“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

Boekenpraat op 4 mei: De experimenten (Marion Pauw)

Opdat wij niet vergeten
Het is vandaag vier mei. We herdenken hen die omkwamen in oorlogen. Voor mij gaat deze dag vooral terug naar de Tweede Wereldoorlog. Die periode in de geschiedenis raakt me al sinds ik jong was. Inmiddels heb ik vele boeken verslonden over de Tweede Wereldoorlog, maar steeds opnieuw leer ik nieuwe dingen. Steeds opnieuw ben ik in shock van wat mensen elkaar aan kunnen doen. En steeds opnieuw heb ik diep respect voor de overlevingsdrang van velen, maar die niet iedereen kan navertellen. Ik blijf lezen. Opdat wij niet vergeten. En zo las ik ook dit boek.

Het verhaal
Charlie is vijftig jaar geleden woedend vertrokken uit haar ouderlijk huis. Ze kon haar stiefmoeder Alma niet langer verdragen en wilde niet dat Alma haar leven nog langer zou beheersen. Nooit keerde Charlie meer terug, precies zoals ze zich had voorgenomen. Maar nu is Alma ziek en iemand moet in het weekend voor haar zorgen. Er lijkt maar één optie te zijn en dat is dat Charlie naar haar stiefmoeder gaat.

Terwijl Charlie haar woede en onbegrip probeert te negeren, verzorgt ze met tegenzin haar stiefmoeder Alma. En dan ineens begint Alma te vertellen. Ze vertelt over haar leven in de kampen, over de medische experimenten die met haar zijn gedaan en over de mensen van wie ze hield en die er niet meer zijn.

Charlie weet niet goed wat ze met dit verhaal moet. Bedoelden haar vader en tante dit vroeger, als ze zeiden dat ze rekening moest houden met haar stiefmoeder? Waarom praat Alma nu opeens wel en heeft ze er vroeger nooit een woord over gezegd? Wie is hier nu slachtoffer en wie dader?

Mening
Ik las dit boek nadat ik ergens een review tegen was gekomen op een blog. Ik heb het in twee dagen gelezen, ademloos en volkomen gegrepen door het verhaal.

Het boek vertelt een verhaal dat gebaseerd is op feiten. Ik vond het bizar om (weer) te lezen hoe de oorlog niet alleen slachtoffers heeft gemaakt onder hen die het meemaakten, maar ook onder hen die na de oorlog geboren werden.

Het boek vertelt het verhaal van drie generaties beschadigde mensen. Alma en Charlie komen aan het woord, maar ook Charlies dochter Sofia speelt een rol in het verhaal.

Ik was diep onder de indruk van dit verhaal en kan eigenlijk niet anders dan het boek aanraden. Opdat wij niet vergeten.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘De experimenten’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: De experimenten
Auteur:
Marion Pauw
Uitgeverij:
Lebowski publishers
Genre:
Roman
Pagina’s:
254

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

De laatste weken op de basisschool

Veel basisscholen beginnen volgende week aan de laatste periode tot de zomervakantie. De meivakantie is geweest, de laatste weken breken aan.

Vooral in groep acht kunnen die laatste weken ‘een ding’ zijn. De Eindtoets is gemaakt, de uitslag is bijna binnen, de schoolkeuze is gemaakt en de kennismakingsbezoeken aan de vervolgscholen staan gepland. Daarbij bereiden de leerlingen zich voor op hun afscheid, vaak door middel van een musical.

Maar ja, als je tussen de mei- en zomervakantie nog een weekje of acht naar school moet, is dat best lang. Voor de leerlingen, maar ook voor de leerkrachten. Ik had meestal een combinatiegroep 7/8. Dat was dubbel. De ene helft van de groep was voor zijn gevoel al klaar op de basisschool, terwijl groep zeven nog allerlei toetsen moest maken.

En dat zorgde ervoor dat ik gewoon, tot de laatste schoolweek, ook met groep acht bleef werken. Ook na de Eindtoets is er nog zat te leren. De leerstof loopt gewoon door tot schoolweek veertig en stopt niet opeens na het maken van de Eindtoets. Allereerst is het dus voor je leerlingen belangrijk om gewoon door te werken. Bovendien doen veel leerlingen het goed op de structuur van de schoolvakken. Veel beter dan op ‘bezigheidstherapie’. En ja, af en toe even oefenen voor het afscheid hoort er natuurlijk ook bij, maar verder pleit ik ervoor om daar waar mogelijk het gewone programma te volgen. Dat scheelt de leerkracht ook een hoop gedoe. Want ja, ik zie ze lopen, met rode hoofden, die leerkrachten van groep acht: “Phoe, lastig hè, om ze bezig te houden?” Ik hield ze niet bezig, ik werkte gewoon door.

Ik liet groep acht nog net zo hard werken als groep zeven. En als groep zeven Cito’s maakte, liet ik groep acht (zij hoeven aan het eind van het schooljaar niet meer) gewoon zwijgen en aan hun eigen taken werken. Extra naar buiten of allerlei ander gedoe deed ik niet aan. Als kinderen wisten dat andere groepen acht niet ‘gewoon’ werkten, riepen ze me wel eens ter verantwoording. Ik legde hen dan eerlijk uit dat ten eerste hun eigen lesprogramma doorloopt tot de laatste schooldag en dat ten tweede groep zeven nog belangrijke toetsen moest maken. Dat accepteerden ze altijd direct.

In mijn groep leek alles dus vrijwel normaal, tot op het laatst. Behalve dan dat groep acht op schoolkamp ging en groep zeven dan achterbleef. Maar ook voor hen liet ik dan, bij de vervanger, een beetje een pretpakket achter. “Groep acht heeft lol, ze mogen best af en toe even wat leuks doen. En de tekenles mag best even wat langer duren.” Daarnaast liet ik groep zeven af en toe meegenieten van de ‘voordelen’ van groep acht. Groep acht mocht bijvoorbeeld meedoen aan wedstrijden die de regionale bank organiseerde. Ik liet groep zeven dan ook meedoen, zogenaamd om te oefenen voor volgend jaar. Maar eigenlijk gunde ik hen ook gewoon dat pleziertje.

En dan brak dus schoolweek veertig aan. Dat was het moment dat ik het ‘gewone’ werken losliet. Tijdens het zelfstandig werken gaf ik opdracht om zoveel mogelijk werkboekjes uit te werken. Dat vonden de meeste kinderen zó leuk dat ze extra hard gingen werken. De lege pagina’s (bijvoorbeeld omdat ze een keer ziek waren geweest) moesten namelijk wel opgevuld worden.

En dan? Dan was de laatste schooldag aangebroken. Tijd voor een afscheidsfeestje. En nú liet ik ook de touwtjes vieren. Maar tot die tijd? Tot die tijd werd er gewoon gewerkt, tot volle tevredenheid van de juf én de kinderen.

De uit-knop

Opmerking vooraf: Deze blog gaat over suïcidale gedachten. Als je dat (te) heftig vindt, help jezelf dan vooral door weg te klikken!

Het was zomervakantie. Ik had de laatste schoolweken op mijn tandvlees overleefd. Ik had mezelf op de been gehouden met de gedachte dat ik in de zomervakantie bij zou kunnen tanken en dat het dan heus allemaal wel weer goed zou komen.

En toen was het dus vakantie. De eerste dagen werkte ik nog wat, ik volgde mijn therapieën en begon aan de grote schoonmaak. En ik sliep. Dagen- en nachtenlang.

Ik begon me af te vragen wat het leven allemaal voor zin had. Ik werkte, ik deed mijn huishouden, ik at en ik sliep en dat al jaren. En ik was ongelukkig en bang, dat ook. Was dit het dan echt? Moest ik dat nog jaren vol gaan houden? Dat soort gedachten hadden me al eerder overvallen en dan was ik er altijd van geschrokken, maar dan verdwenen ze weer net zo snel als ze waren gekomen. Nu bleven ze komen. Dat gebeurde terwijl ik een rondje fietste. Ik hield mezelf nog rustig. Dit hoorde erbij, dit zou weer stoppen.

Maar deze keer stopte het niet. Ik wist dat ik niet over zou gaan tot actie(s), maar deze gedachten vond ik eng genoeg. En ondertussen was ik blij met mijn zonnebril. Die verborg tijdens mijn fietstochtje de radeloze tranen die in mijn ogen stonden.

Ik had het gevoel dat ik met dit soort gedachten maar beter even contact op kon nemen met hulpverleners, maar ja, het was weekend. De afspraak was dat ik dan contact op moest nemen met de weekenddienst van de huisarts. En dat ging ik dus niet doen. Dan nemen ze me op. Dat doe ik niet. En zo tobde ik voort. Ik trok een leuk jurkje aan, ging met familie uit eten, deed een partijtje druk en speelde het spel. Mijn familie wist toen nog van niets.

Zo hield ik anderhalve dag vol. Maar toen was het zondagavond en besloot ik dat dit niet normaal was. Toen ik uiteindelijk toch maar contact zocht met de weekenddienst, bleek dat mijn eigen huisarts werkte. Dat vond ik zowel een voor- als een nadeel. Het feit dat hij me kende, voelde ergens als een voordeel, maar tegelijk als een nadeel. Die weet dat ik me altijd aanstel. Maar zo ging het niet. Hij nam me uitermate serieus, maar zette de dingen tegelijk in perspectief. “Je wilt niet dood, je wilt je niet zo ongelukkig voelen en dan ziet jouw hoofd nog één oplossing. Je hoofd wil uit. Als je computer kapot is, is de laatste oplossing ook de stekker eruit en er weer in. Dat is wat jouw hoofd nu wil. Dat is heftig, maar dat is niet wat je wil.” Dat stelde me zó gerust. Ik was niet gek. Ik was alleen ongelukkig. Mijn hoofd zocht de uit-knop en vond die niet.

Nu ik de gedachten kon plaatsen, vond ik ze ineens een stuk minder eng. Dit was niet vreemd, dit hoorde erbij. En zo durfde ik mezelf weer te gaan vertrouwen. Ik wist al dat ik niks zou doen, maar de gedachten alleen vond ik eng genoeg. Maar de meest wijze les die ik hiervan leerde? Het was goed dat ik het deelde. Artsen verklaren je niet voor gek. Ze helpen je. En hoewel er geen uit-knop is, werd er in mijn geval wél even op de pauze-knop gedrukt. En nu, bijna een jaar later, lijken deze gedachten Goddank verleden tijd!

Opmerking achteraf: Mocht je je hierin herkennen en ook met gedachten als deze spelen, neem dan contact op met je huisarts of een andere behandelaar en wacht daar niet mee! Er is hulp. En dat is waarom ik dit, na veel twijfel, deel. Om je te laten zien dat er mensen zijn die je willen en kunnen helpen.

Zullen we weer gewoon gaan eten?

Mijn gewicht en ik voeren al ongeveer mijn hele leven een strijd. Ik was als puber de zo welbekende jojo, maar inmiddels heb ik geen enkele invloed meer op mijn gewicht. Ik kwam kilo’s aan, terwijl ik echt een prima gezonde leefstijl had. En toen, opeens, begon ik veel af te vallen. Ik had mijn eetpatroon niet veranderd. Meer bewegen deed ik ook niet, maar opeens verlieten die kilo’s me. Ik verzweeg dat in eerste instantie, maar het werd zichtbaar. Als me werd gevraagd hoeveel ik was afgevallen, noemde ik meestal geen getallen. Ik wilde namelijk niemand triggeren, zoals ik zelf wel constant getriggerd werd.

Door mijn baan in het onderwijs had ik veel vrouwen om me heen. Mijn gewicht is iets waar ik controle in zoek in onzekere tijden. Inmiddels weet ik dat mijn autisme hierin ook een rol speelt. Ik zoek controle en niets is dan fijner dan cijfertjes.

Stiekem was ik er altijd mee bezig. Minstens twee keer per dag stond ik op de weegschaal en ik liet die weegschaal dan bepalen hoeveel ik op een dag zou kunnen eten. Ik snoepte nooit en had ook geen snoep of koek in huis. En dan werd het weer januari. Als ik me in de pauze in de personeelskamer meldde, ging het steevast over afvallen. De slanke collega’s concurreerden met elkaar over hoeveel kilo er al af was en hoe ze dat voor elkaar hadden gekregen. Ik trok me dan terug of hield maar gewoon geen pauze. Ik kon het niet aanhoren, al dat gedoe. Het maakte me alleen maar gek, want ik kon doen wat ik wilde, maar controle op mijn gewicht had ik niet meer, zoals ik dat jaren eerder altijd wel had gehad.

Dan waren er nog studiedagen met gezamenlijke, door een cateringbedrijf geleverde maaltijden. Tijdens zo’n maaltijd gingen diverse collega’s over tot de analyse van wat ze aten. Wat zat erin? Hoeveel calorieën zouden dat zijn? Bevatte dat lactose? Gluten? Hoeveel koolhydraten en welke E-nummers? Begrijp me niet verkeerd, als je last hebt van allergieën begrijp ik heel goed dat je daar vragen over stelt. Maar de hele hype van mensen die niets mankeren en toch van alles ineens niet eten, vind ik heel vermoeiend. Gedurende de maaltijd werd uitgebreid geanalyseerd wat we aan het eten waren en meestal deden ze er dan nog een schepje bovenop en werden allerlei diëten en verloren kilo’s besproken.

Eerlijk gezegd dreef het me tot wanhoop. Kunnen we niet gewoon gaan eten? Genieten van het lekkers dat op ons bord ligt zonder dat te analyseren? En kunnen we alsjeblieft een maaltijd met elkaar eten zonder dat het over gewicht of calorieën moet gaan? Ik wil namelijk heel bewust niet weten hoeveel calorieën ik zit te eten. Dat roept bij mij alleen maar weer behoefte aan controle op. Ik vermijd dus zorgvuldig alle informatie over calorieën. Mijn collega’s niet. Lekker doen, maar mensen, kijk eens naar je maatje 36/38 en ga dan gewoon eten.

Ik stel me zo voor dat collega’s dachten dat ik geen enkel issue had met eten. Ik bemoeide me immers niet met hun gesprekken over kilo’s en calorieën. Niets is minder waar. Ik was er wél mee bezig, maar ik probeerde ook mezelf in toom te houden en gewoon gezond te blijven eten. Dat lukte me, maar kostte wel moeite. Dus nóg een keer de oproep: Zullen we weer gewoon gaan eten? Dan doe je de analyse maar met je diëtist. O, dan hoeft ’t zeker al niet meer? Dan was ’t dus ook niet nodig. Eet smakelijk!   

Boekenpraat: De kleur van je hart (Katie Ganshert)

Het verhaal
Camille, moeder van drie kinderen en actief in de oudercommissie van de basisschool, heeft alles goed voor elkaar. Haar kinderen doen het goed op school, haar huwelijk houdt al ruim twintig jaar stand en haar activiteiten voor de school en de stad maken haar een gerespecteerd lid van de gemeenschap. Maar dan haalt Camille het nieuws. Ze heeft een nogal uitgesproken mening over het feit dat er gekleurde leerlingen naar de scholen van haar blanke kinderen zullen komen. Kan Camilli zich vervolgens staande houden en bij haar standpunten blijven?

Jen is, na jaren van uitzien, moeder geworden van adoptiedochter Jubilee. De wolk blijkt echter niet zo roze als Jen had gedacht. Jubilee is anders dan de anderen. Ze heeft een andere huid, ander haar, andere ouders. En Jen weet niet wat ze daar precies mee moet.

Anaya heeft net haar diploma en gaat nu lesgeven op de basisschool. Ze komt, als gekleurde juf, in aanraking met de vooroordelen van de blanke ouders én leerlingen. En ze heeft al zo vreselijk veel krassen op haar ziel. Kan ze zo wel werken?

Mening
Het kostte me wel even wat tijd om goed in dit boek te komen. Vooral in het begin vond ik het lastig te bepalen wie bij wie hoorde, omdat er wel erg veel mensen in dit boek voorkomen. Het boek is geschreven in de beschrijvende vorm, maar het is jammer dat er soms wat namen door elkaar gehaald lijken te worden. Dat was de voornaamste reden dat ik moeilijk in het boek kwam.

De inhoud van het verhaal maakte echter alles goed. Ik was stomverbaasd dat dit verhaal zich afspeelde in de eenentwintigste eeuw. Ik dacht in het begin even dat ik een boek las over de tijd van de slavernij. Niets was minder waar. Heel indringend om te lezen hoe huidskleur ook nu nog kan bepalen hoe mensen naar je kijken. Maar ook heel mooi om te lezen hoe het uiteindelijk niet gaat om huidskleur, maar dat ieder leeft naar de kleur van zijn of haar hart. Dat bepaalt wie je bent.

Dit boek ook lezen?
Je vindt ‘De kleur van je hart’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: De kleur van je hart
Auteur:
Katie Ganshert
Uitgeverij:
KokBoekencentrum
Genre:
Roman
Pagina’s:
384

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Wat ik niet zeggen kon

Na heel veel jaren van stil verdriet gaf ik toe dat rouw nog een rol speelde in mijn leven. Daar is niets mis mee. Ik ben er namelijk van overtuigd dat rouw altijd een rol zal blijven spelen, zeker op bijzondere dagen, maar in mijn leven was de rol van rouw nog te groot.

Er waren een paar dingen die ik letterlijk niet kon zeggen. Ik kon niet zeggen wat mijn vader tegen me zei toen we afscheid van elkaar namen. Ik kon het woord kanker niet uitspreken. En zo waren er meer woorden en situaties die ik zorgvuldig vermeed. Sommige dingen kreeg ik echt mijn mond niet uit. Ik voelde ze liggen, op het puntje van mijn tong. Ik wilde wel, maar ik kon niet. Ik ging er soms letterlijk van stotteren en werd er een kei in om zinnen dusdanig om te bouwen dat ik geen dingen hoefde te zeggen die ik niet kon. Ik bedoel…zeggen dat iemand een tumor in de (vul maar in) heeft, kon ik wel; dan had ik kanker weer vermeden.

Toen ik de huisarts vertelde dat ik dit probleem had, vroeg hij me iets daarvan hardop uit te spreken. Ik keek wel uit. “Voegt dat iets toe voor het consult?” Hij moest toegeven dat het dat niet deed. Inmiddels moet ik toegeven dat het dat wel had gedaan. Maar ik wilde niet. Zó kwetsbaar ging ik me niet opstellen.

Toen volgde ik EMDR. De dingen die ik niet zeggen kon, bracht ik daar onder woorden. Dat ging niet vanzelf. Soms moest mijn therapeute aftellen en zou ik het bij drie zeggen. Dat deed ik dan niet altijd. Maar ik kwam er wel, na een poosje. Ik was zó verbaasd, dat ik thuis op de bank nog even de dingen herhaalde die ik nu had gezegd en die ik jaren niet had kunnen zeggen.

Niet veel later sprak ik mijn dominee. Ik vertelde hem over mijn vader. Ik vertelde hem de dingen die ik niet zeggen kon en was zelf verbaasd. Dat zei ik er dus ook maar gelijk bij. “Ik zei het!” Ja, ik zei het.

Ik was stomverbaasd over dit effect van EMDR. Ik had vooraf verhalen gelezen waarin mensen het succes van hun behandeling beschreven. Ik had filmpjes gezien. Mijn nuchterheid had zich voorgenomen: Daar trap ik niet in. Wat nou, een beetje dingen honderd keer zeggen en dan naar de vingers van de behandelaar kijken en dan zakt de spanning. Maar het gebeurde mij dus ook, op sommige gebieden.

Soms lukt het nog steeds niet, maar ik weet nu dat ik het wél kan, hoewel nog niet altijd (vanzelf). En om mezelf te bewijzen dat ik het écht kon en dat ik écht heel stoer was, deelde ik na een poosje ook bij de huisarts nog een keer de dingen die ik eerst niet zeggen kon. Om te laten zien: Er is een weg uit het dal. Ik ga er komen, op een dag! Ik kan het!

Dit was het vierde en (voorlopig?) laatste artikel over mijn ervaringen met EMDR. Via de linkjes hieronder zijn de andere artikelen te lezen:
1.
De spanning stijgt.
2.
Help, mijn hulpverlener huilt!
3.
De omgekeerde wereld.

De omgekeerde wereld

Nadat ik bij EMDR een sessie bij elkaar had zitten fantaseren, besloot ik er de volgende keer toch maar even op terug te komen. Dat vond ik spannend, want zou mijn behandelaar dat niet persoonlijk opvatten?

Bij binnenkomst vroeg ze me hoe het ging. “Slecht. Te slecht om te komen eigenlijk, maar ik dacht, ik ga toch maar.” Daar ging ze volledig aan voorbij: “Laten we dan maar snel beginnen.” Ik wilde helemaal niet beginnen, ik wilde nog even de vorige sessie bespreken. Ik legde haar uit wat ik had gedaan, dat ik een beeld bij elkaar had zitten fantaseren en dat ik een dag later naar de huisarts was gegaan. Dat vond ze niet leuk. Ik was heel bang en gefrustreerd en boos op iedereen en het hele leven. Normaal communiceren vond ik daarom wat lastig en dus kwam alles er in een stortvloed van tranen uit.

Dat nam ze nogal persoonlijk: “Ik heb dit niet verdiend.” Dat wist ik en dus legde ik het uit: “Ik ben helemaal niet boos op je, maar ik ben gewoon boos op het leven.” We dreigden volledig vast te lopen. Ze stelde een opname voor. Dat deed voor mij alle deuren dicht. Ik was een keer overstuur, ik was een keer écht eerlijk, ik had een keer geen masker op en ineens was ik klaar voor opname? Dat ging er bij mij even niet in. Omdat ik wel voelde dat ik zelf veel te veel overstuur was om nog normaal na te denken, vroeg ik haar om de huisarts te bellen. “Hij kan ’t wel uitleggen,” snikte ik. Opnieuw was ze boos. “Je kijkt me niet aan. Is dit een vraag?” Ik werd alleen maar nóg bozer. Ik ben compleet de weg kwijt, natuurlijk kijk ik je niet aan! Maar dat zei ik niet, ik zei maar gewoon soort van beleefd dat het echt een vraag was. Ze wilde niet, maar ik zei dat ik het dan zelf wel zou doen. Dat wilde ze nog minder. En weer begon ze met te zeggen dat ze haar best voor me had gedaan, dat ze wilde dat het goed ging en dat ze vond dat ze niet had verdiend dat ik zo deed. Ik legde nóg maar eens uit dat ik helemaal niet boos was op haar, maar dat ik boos was op het leven en dat ik op iedereen zou schelden nu, maar dat zij het net even trof. Eigenlijk was ik zelf wel blij dat ik dit eindelijk eens bij een hulpverlener deed in plaats van op verkeerde plekken, maar ze vond het echt niet leuk. “Ik vind dit ook geen leuk gesprek. Ik heb m’n best gedaan.” En ja, dat vond ik stiekem onprofessioneel.

Uiteindelijk liet ze me, na drie kwartier, volledig overstuur de behandelkamer uit. Op straat, op weg naar de auto, keken mensen me meewarig aan. Ik stapte in de auto en had géén idee hoe ik thuis zou moeten komen. Ik vond mezelf een gevaar op de weg. Eerst zette ik de auto dus maar eens stil en nam contact op met een vriendin. Die vroeg me alsjeblieft heel voorzichtig te doen en nam contact op met mijn andere psycholoog, zodat die me bij thuiskomst zou kunnen bellen.

Zo geschiedde. Mijn psycholoog wist me duidelijk te maken wat er was gebeurd, zette een stappenplan uit en benadrukte dat de paniek weer zou zakken.

Een week later zat ik bij de huisarts. Het eerste wat ik vroeg was of mijn EMDR-behandelaar al gebeld had. Hij had haar nog niet gesproken en was blij dat hij mij eerst sprak. “O,” begon ik, “doe echt lief tegen haar hoor, want ik denk dat ze in een hoekje heeft zitten huilen toen ik vorige week wegging, het was echt heel zielig. Ze vond dat ik vervelend deed en ze vond het geen fijn gesprek en ik maak me gewoon écht zorgen om haar nu.” Dat laatste was waar. Ik maakte me zorgen. Ik was bang dat ik haar gekwetst had. De huisarts trok een snelle, rake conclusie: “Dit gaat niet. Dit is de omgekeerde wereld. Jij moet je geen zorgen maken om je hulpverlener. Deze behandelrelatie is stuk. Die gaan we beëindigen.” En dat deden we. Het was voor mij eigenlijk al fout gegaan op het moment dat mijn EMDR-behandelaar huilde. Dát was het moment dat ik mezelf niet meer durfde te geven. En nu besloot de huisarts voor mij deze omgekeerde wereld weer recht te zetten. Behalve een gevoel van falen, gaf me dat een gevoel van opluchting. Ik kon nog verder bij mijn andere psycholoog en om de EMDR-behandelaar zou ik me geen zorgen meer hoeven maken. Wel zo veilig.

*Kleine disclaimer: Ik wil hier niemand verwijten maken, want uiteraard lag het (voor het grootste deel) ook aan mij, maar ik wil wel duidelijk maken wat een huilende en zich kwetsbaar opstellende hulpverlener met mij doet. Ik denk namelijk dat dat voor een hulpverlener best eens goed kan zijn om te lezen.

Help, mijn hulpverlener huilt!

Om het verlies van mijn vader te verwerken, volgde ik EMDR. Het was de bedoeling dat ik zo toe zou komen aan rouw en dat zijn overlijden niet meer zo vreselijk veel spanning en angst bij me op zou roepen.*

Ik schreef al eerder dat de sessies niet altijd helemaal liepen zoals ik hoopte. Er was één sessie waar ik heel erg tegenop had gezien, maar waarvan ik ook wel wist dat die nodig was. Mijn hulpverlener had me gevraagd wat ik mijn vader zou zeggen als ik hem een brief zou schrijven. Ik vond dat een stomme opdracht, want eh…hij ging ‘m niet lezen, dus ik ging ‘m niet schrijven. Zij moedigde me aan die brief toch te schrijven, omdat ze dacht dat het me zou helpen in het proces.

Omdat ik het schrijven van de brief heel eng vond, stelde ik het eerst maar lekker lang uit. Toen ging ik er toch maar eens voor zitten en bleek het helemaal niet zo moeilijk te zijn als ik dacht. Ik schrijf nu eenmaal graag. Ik moest de brief ook voorlezen en dat vond ik spannend. Wilde ik echt zo’n brief delen? Ik besloot het maar een kans te geven.

De therapiesessie brak aan. Mijn hulpverlener vroeg me of ik de brief had geschreven. Dat had ik. “Wil je hem voorlezen?” Dat wilde ik ook. Het voelde héél eng en héél kwetsbaar. Ik deelde in de brief wat mijn vader voor mij betekend had en hoeveel hij van mij hield en ik van hem. Daar had ik een paar kantjes voor nodig gehad, maar ik was er tevreden over. Het schrijven had ik met droge ogen gedaan, maar ik wist dat ik zou gaan huilen als ik de brief zou voorlezen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vond het zó kwetsbaar en zó ‘van mij’ dat ik mijn hulpverlener, na het voorlezen van de brief, niet aan durfde te kijken. Ik bleef dus maar een beetje naar de grond kijken en naar de brief in mijn trillende handen.

Mijn hulpverlener nam het woord: “Dankjewel. Dankjewel dat je mij ook een beetje hebt laten huilen. Je kunt prachtig schrijven.” Dat laatste vond ik fijn om te horen, want ik vond zelf eigenlijk ook dat ik wel een mooi stuk had geschreven. Maar dat eerste liet me volledig blokkeren. Ze moest huilen? Kon ze het dan niet aan? Was het te heftig? Vanaf dat moment voelde de behandelrelatie met deze hulpverlener niet veilig meer. Ik vond het eng dat ik haar geraakt had en was bang dat nog een keer te doen. Ik snap het heel goed, maar voor mij als cliënt voelde het heel onveilig. Zij zag het als verbinding. Ik niet. Ik vond het alleen maar heel erg eng. Ze vroeg me hoe ik dat dan met vrienden doe. Ja, die huilen soms ook om en met mij en dat vind ik prima, want dat zijn mijn vrienden en niet mijn hulpverleners.

Ik verdiepte me thuis eens in hoe het zit met huilende hulpverleners. Ik las dat er mensen zijn die het prima vinden als hulpverleners huilen in het bijzijn van hun cliënten. En nogmaals, ik snap het hélemaal als je af en toe moet huilen. Maar voor mij werkt het niet en voelt het heel, heel onveilig. De volgende dag las ik de brief nog eens voor, aan mijn andere psycholoog. Ik stelde deze keer wel een voorwaarde: “Niet gaan huilen.”

*Met de kennis van nu weet ik dat de angst voor een groot deel ook voortkomt uit mijn autisme, maar dat was toen nog niet bekend.

Boekenpraat: Mijn leven liep anders (Kelli Stuart)

Het verhaal
Dit boek speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog en vertelt het op feiten gebaseerde verhaal van vier mensen in Oekraïne.

Maria, een veertienjarig meisje uit Kiev, beleeft angstige momenten als de Duitsers haar stad bombarderen. Het duurt niet lang voor ze merkt dat de oorlog nog veel grotere gevolgen heeft. Ze wordt opgepakt en meegenomen om als dwangarbeider te werken in Duitsland. Wie kan ze vertrouwen? Kan ze ooit nog terug naar haar familie?

Ivan, de vader van Maria, staat aan de rand van een ravijn. In een poging een ander te redden, is hij zelf meegesleurd in de mensenmassa die gedood moet worden. Ivan overleeft, maar zijn leven is verwoest.

Luda, een pubermeisje, kent haar afkomst niet. Wie was haar moeder? Op haar vader kan ze in elk geval niet bouwen. Dan raakt ze zwanger van de vijand. Kan ze van haar kind houden? Hoe kan ze uit handen van de vijand blijven? En is de vijand wel altijd zo slecht als Luda denkt?

Frederick heeft al zijn hele leven één verlangen: Zijn vader behagen. Dat zal het beste lukken als hij de idealen van zijn vader, een vooraanstaand Nazi, nastreeft. Maar kan zijn vader ooit tevreden zijn met zijn zoon? En zijn die idealen van vader wel de idealen van Frederick?

Mening
Dit boek vond ik erg aangrijpend. Op een meeslepende manier wordt verteld hoe diverse mensen de oorlog in Oekraïne hebben beleefd. De verhalen zijn gebaseerd op waarheid en voelen ook niet als ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, maar als échte, aangrijpende verhalen.

Het boek vertelt de verhalen vanuit vier perspectieven, steeds in de ik-vorm. Boven elk hoofdstuk staat beschreven wie aan het woord is. De verschillende perspectieven zorgden er bij mij voor dat het een poosje duurde voor ik echt lekker in het boek zat. Ik wilde wel doorlezen, want ik wilde alle verhalen kennen, maar toch duurde het dus even voor ik iedereen echt goed kende. De verhalen van de vier hoofdpersonen raken elkaar ook slechts zijdelings, waardoor het boek eigenlijk een beetje leest als vier losse boeken.

Hoewel het boek dus wat mij betreft niet heel makkelijk las, vertelt het prachtige verhalen en dat zorgde ervoor dat ik het toch heel graag uit wilde lezen. Daar kreeg ik zeker geen spijt van.

Dit boek ook lezen?
Je vindt ‘Mijn leven liep anders’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Mijn leven liep anders
Auteur:
Kelli Stuart
Uitgeverij:
Den Hertog
Genre:
Oorlogsroman
Pagina’s:
427

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.