Sollicitatiecommissie nieuwe huisarts

De huisartsenpraktijk waar ik patiënt ben, zocht een nieuwe huisarts. Het eerste wat ik me afvroeg was wie er zou vertrekken en ik hoopte dat dat niet mijn vaste huisarts zou zijn. Toen ik daar eenmaal geruststelling over had, besloot ik dat ik als meest frequente bezoeker een prima lid van de sollicitatiecommissie zou zijn. Niet dat het mijn huisarts zou worden, maar ik heb wel een mening over de ideale arts. Bovendien zou ik deze arts moeten bezoeken op de vrije dagen van mijn vaste huisarts, in geval van nood.

De hypochonder op het spreekuur
Als je mijn huisarts bent, kom ik je regelmatig met een bezoekje vereren. Sowieso kom ik elke drie weken even langs, want dat is een afspraak waar al mijn hulpverleners mee kunnen leven. Daarbij kan het voorkomen dat ik tussendoor nog een paniekje doe, dus dan kom ik een keer extra.

Er is natuurlijk allereerst dat moment van eerste kennismaking. Zo’n nieuwe huisarts ziet dan een jonge, zelfstandige, dappere, vrolijke vrouw. De eerste indruk zou zijn dat ik snel naar huis gestuurd moet worden, want ik heb geen dokter nodig. De tweede indruk zou zijn dat ik ook nog eens een bak met humor mee heb genomen. Ik moet snel naar het theater, in plaats van naar de huisarts.

De volgende indruk ligt aan de arts die tegenover me zit. Als die niet door me heen kan prikken, blijf ik leuk doen. Als de arts wel door me heen kan prikken, is de volgende indruk dat ik een bang, klein wezentje ben. En ja, natuurlijk speel ik zelf ook een rol in die indruk, maar onder de spanning van zo’n nieuwe arts kan ik nu eenmaal niet helemaal normaal doen.

Dit bied ik
In een advertentie staat vaak wat de organisatie te bieden heeft. Ik heb als hypochonder een nieuwe huisarts te bieden:

  • Gegarandeerd een vol spreekuur
  • Op z’n tijd een beetje cabaret in de spreekkamer
  • Kunstig bij elkaar gezochte diagnoses
  • Een stortvloed aan woorden
  • Angst

Dit zoek ik
Uiteraard moet in een advertentie ook altijd staan wat er verwacht wordt van de sollicitant. Ik zou zeggen dat ik het volgende verwacht van een nieuwe huisarts:

  • Accepteer mijn overlevingsstrategie ‘humor’.
  • Neem iets mee om door mijn masker heen te prikken.
  • Luister naar me.
  • Geef mij nooit het gevoel dat ik aan het zeuren ben. Dat weet ik zelf wel, namelijk.
  • Geloof wat ik zeg, ook als dat in strijd is met wat mijn gezicht laat zien.
  • Maak af en toe zelf een grapje.
  • Snap mijn grapjes.
  • Heb geduld, want dan is er meer dan mijn masker.
  • Zorg dat er altijd tissues in de buurt zijn.
  • Af en toe mijn blog lezen is geen voorwaarde, wel een pluspunt.
  • Zet de zoutpot klaar als ik kom. Af en toe is er namelijk een korreltje nodig.

Zo. Iemand? Solliciteren hoeft niet hoor, want mijn eigen huisarts is er nog en die voldoet aan de meeste eisen. Maar voor ’t geval dát…Ik heb het profiel vast opgesteld!  

GGZ en privacy

Vorige week schreef ik al iets over de wachtlijstproblematiek in de GGZ. Ik hoor regelmatig om me heen dat de werkdruk voor mensen in de GGZ behoorlijk hoog is. Naar aanleiding van het verhaal met de wachtlijst snap ik dat wel. Hier en daar slaat men namelijk wat door met de regeltjes, bijvoorbeeld als het gaat om privacy.

De wachtlijst en ik
In eerste instantie was het de grote vraag of ik wel op de wachtlijst stond. Het is mijzelf én mijn zorgverzekeraar gelukt om die vraag te beantwoorden. Ik sta erop. Maar waar ik sta en hoe lang ik (na zeven maanden) nu nog moet wachten, dat kon niemand me vertellen. De zorgverzekering kreeg in verband met de privacy ook geen antwoord op die vraag.

Doorgeslagen privacy
Toen ik mijn huisarts vertelde over het doodlopende spoor van wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar besloot hij dat hij zelf nog wel een kans kon wagen. We waren het er samen over eens dat de instelling wél met de huisarts zou mogen praten, omdat die de verwijzing had gedaan en omdat het dan ging om een gesprek met een arts. Dat zou mogen, vonden we.

Diezelfde dag nog had ik contact met de doktersassistente. Ze had voor me naar de instelling gebeld om te vragen hoe het er nu voor stond met de wachtlijst. En wat wilde het geval? De instelling kon er geen uitspraken over doen in verband met de privacy.

Ik was echt verbaasd. Met wie mogen ze dan nog wel praten? Dat vroeg de assistente zich ook af, dus die had gevraagd of mijn huisarts moest bellen. Dat hoefde niet. De instelling zou mijn toekomstige behandelaar vragen om te bellen. Die zou namelijk wél iets mogen zeggen.

Al die verhalen over hoge werkdruk begon ik nu wel te snappen. Mijn huisarts had iets slims gedaan. Die had de assistente ingezet om de instelling te bellen. Lijkt me een prima manier van taken verdelen en de werkdruk wat verlagen. In de GGZ-instelling hadden ze blijkbaar nog niet begrepen dat iemand van de administratie ook iets kan zeggen over de wachtlijst. De assistente had dat nog benadrukt, dat er niet gevraagd werd om medische informatie, maar slechts om een wachttijd. Het mocht allemaal niet baten.

Laten we er maar over bloggen
Ik vond het hele gedoe met doorgeslagen privacy best bijzonder. De assistente noemde het lachwekkend. Gelukkig kon ze er de lol van inzien. Ze vond dat ik er wel een column over kon schrijven. En wacht eens, toen floepte er zomaar uit dat ik dat al gedaan had. Ik had het bericht dat vorige week online kwam toen namelijk al geschreven. We waren het er wel over eens dat dit nog wel een apart berichtje verdiende.

Restte me alleen nog één vraag, na dit gesprekje. Waar kwam het idee van die column vandaan? Wist ze dat ik deze blog heb? Leest de assistente hier dus mee? En wie o wie doet dat dan nog meer? Ach ja, zo houden we het bloggen een beetje spannend. Ik blijf schrijven. En wachten. Dat ook, want wachten is de trend van 2019.

Boekenpraat: Op dit moment (Karen Kingsbury)

Het verhaal
Op Hamilton High, de school waar Wendell Quinn directeur is, gaat het niet goed. Er zijn veel bendegevechten, tienerzwangerschappen zijn aan de orde van de dag, spijbelen is meer regel dan uitzondering, de resultaten zijn slecht en er is veel geweld tussen de rivaliserende bendes. Het moet anders. Wendell voelt het als zijn plicht om de jongeren te laten zien dat het ook anders kán. Op dit moment. Wendell start een Bijbelstudiegroep. Leerlingen kunnen na schooltijd twee keer per week vrijwillig deelnemen; niets is verplicht. De groep is vanaf het begin een succes, maar stuit ook op tegenstand. Is zo’n groep niet in strijd met de godsdienstvrijheid?

Wendell wordt aangeklaagd en moet zich verdedigen voor de rechter. Daar lijdt hij persoonlijk onder, maar ook zijn gezin heeft eronder te lijden. Advocaat Luke Baxter komt Wendell te hulp. Hij wil strijden voor godsdienstvrijheid. Maar gaat dat niet ten koste van zijn eigen gezin?

Mening
Karen Kingsbury schreef al meer boeken over de familie Baxter. Ik heb die boeken niet gelezen, maar kon dit boek toch prima volgen. Wat ik heel prettig vind, is dat alle familieleden aan het begin van het boek even worden voorgesteld. Waar nodig kon ik terugbladeren om te kijken wie bij wie hoorde. Dat was echter niet heel veel nodig.

In Amerika is godsdienstvrijheid toch wel iets anders dan in Nederland. Je kunt daar als directeur daadwerkelijk voor het gerecht worden gedaagd omdat je je leerlingen leert bidden. Dat is iets wat in Nederland onvoorstelbaar is.

Ik vond het een ontroerend verhaal vol geloof, hoop en liefde. De verhalen van Wendell en Luke Baxter worden mooi weergegeven.

Enige minpuntje aan dit boek vond ik het hoge ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ gehalte. Probleem, even bidden en opgelost. Ik vind het geloofsvertrouwen in dit boek echt heel mooi om te lezen, maar soms komt het hier wel erg naïef over. Ondanks dat werd ik dus wel geraakt door de liefde en het vertrouwen in dit boek, maar toch had ik het graag wat (in mijn ogen) realistischer gezien.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Op dit moment’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Op dit moment
Auteur:
Karen Kingsbury
Uitgeverij:
KokBoekencentrum
Genre:
Christelijke roman
Pagina’s:
346

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Dank aan mijn bloeddonor

Vandaag is het 14 juni: Wereld Bloeddonordag. Een mooie dag om alle bloeddonors te bedanken. Vandaag vertel ik het verhaal over mijn bloedtransfusie. Het is een verhaal dat me nog regelmatig nare en angstige herinneringen bezorgt, maar ook een verhaal dat gelukkig goed afliep.

Complicaties
Het is inmiddels bekend dat ik een poliep (in mijn darm) heb gehad en dat die succesvol is verwijderd. Ik ging na het verwijderen van die poliep heel erg opgelucht naar huis. De tikkende tijdbom was mijn lijf uit.

Ruim anderhalve dag na het verwijderen van mijn poliep begon ik echter te bloeden. Geen paniek, dat stond in het boekje, dat dat kon en dat dat niet erg was. Het bleek echter te gaan om wel iets meer dan een beetje bloedverlies. Ik zocht dus contact met het ziekenhuis (de SEH, want het was nacht) en later, toen ik na een bezoek aan de SEH weer thuis was, met de huisarts.

De conclusie na de onderzoeken van de artsen was dat ik (te) veel bloed verloor, maar dat ik thuis mocht afwachten. Ik was jong en mijn lichaam kon wel wat hebben. Daarbij kreeg ik steeds de waarschuwing dat ik weer moest bellen als ik meer bloed zou verliezen. De uren verstreken en ik werd zwakker en zwakker. Waar ik ’s morgens nog zelf het ziekenhuis in was gewandeld, was ik ’s middags zó duizelig dat ik niet eens meer zelf naar de wc kon lopen. En ja, dat waren echt maar een paar stappen.

Ziekenhuisopname
Mijn broertje, die bij mij thuis was om ‘op te passen’, besloot dat het klaar was: “Ik bel de huisarts nog een keer. Dit is niet normaal.” De huisarts kwam langs en constateerde al op de drempel dat ik niet meer thuis kon blijven. Kon ik zelf naar het ziekenhuis of moest hij een ambulance bellen? Ik zei dat ik er zelf kon komen. Toen de huisarts weg was, keken mijn broertje en ik elkaar aan. Hoe zou ik daar dan zelf komen? Ik kon niet lopen… Goede vraag. Achteraf is het hilarisch om terug te blikken op die tocht naar het ziekenhuis. Ik moest letterlijk op mijn achterste van mijn appartement naar de lift kruipen en nam diverse keren een pauze, tijdens de paar meter kruipen naar de lift. Mijn broertje moest me vervolgens ondersteunen van de deur naar de auto. Ik liep het ziekenhuis ook niet meer zelf in, maar werd in een rolstoel naar binnen geduwd.

Tijdens mijn opname werd ik eerst volgestopt met infusen met zout en een goedje om het bloeden te stoppen. Het mocht allemaal niet baten. Ik werd alleen maar steeds zwakker.

Bloedtransfusie
En toen was het op. Mijn hb bleef zakken. Mijn hart begon op hol te slaan. Mijn huid was bleker dan de ziekenhuislakens. Mijn bloeddruk was schrikbarend laag. Er was nog één oplossing. Ik moest bloed krijgen.

Zo’n bloedtransfusie zou wonderen moeten doen. Je zou je dan daarna een stuk beter gaan voelen. Helaas gebeurde dat niet, omdat mijn bloeding nog altijd niet was gestopt. Wat ik kreeg, raakte ik dus ook weer kwijt. Maar ik realiseerde me wel dat ik me zónder dat donorbloed waarschijnlijk nóg ellendiger had gevoeld. Nu bleven de waarden, hoewel extreem laag, wel stabiel. De waarden zakten na de bloedtransfusie niet nóg verder.

Ik wil ook doneren
Terwijl ik daar met die zak bloed aan het infuus lag, besloot ik dat ik ook wilde doneren. Ik wilde me direct aanmelden. Het kan niet. Wie eenmaal bloed heeft ontvangen, mag nooit meer doneren. Ik heb nog gebeld om te vragen of ik wel plasma mocht doneren, maar dat mocht ook niet.

Dankjewel!
Ik kan dus zelf niets ‘terug doen’, terwijl ik dat wel graag had gewild. Daarom zeg ik sindsdien op 14 juni dankjewel, vanuit de grond van mijn hart. Dankjewel, jij bloeddonor, jij redt levens.

Meer informatie over bloed doneren en de mogelijkheid om je aan te melden als bloeddonor vind je op de website van Sanquin.

GGZ-wachtlijsten

Wachtlijsten in de GGZ. De meeste (voormalige) cliënten weten precies waar ik het dan over heb. Eerst wachten op een intake, dan wachten op een behandeling en ondertussen zie je maar wat je doet. Of wat je niet doet.

Wachten duurt lang
Wachten duurt altijd lang. Ik vind het volkomen logisch dat ik niet morgen terecht kan bij een GGZ-instelling als ik vandaag bel. Toch zijn er genoeg mensen die per direct hulp nodig hebben en dat is er dan niet altijd. Of moet ik het woordje altijd daar verwijderen?

Ik werd in november doorgestuurd naar een instelling waar ze me zouden helpen in de strijd tegen mijn hypochondrie. Ik mag in m’n handjes knijpen omdat ik al die tijd nog wel onder behandeling ben in een andere (vrijgevestigde) praktijk, maar daarnaast heb ik die gespecialiseerde behandeling nodig.

In januari had ik een intake. Dat klinkt allemaal vrij vlot. Daarna werd het stil. Ik kreeg een brief dat ik op de wachtlijst stond en dat was het.

Na maanden van wachten, besloot ik de website van de instelling eens te raadplegen om te kijken hoe lang de huidige wachttijd is. Wat zag ik tot mijn verbazing? De wachttijd stond op maximaal drie maanden. Ik had dus al lang aan de beurt moeten zijn, in mijn beleving.

Kastjes en muren
Ik startte een belronde langs diverse kastjes en muren. De één zag mijn naam niet staan, de ander kon de wachtlijst niet openen, de volgende zou binnen een week terugbellen. Niemand kon me echter vertellen of mijn naam op de lijst stond en zo ja, hoe lang ik nog zou moeten wachten.

Dat ze me geen startdatum kunnen geven, dat snap ik. Maar iets meer dan ‘het kan nog wel even duren,’ zou toch wel prettig zijn. Moet ik denken aan weken, maanden, misschien zelfs een jaar?

En ondertussen, in mijn gang van kastje naar muur en terug, nam de wanhoop toe. Maar daar hebben zij geen boodschap aan.

Wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar
Mijn zorgverzekeraar biedt wachtlijstbemiddeling. Ten einde raad besloot ik dat maar eens te proberen, want ja, ik werd zelf door de instelling niet meer heel serieus te woord gestaan, had ik het idee. De zorgverzekeraar herhaalde mijn gang van kastje naar muur en terug en belde me met de uitkomst: “De instelling doet er tegenover ons geen uitspraken over in verband met de privacy.” Oké, dat kon dus ook nog. Ik besloot het er dan maar bij te laten zitten en weer verder af te wachten.

Stilstand
Ondertussen ben ik af en toe de wanhoop nabij. Het ergste vind ik de onzekerheid en het feit dat ik stil lijk te staan. Ik kan niet vooruit. Hoe kan ik een stap zetten met het oog op de toekomst (zoals een baan) als ik vervolgens een intensieve behandeling moet gaan doen? Ik kan dus even geen kant op. Ik wil vooruit, maar de kans is er niet. Bovendien heb ik eerst die behandeling nodig, om vooruit te kunnen. Ik verveel me absoluut niet; ik vermaak me prima, maar het is wel de hoogste tijd voor een vervolgstap.

De GGZ is ziek
Daar schreef ik het dan toch. De GGZ is ziek. Ik had me voorgenomen dat nooit te zeggen of te schrijven. Het was echter mijn huisarts die deze conclusie trok, na mijn verhaal over het eindeloze wachten. Zodra ik ‘wachtlijst’ zei, zag ik de moed al in zijn schoenen zinken. Wachtlijsten zijn stom. En ja, toen hij concludeerde dat de GGZ een beetje ziek is, kon ik het alleen maar beamen. Dat, en er een blog over schrijven.

Kan iemand alsjeblieft de GGZ genezen van de wachtlijsten?

Open brief aan wielrenners

Beste wielrenner,

Laat ik deze brief positief beginnen. Ik heb namelijk heel veel respect voor wat je doet. Jij als echte wielerliefhebber fietst door weer en wind over de Nederlandse wegen. Ik heb er respect voor dat je jezelf keer op keer in dat pakje hijst, want dat kan gewoon niet lekker zitten. Maar je doet ‘t. En jij, verstandige wielrenner, draagt een helm.

Kilometer na kilometer glijd je over de wegen. Je fiets is misschien wel duurder dan je auto en is je grootste trots. Je zorgt er dan ook goed voor.

Al die dingen, beste wielrenner, ik heb er respect voor, echt waar. Ik snap er de lol ook van, zeker weten. Ik heb het zelf nooit gedaan, maar dat komt vooral omdat ik mezelf niet in zo’n pakje durf te vertonen enzo. Mijn familie bestaat voor een groot deel uit wielrenners, maar hoe graag ik soms ook zou willen, mij hebben ze nog niet over kunnen halen.

Toch moet me ook iets van het hart. Op zo’n wielrenfiets zit je gewoon in de buitenlucht. Geen dichte ramen en een airco. Waarom moeten jullie wielrenners altijd zo vréselijk hard praten? Ik hoor jullie altijd al van verre. Dan hoor ik een hoop geschreeuw en weet ik dat er wielrenners in aantocht zijn.

Als jullie in een groep fietsen, waarschuwen jullie elkaar voor paaltjes en wandelaars en dat vind ik dan wel weer positief. Maar gewoon dat gesprek over die promotie op je werk, dat kan toch misschien wel wat zachter?

Dan richt ik me nu even tot jou, de wielrenner die me nog niet zo lang geleden passeerde. Je was goed bezig. Je had mijn respect. Je had je helm en je zonnebril op en jezelf in zo’n pakje gehesen en hoewel je daarmee mijn respect verdiende, zorgde dat er ook voor dat ik je niet herkende. Jij herkende mij wel. Er is daar geen voetpad, dus sorry, ik moest een beetje op jouw route lopen. Maar beste wielrenner, ik herkende je niet met helm en zonnebril en gek pakje, maar ik hoorde je wel. En als jij dan na het passeren van mij aan je maten verkondigt: “Dat was juf Naomi, die zag er ook niet vrolijk uit,” dan hoor ik dat dus.

Zal ik het je even uitleggen? Nogmaals, je zit niet in een auto met dichte ramen en airco. En ik ben niet doof en had in tegenstelling tot jou géén zonnebril op. Ik keek dus tegen de zon in en chagrijnig staat m’n hoofd ’t lekkerst. Maar eerlijk? Zo’n opmerking van jou helpt dan niet echt, vooral niet omdat ik me maar blijf afvragen wie je was (het is duidelijk dat ik oudergesprekken met je gevoerd moet hebben). Voortaan dus toch misschien een beetje nadenken voor je wat roept?

Boekenpraat: Zondagskind (Judith Visser)

Het verhaal
Jasmijn Vink groeit op in Rotterdam. Ze woont daar met haar ouders en haar oudere broer en met haar beste vriendin Senta. Senta is een hond, maar dat vraagt nooit iemand. Senta is gewoon Jasmijns vriendin. Veel mensen vinden dat Jasmijn te vaak alleen is, maar daar snapt Jasmijn niets van. Ze is nooit alleen; ze is altijd met Senta.

Als Jasmijn vier is, moet ze naar school. Ze voelt zich daar opgesloten. Hoe houden al die andere kinderen het daar hele dagen uit? Waarom horen ze de herrie die ze maken niet?

Jasmijn besluit haar eigen leven te leiden, maar dat wordt door de omgeving niet altijd geaccepteerd. Jasmijns moeder accepteert haar wel zoals ze is: “Zo is ze nu eenmaal.” Maar wat is dat ‘zo’ eigenlijk? Jasmijn komt er pas op veel latere leeftijd achter dat dat ‘zo’ autisme heet. Dit boek beschrijft haar zoektocht naar een ‘normaal’ leven. Alsof opgroeien nog niet lastig genoeg is.

Mening
Eerlijk gezegd heb ik even getwijfeld of ik wel een recensie zou schrijven over dit boek. Ik was bang dat ik niet heel veel verder zou komen dan ‘wauw’ en een oproep om allemaal dit boek te lezen. Dat komt vooral door de herkenning die ik, recent gediagnosticeerd met autisme, in dit boek vond. Daarom gaat dit niet over mijn mening, maar over herkenning.

Herkenning
Ik las dit boek vorig jaar al een keer. Ik herkende heel veel, maar dat kon niet, want ik was niet autistisch. Ik stopte het weg. Ik ben dus wél autistisch. Ik herkende lang niet alles, maar dit zijn de dingen waarin ik het meeste herkenning vond:
*Bellen is echt drama. Jasmijn neemt gewoon niet op. Ik neem meestal wel op, omdat ’t moet, maar liever niet.
*De enorme verlegenheid van de jonge Jasmijn. Ik was ook ‘schattig verlegen’.
*Jasmijn staat stil bij de dingen waar een ander niet over nadenkt. Ik ook.
*Jasmijn kan zich elke seconde van alles wat er ooit is gebeurd nog herinneren. Ik snapte heel lang niet waarom anderen dat niet konden, net als Jasmijn. Inmiddels snap ik dat die anderen het ook niet ‘expres’ doen als ze dingen vergeten.
*Jasmijn wil niet mee op schoolkamp. Ze houdt het tot kwart over drie al nauwelijks uit. Herkenbaar als leerling én als leerkracht.
*Jasmijn heeft veel last van bijgeluiden. Bijgeluiden zijn als ballen die raak zijn. Haar hoofd is een doel zonder keeper. Ik zeg altijd dat ik geen filter heb, maar deze klinkt ook prima.
*Jasmijn zegt op een gegeven moment als ze verdriet heeft: “Mijn hart was bont en blauw, maar aan de buitenkant zie je dat niet.” Precies dat is wat zo vaak voor onbegrip heeft gezorgd. Ik zie er zo vrolijk uit.
*Iemand zegt tegen Jasmijn: “Jij voelt je ‘normaal’ zolang alles gaat hoe het volgens jou hoort te gaan.” Hier nog één.

Maar het meeste herkenning vond ik toch wel in wat Jasmijn denkt over haar vriendin Colette: “Colette kon haar ziel een schildje omdoen. Ik niet.”

Het missen van dat schild is precies wat het leven soms zo overweldigend voor me maakt. Het leven met al zijn prikkels en geluiden. Prikkels en geluiden die een ander niet opmerkt, maar ik wel.

Dus ja, ik zeg het toch nog maar een keer tegen iedereen die wat meer van autisme wil snappen: Dit boek is een aanrader!  

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Zondagskind’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Zondagskind
Auteur:
Judith Visser
Uitgeverij:
HarperCollins
Genre:
Roman
Pagina’s:
478

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Kom je bij me eten? (2)

Naar aanleiding van mijn blog over stress als er mensen bij me komen eten, kreeg ik een appje. Iemand die een paar keer per jaar bij me komt eten, miste namelijk bij de oplossingen de optie Airfryer. Ze had helemaal gelijk en direct voelde ik een ode aan mijn Airfryer opkomen.

No stress
Wat wil het geval? Ik krijg niet van iederéén die komt eten stress. Er zijn ook mensen die ik al zo’n beetje mijn hele leven ken en waarvan ik weet waar ik ze blij mee maak. Met pizza, patat en ijs, voornamelijk. Ideaal vind ik dat.

Als deze mensen komen eten, gaat de Airfryer aan. De stekker gaat in het stopcontact op het moment dat de bel gaat en na een minuutje of twintig kunnen we (lekker op de bank) eten. Ik vraag na de eerste ronde of er nog meer patat gebakken moet worden of niet. Er komen wat snacks en op een gegeven moment zijn de magen gevuld. Tenminste, bijna dan.

Dit van pizza en patat houdende stel gaat bij mij niet weg voor er ook ijs is gegeten. Ik ben gek op ijs. Ik heb het niet altijd in huis, maar als zij komen eten wel. We nemen dus een toetje. Of twee. Want ja, ijs is echt heel erg lekker. Vervolgens is er dan gedurende de avond ook nog genoeg lekkers. Ik zorg er graag voor dat mensen niet nog langs de grote gele M. moeten als ze bij mij zijn geweest.

De luie huisvrouw
Na dat appje over de optie Airfryer kwam er dus een ode aan die Airfryer boven. Ik kocht de mijne drie jaar geleden en ik heb hem vanaf het begin intensief gebruikt.

In eerste instantie was de aanschaf een idee dat voortkwam uit luiheid. Ik had een hartgrondige hekel aan het schoonmaken van de frituurpan en toen dat op een dag écht weer moest gebeuren, heb ik de pan met vet en al weggegooid (ja, milieu, ik weet het…) en ben ik een Airfryer gaan halen. In eerste instantie gebruikte ik hem alleen voor patat, maar al heel snel ging ik hem voor meer gebruiken.

Snel recept voor de Airfryer
Ik ontdekte dat je met dit apparaat heel snel en heel makkelijk een gezond en lekker maaltje op tafel kunt zetten. Na een lange werkdag vond ik dat heel fijn.

Ik vond een recept dat binnen twintig minuten na thuiskomst op mijn bord kon liggen. Bij thuiskomst gelijk de Airfryer aan op 180 graden en vervolgens aardappels schillen en in blokjes snijden. Als dat gedaan is, is de Airfryer warm en kunnen de aardappelblokjes er dus in. Timer op tien minuten instellen. Ondertussen een courgette en twee tomaten schoonmaken en in blokjes snijden. Kruiden met paprikapoeder (Italiaanse kruiden kan ook, maar ik ben er niet zo’n fan van) en na tien minuten toevoegen aan de aardappelblokjes. Airfryer nog even vijf minuten aan en piep-piep…Heerlijke maaltijd! En oja, ondertussen in een andere pan nog even een vleesje braden. Kan allemaal precies.

Aardappels zijn vies?
’s Zomers eet ik graag sla met gebakken aardappels. De aardappels maak ik tegenwoordig ook in de Airfryer. Ik ben stiekem helemaal geen fan van gekookte aardappels en at daarom veel pasta en rijst. Buikpijn was daar vaak het gevolg van. Mijn huisarts adviseerde me aardappels te gaan eten en ik deed het, met een hoop tegenzin. Tót ik aan mijn Airfryer dacht. Sindsdien gebruik ik hem bijna dagelijks. Aardappels uit de Airfryer vind ik namelijk heerlijk. Het voelt alsof ik lekker aan de friet zit.

Conclusie: ik heb geen spijt van mijn aankoop. Ik koester hem, bijna dagelijks. En dat er mensen zijn die daar ook zo van kunnen genieten, maakt dat die rustig bij me mogen komen eten. Zonder stress.

Oja, en voor het geval iemand argwaan kreeg bij het lezen: Geen gesponsord artikel ofzo, puur enthousiasme.

Altijd bereikbaar

In onze huidige maatschappij lijken we altijd maar bereikbaar te moeten zijn. Even snel een vraag beantwoorden via de app, je telefoon altijd bij je hebben en denk erom dat je je mail direct beantwoordt. Ik merkte dat die eeuwige bereikbaarheid me veel onrust bracht en zocht naar oplossingen.

Bereikbaar voor iedereen?
Voor mezelf zie ik wel een verschil tussen bereikbaar zijn voor collega’s of voor anderen. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk dat mijn familie en vrienden me in geval van nood kunnen bereiken. Dat kan ook, want ze kennen het nummer van mijn vaste telefoon. Als mijn mobiele telefoon dus even op stil staat, kunnen ze me gewoon bereiken.

Als collega’s me wilden bereiken, had ik daar in mijn vrije tijd behoorlijk wat moeite mee. Ik zou het liefst na een werkdag naar huis gaan en dan niet meer na hoeven denken over werk, tenzij ik daar zelf voor kies.

Op vrijdagmiddag was ik vrij. Ik leerde mezelf dat ik mijn werkmail niet meer thuis zou lezen, tenzij dat een bewuste keuze was. Als ik nog even thuis wilde werken, vond ik de werkmail lezen prima, maar niet ‘even tussendoor’. Als iemand me op vrijdagmiddag mailde, las ik dat soms pas op maandagochtend. Ik vond dat fijn, want dan had ik er in ieder geval in het weekend niet over na hoeven denken. Het werd me echter door mijn werkgever verweten: “Het is nu maandagochtend en je hebt het net pas gelezen? Het is vrijdagmiddag al verstuurd. Je kan thuis toch ook je mail lezen?” Ja, dat klopt, maar stiekem was ik er trots op dat ik de mail pas op maandagmorgen had gezien.

Ik ben (even) onbereikbaar
Thuis ben ik heel makkelijk met onbereikbaar zijn. Mijn mobiele telefoon staat vaak op stil en mijn deurbel staat vrijwel altijd uit. Geen gedoe. Appjes lees ik wel als ik daar zelf zin in heb en niet als er van alles begint te bliepen.

Sinds kort komen er op mijn telefoon alleen nog meldingen binnen van appjes in privégesprekken. De rest piept niet en geeft geen icoontjes. Die rust vind ik heerlijk.

Op mijn werk vond ik het moeilijker. Mijn werk bracht veel mails en telefoontjes met zich mee. Als ik dan met iets bezig was, zag ik op mijn scherm nieuwe mails verschijnen. Ik zette dus de pop-ups uit. Dat bleek echter niet genoeg, want ik keek toch steeds even tussendoor of er mail was. Ik beantwoordde die mails dan ook maar gelijk, als dat kon.

Effectief werken en je mailbox
Al die mailtjes die ik ‘even tussendoor’ deed, haalden me steeds uit mijn concentratie en kostten daarom best wat tijd. Ik stuitte ergens in een wachtkamer op een artikel over effectief werken en over stress en burn-out. In het artikel werd geadviseerd om je mail niet de hele dag open te zetten, maar om die twee keer per dag te controleren.

De eerstvolgende werkdag besloot ik de mail te sluiten. Aan het begin van de dag keek ik en beantwoordde ik urgente mails. Verder plande ik mails beantwoorden echt in en een uur voor ik naar huis ging, keek ik nog even naar urgente zaken.

Het bracht mij rust. Het was in het begin even wennen om mensen langer dan vijf minuten op antwoord te laten wachten, maar het bleek uiteraard (voor de meesten!) geen probleem te zijn. De belangrijkste les voor mij was dat het prima is om even onbereikbaar te zijn. Mensen kunnen best even wachten op antwoord.

Verlangen

Op de ruïnes van angst
bouw ik een leven vol dwang.

Slecht één ding is er
dat ik met heel mijn hart verlang.

Ik wil een lege kavel;
één waarop ik kan bouwen.

Een kavel vol vruchtbare grond;
een basis van hoop en vertrouwen.