Ik moest de brief ook voorlezen en dat vond ik spannend. Wilde ik echt zo’n brief delen? Ik besloot het maar een kans te geven.

De therapiesessie brak aan. Mijn hulpverlener vroeg me of ik de brief had geschreven. Dat had ik. “Wil je hem voorlezen?” Dat wilde ik ook. Het voelde héél eng en héél kwetsbaar. Ik deelde in de brief wat mijn vader voor mij betekend had en hoeveel hij van mij hield en ik van hem. Daar had ik een paar kantjes voor nodig gehad, maar ik was er tevreden over. Het schrijven had ik met droge ogen gedaan, maar ik wist dat ik zou gaan huilen als ik de brief zou voorlezen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vond het zó kwetsbaar en zó ‘van mij’ dat ik mijn hulpverlener, na het voorlezen van de brief, niet aan durfde te kijken. Ik bleef dus maar een beetje naar de grond kijken en naar de brief in mijn trillende handen.

Mijn hulpverlener nam het woord: “Dankjewel. Dankjewel dat je mij ook een beetje hebt laten huilen. Je kunt prachtig schrijven.” Dat laatste vond ik fijn om te horen, want ik vond zelf eigenlijk ook dat ik wel een mooi stuk had geschreven. Maar dat eerste liet me volledig blokkeren. Ze moest huilen? Kon ze het dan niet aan? Was het te heftig? Vanaf dat moment voelde de behandelrelatie met deze hulpverlener niet veilig meer. Ik vond het eng dat ik haar geraakt had en was bang dat nog een keer te doen. Ik snap het heel goed, maar voor mij als cliënt voelde het heel onveilig. Zij zag het als verbinding. Ik niet. Ik vond het alleen maar heel erg eng. Ze vroeg me hoe ik dat dan met vrienden doe. Ja, die huilen soms ook om en met mij en dat vind ik prima, want dat zijn mijn vrienden en niet mijn hulpverleners.

Ik verdiepte me thuis eens in hoe het zit met huilende hulpverleners. Ik las dat er mensen zijn die het prima vinden als hulpverleners huilen in het bijzijn van hun cliënten. En nogmaals, ik snap het hélemaal als je af en toe moet huilen. Maar voor mij werkt het niet en voelt het heel, heel onveilig. De volgende dag las ik de brief nog eens voor, aan mijn andere psycholoog. Ik stelde deze keer wel een voorwaarde: “Niet gaan huilen.”

*Met de kennis van nu weet ik dat de angst voor een groot deel ook voortkomt uit mijn autisme, maar dat was toen nog niet bekend.

Boekenpraat: Mijn leven liep anders (Kelli Stuart)

Het verhaal
Dit boek speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog en vertelt het op feiten gebaseerde verhaal van vier mensen in Oekraïne.

Maria, een veertienjarig meisje uit Kiev, beleeft angstige momenten als de Duitsers haar stad bombarderen. Het duurt niet lang voor ze merkt dat de oorlog nog veel grotere gevolgen heeft. Ze wordt opgepakt en meegenomen om als dwangarbeider te werken in Duitsland. Wie kan ze vertrouwen? Kan ze ooit nog terug naar haar familie?

Ivan, de vader van Maria, staat aan de rand van een ravijn. In een poging een ander te redden, is hij zelf meegesleurd in de mensenmassa die gedood moet worden. Ivan overleeft, maar zijn leven is verwoest.

Luda, een pubermeisje, kent haar afkomst niet. Wie was haar moeder? Op haar vader kan ze in elk geval niet bouwen. Dan raakt ze zwanger van de vijand. Kan ze van haar kind houden? Hoe kan ze uit handen van de vijand blijven? En is de vijand wel altijd zo slecht als Luda denkt?

Frederick heeft al zijn hele leven één verlangen: Zijn vader behagen. Dat zal het beste lukken als hij de idealen van zijn vader, een vooraanstaand Nazi, nastreeft. Maar kan zijn vader ooit tevreden zijn met zijn zoon? En zijn die idealen van vader wel de idealen van Frederick?

Mening
Dit boek vond ik erg aangrijpend. Op een meeslepende manier wordt verteld hoe diverse mensen de oorlog in Oekraïne hebben beleefd. De verhalen zijn gebaseerd op waarheid en voelen ook niet als ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, maar als échte, aangrijpende verhalen.

Het boek vertelt de verhalen vanuit vier perspectieven, steeds in de ik-vorm. Boven elk hoofdstuk staat beschreven wie aan het woord is. De verschillende perspectieven zorgden er bij mij voor dat het een poosje duurde voor ik echt lekker in het boek zat. Ik wilde wel doorlezen, want ik wilde alle verhalen kennen, maar toch duurde het dus even voor ik iedereen echt goed kende. De verhalen van de vier hoofdpersonen raken elkaar ook slechts zijdelings, waardoor het boek eigenlijk een beetje leest als vier losse boeken.

Hoewel het boek dus wat mij betreft niet heel makkelijk las, vertelt het prachtige verhalen en dat zorgde ervoor dat ik het toch heel graag uit wilde lezen. Daar kreeg ik zeker geen spijt van.

Dit boek ook lezen?
Je vindt ‘Mijn leven liep anders’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Mijn leven liep anders
Auteur:
Kelli Stuart
Uitgeverij:
Den Hertog
Genre:
Oorlogsroman
Pagina’s:
427

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

CAO voor hulpverleners

In de afgelopen jaren heb ik verschillende artsen en andere hulpverleners gezien, ondanks dat ik houd van een stukje continuïteit. Ik laat er eerst minstens een jaar overheen gaan voor ik de ander echt het achterste van mijn tong laat zien. Maar ja, wie garandeert dat diezelfde hulpverlener een jaar later nog steeds bij mij betrokken is? Door schade en schande weet ik inmiddels beter.

Soms ben ik net ‘lekker’ diep gegaan en is het daarna voor de hulpverlener vakantie. Voor ik dan weer zo diep ga als die keer daarvoor, duurt dat weer een paar sessies. Bovendien ben ik er heel goed in om júist als hulpverleners niet beschikbaar zijn hulp nodig te hebben. Alleen al het idee dat die hulp er even niet is, maakt me dan lichtelijk paniekerig. Wat als? En dan gaat ’t al mis.

Kijk, als ik degene was die de CAO voor hulpverleners moest schrijven, zou er niemand meer hulpverlener willen worden. Ik zou namelijk direct het volgende laten opnemen:

*Vakantie:
Hulpverleners dienen geen vakantiedagen op te nemen, tenzij in overleg met de cliënt. Als de vakanties tegelijk vallen, scheelt dat namelijk weer. Maar ja, laat ik nu de laatste jaren niet meer op vakantie zijn geweest. Arme hulpverleners…
*Zwangerschaps- en ouderschapsverlof:
In het geval van een vrouwelijke hulpverlener dient het kind gebaard te worden tussen twee consulten door. Uiteraard kan de nacht daar ook voor gebruikt worden. In geval van een mannelijke hulpverlener geldt dat zijn vrouw rekening dient te houden met de cliënt en dus ook gehouden is aan het baren tussen twee consulten door of in de nacht. Zwangerschaps-, partner- en ouderschapsverlof doen we natuurlijk niet aan.
*Pensioen:
Hulpverleners gaan door met het begeleiden van de cliënt tot de cliënt besluit dat de behandelrelatie beëindigd kan worden. Geen pensioen dus. (Hetzelfde geldt uiteraard voor ontslag.)
*Ziekte:
Hulpverleners dienen niet ziek te worden. Als ze dat wél worden, graag even uitzieken op een dag dat er niemand staat ingepland. Weekend ofzo.
*Overlijden:
Ja, eh. Ik eerst, alsjeblieft.

En ja, natuurlijk moest je hier een complete pot zout aan toevoegen, maar is dit niet wat stiekem alle cliënten diep in hun hart wensen? Zoals ik al schreef, raak ik soms al in paniek van het idee dat een hulpverlener niet beschikbaar is. Wat dan als het niet goed met me gaat? Ik weet dat er dan zoiets bestaat als vervangers, maar in het kader van eerst een jaartje de kat uit de boom kijken, kan ik daar niet zo heel veel mee. De laatste keer dat me een vervanger werd aangeboden, durfde ik niet. Ik kon toch niet tegen een ‘vreemde’ gaan zeggen dat het even niet zo goed ging en waarom? En nadat ik had geweigerd, had ik uiteraard direct spijt.

Er zit toch nog wel een kleine serieuze boodschap in dit verhaal. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat er voor iedereen een ‘noodoplossing’ is. In mijn geval is die ‘noodoplossing’ er. En gelukkig is de wetenschap dat die oplossing er is voor mij meestal al genoeg.

Boekenpraat: Cody (Bernice Berkleef)

Het verhaal
Jelka houdt zielsveel van haar zoontje Cody en sinds hij er is, heeft ze nooit een wekker hoeven zetten. Hij wekte haar met zijn huiltjes en dat was prima. Tot die ene dag dat ze veel en veel te laat wakker wordt en verschrikt naar Cody’s kamertje loopt. Waar is hij? In paniek begint Jelka een telefonische zoektocht, maar niemand kan haar helpen.
En dan staat de politie voor de deur. Cody lag levenloos in de auto van Jelka’s man, Oscar. Oscar zit voorlopig vast op verdenking van moord.
Jelka begrijpt er niks van. Er waren wel eens moeilijkheden, maar toch niets wat in deze richting wees? Heeft Oscar dit echt gedaan? Dat kan toch niet? Of is hij toch zo onbetrouwbaar als haar vader en haar beste vriendin Lisette altijd hebben beweerd? Jelka wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Totdat alles ineens heel, heel duidelijk wordt.

Mening
Nu het boek uit is, kijk ik er met plezier op terug. Het boek leest snel. Het is geschreven in de ik-vorm en er komen diverse mensen aan het woord, maar het meeste is geschreven vanuit het perspectief van Jelka en Oscar.
Vanaf het begin had ik het idee dat de zaak eigenlijk al duidelijk was. Dat stelde me teleur, maar iets maakte dat ik toch door bleef lezen. Dat werd beloond.
In de laatste hoofdstukken waren er verrassende, schokkende, verdrietige wendingen. Dat maakt dit boek wat mij betreft zeker de moeite van het lezen waard.
Ik vond het boek zeker niet bloedstollend spannend, maar op één of andere manier hield het me toch in zijn greep. Al met al toch een aanrader.

Dit boek ook lezen?
Je vindt ‘Cody’ bijvoorbeeld bij bol.com

Boekgegevens
Titel: Cody
Auteur:
Bernice Berkleef
Uitgeverij:
The House of Books
Genre:
Thriller
Pagina’s:
272

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Het schoolplein

Pauzetijd. Kinderen buiten op het schoolplein. Ik reed langs. Ergens aan de rand van het plein zag ik twee juffrouws staan, gezellig kletsend, een kop koffie in hun handen. Het zette me aan het denken.

Ook ik heb jaren pleinwacht gelopen. Mijn hobby was het nooit, maar het hoorde er nu eenmaal bij. Tijdens stages begreep ik niet zo heel veel van het fenomeen pleinwacht. Ja, natuurlijk moest er begeleiding buiten zijn, maar wat was mijn rol dan precies?
Als startende leerkracht vond ik het nog steeds vaak lastig, maar al doende leerde ik.

Pleinwacht lopen kan op twee manieren. Je kunt ervoor kiezen om gezellig even bij te kletsen met de collega die samen met jou pleinwacht heeft. Je kunt er ook voor kiezen om je pleinwacht heel actief te lopen. Nee, dat is niet altijd leuk en natuurlijk ben ik vaak bezweken voor de verleiding van even bijpraten met een collega. Toch wil ik graag een lans breken voor actief pleinwacht lopen.

Als je op het plein namelijk je oren en ogen goed de kost geeft, ontdek je heel veel. Dat is goed voor jou, voor het kind én voor het feit dat je dan vragen van ouders over het gedrag op het plein kunt beantwoorden. Je ziet hoe klassen met elkaar een spel spelen. Je ziet hoe dat ene kind, dat school niet zo heel leuk vindt, tijdens de pauze opbloeit. Je registreert hoe de rollen op het plein verdeeld zijn. Wie heeft de leiding? Je ziet wie kiezen voor rustige spelletjes en wie kiezen voor het ruigere werk. Soms wisselen kinderen dat ook af.

Wie goed kijkt, valt nog iets anders op. Op ieder plein vind je namelijk minstens één leerling die niet speelt. Deze leerling vind je vaak ergens in een hoekje, goed verstopt onder een dikke jas of achter een paaltje, boom of hekje. Deze leerling is alleen. Dat kan een vrijwillige keuze zijn, maar er kan ook meer achter zitten. Als je zo’n leerling aanspreekt, kom je er snel genoeg achter waarom er is gekozen voor een plekje alleen. Het kan heel simpel zo zijn dat een leerling hoofdpijn heeft en even toe is aan rust. Maar meestal is er een andere oorzaak. Een kind voelt zich buitengesloten, is gepest of mag niet meedoen. In zo’n geval kun je maar beter even een beetje bemiddelen, als pleinwacht.

Soms kiest een kind uit onmacht voor een eenzame positie. Iedereen speelt. Hoe kan dit kind aansluiten? In zo’n geval zegt een kind vaak dat het niet mee wil of mag doen. Bij doorvragen blijkt dan dat het kind niet gevraagd heeft of het mee mag doen en dat het dat niet durft. Je kunt dan natuurlijk als pleinwacht vragen of het kind mee mag doen, maar je kunt het kind ook leren dit zelf te vragen. Grote kans dat je het kind de volgende pauze toch weer in dat eenzame hoekje vindt. En dát is het moment dat het kind écht gaat leren. Weet jij het als pleinwacht nog? Weet het kind het nog? In het mooiste geval vind je dit kind op een dag niet meer in het hoekje. Want dan heeft het geleerd mee te doen. Mede mogelijk gemaakt door die actief lopende pleinwacht.

De zieke hypochonder

Ieder signaal van mijn lichaam neem ik heel serieus. Als mijn lichaam hapert, ben ik er altijd van overtuigd dat de oorzaak ook in m’n lichaam ligt. Artsen zijn dat niet met me eens. Als ik met een lichamelijke klacht bij de huisarts kom, lijkt de eerste gedachte te zijn: O, oké, stress, te druk gemaakt, ze is er bang over, valt wel mee. In het verleden heeft dat erin geresulteerd dat een arts me lang liet lopen met een klacht die wel degelijk serieus genomen moest worden. Er groeide in mijn lichaam een poliep die, zoals me na weefselonderzoek werd verteld, kwaadaardig zou worden. Dat zou niet heel lang meer geduurd hebben. De ziekenhuisarts vertelde me na het verwijderen van de poliep dat ik er niet nog een paar jaar mee had moeten lopen, want dan was ik te laat geweest. Het bevestigde alleen maar wat ik al die jaren al dacht: Zie je wel! Ik was heel blij dat ik was blijven ‘zeuren’ en uiteindelijk mijn verwijzing naar het ziekenhuis had gekregen.

Ik bezocht vervolgens de huisarts die me heel vaak had gezien en nooit serieus genomen. Alles kwam zogenaamd door stress. Ik verweet hem dat. Hij nam dat niet zo heel serieus. “Ik kan ook wel een poliep hebben, nou, prima toch?” Prima toch? Hallo, hoor je wat ik zeg? Dat ding zou kwaadaardig worden! Denk eens na! Wat een klein beetje hielp, was dat hij vervolgens uitlegde: “Juist bij een hypochonder moeten we extra alert zijn dat we niet iets over het hoofd zien.” Ik geloofde dat wel, maar had niet de indruk dat hij dat ook in de praktijk bracht. Weg vertrouwen.
Een paar weken later kwam ik bij een andere huisarts. Die had verder niks te maken met de ‘gemiste’ diagnose, dus ik verweet hem niets. Toch begon hij er zelf over: “Je had dus toch een poliep…” En alleen die ene zin gaf mij rust. Ja, ik had een poliep en die krijg je niet van stress. Die kreeg ik door foute genen. Dat was déze huisarts helemaal met me eens.

Na dat avontuur liet ik me uiteraard nóg minder wegsturen. Ik zou me nooit meer naar huis laten sturen met de boodschap dat dingen tussen m’n oren zitten of dat alles veroorzaakt wordt door stress. Dat heeft me gemaakt tot de enorme ‘zeur’ die ik nu ben. Ja, ik kan drammen. Dat doe ik omdat ik bang ben. Omdat ik alle controle over mijn gezondheid ben verloren. Omdat ik destijds niet gehoord ben. Omdat ik heb gezien wat er kan gebeuren als een diagnose gemist wordt.

Heb ik me daarna dan nooit meer weg laten sturen? Dat heb ik wel. Heel vaak. De huisarts die destijds nogal laconiek deed, is (hoera!) vertrokken. Zijn vervanger is mijn tegenwoordige vaste huisarts. Mijn eerste consult bij hem was een feestje: “We moeten je lichaam ook serieus nemen.” Oké, deze huisarts is top. Maar ja, eh…Na bijna drie jaar weet ook deze huisarts het soms niet meer. Ik zeur nog steeds. Ik ben nog steeds bang. En ja, we moeten mijn lichaam serieus nemen. Maar mijn angst ook. En daarom volgen we een twee-sporen-beleid. Ik mag elke drie weken naar de huisarts. Maar er is meer. Ik ga een behandeling volgen voor mijn angst, nog specifieker dan de behandelingen die ik al heb (gevolgd), in de hoop dat ik voortaan signalen van mijn lichaam serieus kan nemen zónder enorme paniek. En in de hoop dat mijn bezoeken aan de huisarts sterk verminderd kunnen worden. Dat is voor de huisarts fijn en stiekem voor mij ook, want, schreeuwt mijn hypochondrie, dan nemen ze me misschien weer eens serieus als ik kom.

Achter het masker

Al heel lang draag ik een masker. Soms bewust, maar meestal onbewust. Mijn masker is zó bij me gaan horen, dat ik vaak niet eens door heb dat ik het draag.

Met mijn masker op ben ik altijd vrolijk en gezellig. Zelfs bij hulpverleners en mensen die me goed kennen, zet ik meestal dat masker op. Mijn masker heeft me in die zin iets gebracht, dat het ervoor heeft gezorgd dat ik lang ‘normaal’ heb kunnen functioneren. Totdat het echt niet meer ging.

Niemand had dat aan zien komen. Mijn masker, dat altijd mijn redding was geweest, zat me nu behoorlijk in de weg. Want ja, ik zag er toch niet ziek uit? Ik deed mijn werk toch goed? Ik had toch een leuk leven? Waarom had ik dan depressieve klachten en kon ik niet meer werken?

Mijn masker heeft ervoor gezorgd dat ik ook zelf soms niet meer weet wat ik echt voel. Daarbij vind ik het eng om anderen mijn gevoel te laten zien en dus zet ik dan maar snel mijn vrolijke masker op. Voor ik er eerlijk voor uit was gekomen dat ik het allemaal niet redde, keek er heel af en toe iemand achter het masker. De huisarts zei toen: “Als je iemand een keer een klein kijkje achter je muur gunt, schrikt die.” Daar schrok ik dan weer van. “Waarom schrikt die dan?” “Omdat daar zo heel veel zit waar je aan de buitenkant niks van merkt.” O. Oké. Au.

Het lukt niet alle hulpverleners om (altijd) achter het masker te komen. Toen ik me net ziek had gemeld, vond één van mijn hulpverleners: “Als ik je nu zie zitten, zou ik je zo terug naar je werk sturen.” Later voegde ze toe dat ze wist dat dat alleen buitenkant was en tóch vond ik het vervelend. Het helpt mij juist als hulpverleners mijn masker (h)erkennen.

Mijn huisarts liep pas weer keihard tegen mijn masker aan. Ik kwam met een lichamelijke klacht, waarvan ik vond dat die nooit serieus wordt genomen en had er een aparte afspraak voor gemaakt. Ik wilde niet verzanden in een gesprek over mijn psychische gezondheid. Mijn masker, dat mijn spanning moest verbergen, meldde bij binnenkomst: “Ik moet nog twee blogs schrijven voor volgende week en ik had nog wat inspiratie nodig…” Ik vervolgde, serieus: “Als ik het gevoel heb dat ik niet serieus word genomen, ga ik naar een andere arts.” De hypochonder in mij wilde natuurlijk horen dat ik wel serieus werd genomen, maar de huisarts vond het geen probleem als ik naar een andere arts zou gaan. Hm. Wacht even. Ik wel, stiekem. Dit soort uitspraken zijn een test. Toen legde hij het uit: “Ik moet ook even schakelen; jij zit met een glimlach te vertellen dat je je zorgen maakt. Dan moet ik in m’n hoofd even omdraaien dat hoe harder je lacht, hoe groter je zorgen zijn.” Ja, dat dus. Ik geef toe dat mijn masker het ook niet zo eenvoudig maakt om mij serieus te nemen. Hij nam me wel serieus. Denk ik, roept de hypochonder dan. Tussen neus en lippen door kreeg ik nog wat blogtips. Dat ook.

De arbo maakte ook kennis met mijn masker en adviseerde me na een paar contacten: “Je moet stoppen met je anders voordoen dan je je voelt.” Ja, goed idee. Iemand de knop al gevonden? Ik doe echt mijn best, maar het is een lange weg. Uiteindelijk ben ik zonder masker leuker dan met masker, maar ik ben mezelf na al die jaren weer aan het herontdekken. En dat kost tijd.

Boekenpraat: De eerste krokus (Laila Ibrahim)

Het verhaal
In het voorjaar van 1837 wordt in Virginia, op de plantage van haar rijke ouders, juffrouw Elizabeth geboren. Juffrouw Elizabeth wordt opgevoed door Mattie, een slavin die voor de opvoeding van Lisbeth (zoals ze juffrouw Elizabeth al snel noemt) haar eigen zoon achter moest laten in de slavenverblijven.

Lisbeth weet niet beter dan dat Mattie voor haar zorgt. Mattie hoort bij haar. Mattie houdt van haar. En Lisbeth houdt van Mattie. Het is een ‘publiek geheim’ dat Lisbeth ook de familie van Mattie bezoekt in de slavenverblijven.
Ieder jaar kijken Mattie en Lisbeth uit naar de eerste krokus, het teken dat het voorjaar begint. Ze vieren dat met een lunch. Wat Lisbeth echter niet weet, is dat de eerste krokus voor Mattie ook nog een heel andere betekenis heeft. Dat zal ze vele jaren later pas ontdekken.

Lisbeth vindt het de normaalste zaak van de wereld dat er slaven voor haar en haar ouders werken. Totdat ze ontdekt dat dat voor de slaven zelf helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Kan Lisbeth wonen op een plantage waar slaven worden gehouden? Kan ze leven met de wetenschap dat slaven worden ge- en misbruikt door hun blanke eigenaren? Lisbeth worstelt ermee en moet besluiten nemen. Heeft Mattie haar niet geleerd wat houden van is? Hoe kan ze dat als volwassene in de praktijk brengen? En waar is Mattie eigenlijk gebleven, sinds die dag dat ze opeens uit het leven van Lisbeth verdween?

Mening
In sneltreinvaart vloog ik door dit boek. Vanaf het eerste moment was ik ontroerd door de schrijfstijl en met name door de liefde die op elke bladzijde voelbaar is. Daarnaast werd ik getroffen door de hoge prijs die sommige mensen betalen om lief te (kunnen) hebben.

Het boek beschrijft de innerlijke strijd van slavin Mattie én van juffrouw Elizabeth (in beschrijvende vorm, niet vanuit ik-figuren) en beslaat een periode van ruim achtentwintig jaar. Hoewel ik al veel boeken heb gelezen over slavernij, wist dit boek me te raken en verrassen. Ik vond het mooi en ontroerend dat in dit boek ook werd geschreven vanuit de jonge blanken. Tegelijk was het opnieuw bizar om te zien hoe slaven vernederd werden en hoe iedereen dat maar heel gewoon leek te vinden.

Ik heb van dit boek genoten, het zette me weer stil bij slavernij en ik vond het een ontroerend prachtig verhaal, waarin het uiteindelijk draait om houden van.

Dit boek ook lezen?
Je vindt ‘De eerste krokus’ bijvoorbeeld bij bol.com

Boekgegevens
Titel: De eerste krokus
Auteur:
Laila Ibrahim
Uitgeverij:
KokBoekencentrum Uitgevers
Genre:
Roman
Pagina’s:
303

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.