Schone ramen

Hoewel ik dol ben op gezeemde ramen, vind ik het zemen zelf een periodiek terugkerende kwelling. Ik stel het graag uit, maar als ik vakantie heb, vind ik altijd wel dat ik mezelf er even toe moet zetten.

Om te beginnen houd ik dan het weerbericht goed in de gaten. Ik kan de regen wel uit de lucht kijken, want als het regent, hoef ik de ramen niet te zemen. In ieder geval niet aan de buitenkant. En de binnenkant wordt niet vies, toch? Helaas toch wel.

Op een dag komt er dan toch dat moment dat de zon op de ramen staat. Ik zie hoe de regendruppels en het vuil van een aantal weken zich verzameld hebben. Het zou bijna jammer worden dat de zon schijnt. De huishoudontwijkende stem in me vindt dan: Ach joh, niemand ziet of die druppels van gisteren of van vorige week of vorige maand zijn. Dus eh…je kunt nog best een dagje wachten. Soms geef ik aan die stem toe.

Heel, heel soms schijnt de zon zo fel dat ik bijna zin krijg om de ramen te zemen. Hoewel dat bijna zorgelijk is, is dat wel een gevoel waar ik gebruik van moet maken. Ik haast me naar buiten en begin te zemen. Na afloop (en vooruit, tussendoor ook een keer) gooi ik tevreden mijn emmertje met zwart geworden water leeg. Ik heb nooit het gevoel dat ik de ramen voor niks heb gezeemd. Het is altijd wel écht nodig. Maar weet je wat? Die ramen leken vies toch ook echt heel gelukkig. Dat gun ik ze gewoon weer, dus de volgende keer stel ik het lekker weer uit.

En dan…dan is daar heel even dat moment dat ik met een gevoel van trots en voldoening door mijn blinkende ramen kan kijken. Toch wel lekker, die schone ramen. En jaja, dat vuil dat nu nog zichtbaar is, is dus echt wel van de overburen en niet van mij. Maar ik ben nooit de enige die geniet van mijn schone ramen.

Als ik mijn ramen zeem, gebeurt er volgens mij in de lucht ook wat. Moeder De Gans wordt wakker. Ze roept haar man, haar kroost, de rest van de familie en alle vrienden: ‘Naomi heeft de ramen gezeemd! Joehoe! Kom! Allemaal verzamelen, wie het eerst is en wie het meest kwijt kan op één raam!’
En daar komen ze dan. De complete familie Gans. Ze laten hun groene uitwerpselen achter op mijn net zo zorgvuldig, na veel uitstelgedrag, gezeemde ramen. En ik? Ik hoop maar weer op regen. Om dat groen te verwijderen én om een smoes te hebben om niet weer te hoeven zemen.

Superprikkels

Wekelijks maak ik een rondje door de supermarkt. Niks bijzonders, zou je denken. Dat doet toch bijna iedereen? Dat doet ook bijna iedereen. Maar ik ben nogal prikkelgevoelig, op allerlei terreinen.

Als ik naar de supermarkt ga, geeft dat super(markt)prikkels. Afhankelijk van hoe lang ik de voorafgaande nacht heb geslapen, wat ik die dag al heb gedaan of nog moet doen, zijn dat er soms veel en soms weinig of bij grote mazzel geen.

Wat er dan gebeurt, bij superprikkels? Het begint al op de parkeerplaats. Waarom staan al die auto’s hier? Ik wil niemand zien. Vervolgens betreed ik de supermarkt. Ik kijk snel om me heen. Geen bekenden? Oef. Als ik pech heb, zie ik wel bekenden. In dat geval begint het grote kat- en muisspel. In welk gangpad loopt tante X? Dan ben ik daar niet. Ik heb mijn lijstje bij me, waar de boodschappen op volgorde op staan en ga doelgericht te werk. Er draait muziek. Moet dat? Kan die herrie niet uit? En dan…”Hé, lang niet gezien, hoe is het?” Dan wil ik het liefst slaan. Hoe het is? Ik doe bóódschappen, ik word gek van alle mensen en geluiden hier, dus wegwezen! Maar dat zeg ik natuurlijk niet en slaan doe ik ook niet. Ik probeer het gesprek zo kort mogelijk te houden en tijdens het praten werkt mijn brein op volle toeren om smoesjes te verzinnen waarom ik écht heel erg veel haast heb. Het volgende schap in. Twee bejaarden die bij staan te kletsen. De rollators tussen hen in. Prima, ik hoef die spullen uit dit schap niet. Ik eet gewoon een week geen kaas. En beste mensen, je kunt ook een avondje thee gaan drinken samen en dan heb ik geen last van je. De kassa’s. Rijen. Mensen die kletsen in plaats van boodschappen uit- en inladen. En dan ben ik aan de beurt. Ik word geholpen door iemand die ik zorgvuldig heb uitgezocht. Iemand die niet kletst. Want stel je voor zeg. Eindelijk klaar. Op naar de auto. Weer die snelle blik. Niemand te zien? Niemand te zien. Kar wegbrengen en wegwezen. Overleefd.

Inmiddels weet ik wanneer ik boodschappen kan doen met zo min mogelijk kans op superprikkels. Ik kan de boodschappen natuurlijk ook laten bezorgen. Lekker makkelijk, zou je denken. Dat ís ook lekker makkelijk. Maar ja, dan moet ik dus wel op een bepaalde tijd thuis zijn. En ik ben nu eenmaal van de spontane ingevingen. Dus wat als ik net heb bedacht dat ik een strandwandeling ga maken en ik blijk thuis te moeten blijven voor mijn boodschappen? Nee, slecht plan.

Superprikkels zoveel mogelijk vermijden dus. Boodschappen doen op rustige tijden. Wanneer die tijden zijn? Ja, dat mag iedereen zelf uitvinden, want straks loopt iedereen er op mijn favoriete tijd. En voor iedereen die de superprikkels niet kent: Die mensen die van gangpad naar gangpad rennen en je niet aankijken, dát zijn de mensen die er last van hebben. Gewoon laten passeren en boodschappen laten pakken. Verder niks. Namens alle mensen met super(markt)prikkels hartelijk dank!