Boekenpraat: De bibliotheek

Stilte, de geur van boeken en eindeloze rijen vol verhalen. De bibliotheek is één van de plaatsen waar ik het vaakst kom. Dat heeft een lange, lange historie.

Al sinds ik kan lezen, verslind ik boeken. De oude boeken van mijn ouders en de exemplaren van de oudere kinderen in het gezin had ik al snel allemaal gelezen. Het werd dus tijd om mijn blik te verruimen en lid te worden van een bibliotheek.

Als kind was ik lid van een kleine bibliotheek in het dorp, die gerund werd door vrijwilligers uit één van de kerken. Bijna iedere vrijdagavond toog ik er samen met mijn moeder heen. Ik kon er uren rondlopen. Het rook er naar oude boeken. Ik vond het heerlijk (en ruik stiekem nog steeds aan ieder boek). De bibliotheek had een houten vloer. Je hoorde iedere stap die mensen zetten, maar juist dat maakte het voor mij zo stil. Dat was namelijk ongeveer het enige. Er mocht elke week een onbeperkte voorraad boeken mee en dat was voor mij ideaal.

Eenmaal thuis begon dan het echte feest. Het eerste boek ging gelijk open en het hele weekend bleef ik lezen. Maar ja, toen kwam al snel het moment dat ik door de voor mijn leeftijd geschikte boeken heen was. Ik las veel boeken voor wat oudere kinderen, maar soms kon ik toch echt even niks meer vinden.

Tijd dus voor een vervolgstap. Ik werd lid van de grote, openbare bibliotheek. Er ging een complete boekenwereld voor me open. Na een paar bezoekjes snapte ik dat ik op categorie kon zoeken en dat een letter op de rug aangaf voor welke leeftijd een boek geschikt was. Ik keek mijn ogen uit. Deze bibliotheek was groter en drukker. De écht fijne sfeer zoals ik die in die kleine bibliotheek vond, vond ik daar niet. Maar ik vond daar wel boeken en daar ging het uiteindelijk om.

Inmiddels zijn we minstens twintig jaar verder. Ik ben nog steeds lid van diezelfde grote bibliotheek. Ik lees graag series en ben daarom geen ‘zoeker’, maar reserveer alles, zodat ik zeker weet dat ik de serie op volgorde kan lezen. Als er dan een boek binnen is, haast ik me naar de bieb. Inmiddels is daar veel veranderd. De bibliotheek is behalve een mooie verzamelplaats voor boeken ook een ontmoetingsplaats geworden. Ik ontdekte dat er elke dag wel iets te doen is. Soms zitten er oude vrouwen met een handwerkje. Ze keuvelen gezellig in het dialect waarmee ik ben opgegroeid. Stiekem zou ik dan het liefst ergens tussen de rijen boeken gaan zitten en gewoon even luisteren. Soms zitten er mensen te knutselen of worden (oudere) mensen geholpen bij het gebruik van hun smartphone. Andere mensen lezen de krant of zijn in de bibliotheek met hun zzp-werkzaamheden bezig.

De stilte in de bibliotheek is er dus niet altijd meer, maar nu hoor ik daar het dialect dat me zo overbekend in de oren klinkt. Ik woon inmiddels ergens anders, maar bezoek nog steeds de bibliotheek in mijn geboorteplaats en vind het heerlijk om dat dan te horen. De geur van boeken is vervangen door de geur van koffie. Maar de eindeloze rijen met verhalen zijn gebleven. En dat blijft toch de voornaamste reden dat ik zo’n trouwe bezoeker van de bibliotheek ben.

Communiceren kun je leren?

Al eerder schreef ik een blog over de regeltjes in de GGZ. In deze blog gaat het verhaal verder.

Nadat bleek dat ik niet aan alle regeltjes voldeed, vroeg ik de instantie waar ik mijn laatste hoop op had gevestigd om contact op te nemen met de huisarts. Dat deden ze. Hij vertelde ze precies dezelfde dingen als ik. Hij legde uit dat ik een toneelschooldiploma op zak heb en dat het daarom wel líjkt alsof alles prima gaat, maar dat het er vanbinnen heel anders uitziet. En ik vond stiekem dat ik van iemand in de GGZ had kunnen verwachten dat ze daar rekening mee zouden houden.

Een week later ging de telefoon. Na contact met de huisarts en één van mijn vorige behandelaren, zag men in dat er wel degelijk sprake was van een behoorlijk probleem en dat er nu echt hulp nodig was. Er werd een voorstel gedaan voor groepstherapie. Ik schoot direct in dikke paniek. Het eerste voorstel was een individuele therapie geweest. Dat vond ik eng, maar ik had me voorgenomen daar helemaal voor te gaan. En nu kwam er ineens een groep om de hoek kijken? Ik had al gezegd dat ik een groep geen optie vond. Een groep voelt voor mij niet veilig. Ik zou grappen maken. De rest zou zich óf kostelijk vermaken met mij erbij óf zich vreselijk ergeren aan mij, maar zelf zou ik er niks aan hebben. Ik zou constant om de echte problemen heen blijven draaien. En omdat ik mijn toneelschooldiploma op zak heb, zou niemand dat merken. Dat heb ik bij een eerdere therapie ook al bewezen. Ik wist wat ik moest antwoorden op de vragen, gaf die antwoorden en ziezo, probleem opgelost. En ja, dat deed ik zelf, maar ik deed dat omdat er geen vertrouwen was. Vertrouwen is een kernwoord.

Na overleg met diverse hulpverleners besloot ik het gesprek over de groepsbehandeling aan te gaan. Ik zou uitleggen waarom ik denk dat ik niet in een groep behandeld kan worden. Daarna zouden we verder kijken.

Ik kreeg een telefoontje met een datum voor de intake.
Een dag later kwam de brief met de afspraakbevestiging. In de bijgevoegde folder was enkel informatie te vinden over een opname. Opnieuw paniek. Ik pakte direct de telefoon en vroeg of de intake zou gaan over opname of dagbehandeling in een groep. Het secretariaat wist het niet en begreep ook niet waarom ik daar zo’n punt van maakte. Ik legde uit dat ik niet zou komen als het een gesprek zou worden over opname. Dat viel niet helemaal lekker. Ik belde vervolgens maar even naar degene die de intake had gedaan en had gezegd dat het om een dagbehandeling ging. Die was vrij. In pure paniek greep ik toen de laatste strohalm, genaamd de huisarts. Daar adviseerden ze me om zelf nog een keer met de instelling te bellen. En daar kwam de aap uit de mouw: “Dat heeft geen zin. Wat ik zeg, geloven ze niet. Ze geloven het pas als de dokter het zegt, want ik ben gek.” Au, au, au. Dat deed pijn. Maar het was waar. Ik belde opnieuw de instelling en vroeg hen voor de komende intake contact op te nemen met de huisarts. Daar deden ze moeilijk over. Ik legde uit dat ik me niet serieus genomen voel en dat ik weet dat ze de huisarts wel serieus nemen. Ze zou het verzoek doorgeven.

En ik? Ik voelde me onbegrepen. Als je in de GGZ werkt, zou je toch moeten snappen dat iemand schrikt als er onaangekondigd ineens een folder over opname in de brievenbus ligt? En als iemand dan belt, kun je toch even aangeven waar de intake om gaat? Blijkbaar niet. Mijn vertrouwen in de instelling was nul. Inmiddels is het vertrouwen ver onder het nulpunt gezakt. Maar iemand moet me helpen, dus ik laat nog heel even met me sollen.

Disclaimer: Ik begrijp heel goed dat één en ander ook aan mij ligt en dat niet iedereen in paniek raakt van alleen een folder in de bus. Maar ik wil hiermee laten zien hoe het in mijn hoofd werkt.

De snooze-knop

De ochtenden zijn niet mijn ding. Ik ben het schoolvoorbeeld van een avondmens. ’s Morgens moet je mij vooral niets vragen of vertellen, want ik geef geen antwoord (ik deel liever een klap uit) en ik luister ook niet naar je.

Toch ging op werkdagen iedere keer weer die wekker. Ik was er geen vrienden mee. Meestal werd ik net voor de wekker begon te piepen wakker. Ik wierp een blik op de tijd en zag dan dat het moeilijkste moment van de dag, namelijk de stap het bed uit, bijna aanbrak.

Dan klonk het gepiep. Vol overtuiging duwde ik op de snooze-knop. Vier minuten later klonk weer gepiep. Hetzelfde gebaar. Dit herhaalde zich een paar keer, gemiddeld een uur lang. Ik had dan ook een groot probleem toen ik een nieuwe wekker kocht die na een half uur gewoon stopte. Ik versliep me hopeloos. Want laat ik vooropstellen dat snoozen bij mij gewoon slapen betekent en niet iets tussen slapen en waken in. Die vier minuten tussen het gepiep door slaap ik echt weer. Nu mijn wekker me na een half uur in de steek begon te laten, moest ik iets anders verzinnen. Behalve de wekker op mijn nachtkastje zette ik vanaf dat moment dus ook een wekker op mijn telefoon. Verstandig als ik ben, stelde ik die in op maximaal drie keer snoozen met tussenpozen van vijf minuten. En die wekker op de telefoon begon als de wekker op het nachtkastje stopte. Als mijn telefoon ging, wist ik dus dat het snoozen bijna voorbij was en ik echt de stap uit bed moest gaan wagen.

Zo ging het jaren. Maar nu dus niet meer.
Ja, ik zet nog steeds twee wekkers, maar dat komt omdat die ene op het nachtkastje op sommige tijden ineens niet meer piept. Mijn telefoon wekt me dan alsnog.

Waarom ik dan niet meer minstens een uur lekker lig te snoozen? Dat is de schuld van één van mijn vroegere huisartsen. Jaren geleden vertelde ik hoe moe ik was. Ik legde haar uit dat ik echt met geen mogelijkheid mijn bed uit kon komen. “Ik lig gewoon een uur te snoozen. Minstens.” Ik dacht daarmee uit te leggen hoe ‘ernstig’ het was. Ze luisterde. Mijn bloedwaarden verklaarden ook wel iets van de vermoeidheid, maar lang niet alles. Ik ging met een recept de deur uit, om die bloedwaarden weer wat op te krikken.
Maar toen, bij de deur, zei ze nog wat: “Als je zo moe bent, zou ik gewoon m’n wekker een uur later zetten. Dat is beter voor je dan een uur snoozen.” Ik vond dat grappig, maar ik geloofde haar niet. Ik deed het dan ook niet.

Pas jaren later nam ik haar advies ter harte. De wekker ging later en ik stond mezelf nog hooguit drie keer snoozen toe. Ik moest haar gelijk geven. Snoozen is fijn, maar gewoon je wekker een uur later zetten, werkt eigenlijk vele malen beter en maakt de stap uit bed een stuk minder dramatisch!

Het ‘gemiddelde’ kind

Ergens diep in mij klopt al mijn hele leven een onderwijskundig hart. Ik heb hart voor het onderwijs. Na jaren ervaring te hebben opgedaan ‘op de werkvloer’, schrijf ik er graag over.

In iedere klas zit een enorme diversiteit aan kinderen. De één vraagt wat meer aandacht dan de ander en daar is helemaal niets mis mee. Als leerkracht is het de bedoeling dat je daar steeds zo goed mogelijk op in weet te spelen.

Er is bijvoorbeeld leerling één. Het kind scoort laag, is gelukkig nog wel gemotiveerd, maar heeft qua leren veel extra begeleiding nodig. Die begeleiding geef je. Dat doe je zelf of laat je doen door de onderwijsassistente. Terwijl je geduldig de lesstof uitlegt, maak je eens een grapje met de leerling en vraag je hoe het weekend was. Zo leer je die leerling steeds beter kennen. Dat is fijn, want als je een band met een kind hebt, werkt dat makkelijker. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling twee. Leerling twee scoort gemiddeld, maar heeft moeite met impulsbeheersing. Je wilt het kind leren dat het eerst een vinger op moet steken, voor het begint te praten. Omdat dit een nogal zware les blijkt te zijn, besluit je een beloningssysteem in te zetten. Je bespreekt met het kind wat het graag als beloning zou willen hebben. Bij de één zal dat een stickerkaart zijn, bij de volgende even vijf minuten een spelletje, enz. Langzaam werk je zo aan verbetering. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling drie. Leerling drie scoort bovengemiddeld. Omdat je weet dat het belangrijk is dat alle leerlingen voldoende uitgedaagd worden, ga je eens met dit kind, de ouders en je intern begeleider in gesprek om te kijken of er wellicht meer uitdaging nodig is. Vervolgens neem je dit kind apart en neemt de extra uitdaging door. Tijdens dat momentje heb je ook mooi even de tijd om het kind wat beter te leren kennen. Jij blij, kind blij.

En dan is er leerling vier. Deze leerling scoort gemiddeld, heeft een goede concentratie, geen enkel probleem met jouw gezag, ligt goed in de groep en vraagt nooit om extra aandacht. Juist dít kind zijn we in het onderwijs wel eens geneigd te vergeten. Soms zeggen we tegen elkaar: “Daar zou ik een klas vol van kunnen hebben. Echt, die is toch zó makkelijk!” Ik vind dat een gevaarlijke uitspraak. Ja, het is prima dat leerling één, twee en drie de extra aandacht krijgen die ze nodig hebben en die ze waard zijn. Dat is zelfs noodzakelijk. Maar kijken we ook naar het ‘gemiddelde’ kind? Kijken we ook naar leerling vier? Leerling vier praat nooit voor zijn of haar beurt, maar je beloont dit kind er ook nooit voor. Ondertussen zit een ander een spelletje te doen voor dezelfde prestatie en dat ontgaat leerling vier echt niet. Leerling vier heeft nooit extra uitleg nodig, maar mist daarmee ook het momentje van even één op één met de leerkracht of onderwijsassistent. Juist deze leerling moet je dus soms even weer in je blikveld zetten. Zodat dit kind weet: Jij hoort hier ook. Ik zie jou. Je mag hier zijn. Ik wil jou in deze groep. Ik hou van jou. Jij blij, kind blij.

Boekenpraat: Ik zal de laatste zijn (Nadia Murad)

Van lezen komt mijn altijd actieve hoofd tot rust. Niet mijn eigen woorden, maar die van een ander staan dan even centraal. Ik geef vervolgens in mijn eigen woorden mijn mening over wat ik heb gelezen.

Het verhaal
Nadia groeit als jezidi-meisje op in Kocho, een klein dorpje in Irak. Ze leeft daar in een hechte gemeenschap en maakt deel uit van een grote familie. Iedereen kent iedereen en er is altijd wat te doen.

Dan valt ISIS binnen. Nadia beschrijft in het boek hoe haar leven vanaf dat moment verandert. Ze beschrijft hoe het dorp wordt uitgemoord en hoe de vrouwen en meisjes slachtoffer worden van ISIS. Nadia wordt in eerste instantie verkocht aan een vooraanstaand man. Ze is zijn seksslavin en wil er alles aan doen om te ontsnappen. Maar wat dan? Haar eigenaar dreigt dat er dan iets vreselijks zal gebeuren. Toch vraagt Nadia zich af of het erger kan dan wat ze nu meemaakt. Zal hij haar dan doden? Hij blijkt een andere straf voor haar in petto te hebben. Voor Nadia lijkt de dood een uitkomst. Ze beschrijft in dit boek haar innerlijke strijd tussen enerzijds het verlangen om zo snel mogelijk te sterven, zodat ze uit haar lijden verlost wordt en anderzijds de wens om te overleven en een beter leven op te bouwen.

Nadia weet op een bizarre manier uit de klauwen van ISIS te ontsnappen. Maar is er dan nog wel een leven? Zal haar eigen jezidi-gemeenschap haar nog toelaten na alles wat ze heeft meegemaakt? En waar is ze nog veilig? Wie kan ze haar verhaal vertellen? Kán ze haar verhaal eigenlijk wel vertellen?

Mening
Nadia Murad beschrijft in dit autobiografische boek hoe haar leven is verlopen. Ze neemt de lezer mee in de gruwelijkheden die haar zijn overkomen tijdens haar gevangenschap. De gebeurtenissen tussen haar gevangenneming en haar ontsnapping vinden plaats in een paar weken, maar er gebeurt zóveel dat het voelt alsof het boek over jaren gaat.

Het boek bestaat uit drie delen. Het eerste deel beschrijft de jeugd van Nadia in Kocho. Dit deel vond ik wat lastig lezen. Het was een opeenstapeling van feiten en dat maakte het soms wat langdradig.

Vanaf deel twee werd ik gegrepen en kon ik niet meer stoppen met lezen. Deel twee beschrijft de periode waarin Nadia als seksslavin bij ISIS leefde. In deel drie beschrijft ze wat er is gebeurd nadat ze wist te ontsnappen.

Het enige minpuntje is dat veel woorden niet vertaald zijn, dus die moeten even opgezocht worden om het begin van het boek goed te begrijpen (zeker als je net als ik niet een heel erg trouwe volger van het nieuws bent). Dat neemt niet weg dat ik dit boek een aanrader vind. Het geeft een verdrietig, realistisch beeld van de oorlog in Irak en Syrië en de rol van ISIS. En hoewel ik dit boek een aanrader vind, hoopt Nadia dat zij de laatste zal zijn die zo’n verhaal moet vertellen en zo’n boek moet schrijven.

Ode aan de doktersassistente

Mijn hypochondrie heeft met grote regelmaat een beetje geruststelling van de huisarts nodig. Ik ben dan ook een trouwe bezoeker van de huisartsenpraktijk. Bellen doe ik liever niet, want in mijn beleving sta ik in de telefoon als ‘Mevrouw De Hypochonder’. Als ik bel, ben ik altijd bang dat ze denken: O, die weer. Wat nu weer? Die gaan we niet inplannen, want die stelt zich toch aan.

Omdat ik een veel geziene gast ben in de huisartsenpraktijk, ben ik inmiddels ook voor de doktersassistente een bekende. Vandaag breng ik een ode aan haar*.

De doktersassistente is de vrouw die de hele dag met veel geduld de telefoon opneemt. Ze beoordeelt de ernst van de klachten aan de andere kant van de lijn en plant de beller in voor het spreekuur. Tussendoor verwijdert ze wat hechtingen, stuurt dossiers door, werkt de administratie bij, maakt een uitstrijkje, stipt wratten aan en spuit wat oren uit.

En dan, tussen alle telefoontjes en andere taken door, sta ik weer voor haar balie. Ik huil, want ik ben net bij de huisarts geweest en had een nogal heftig gesprek. Ze doet niet moeilijk. Het is eigenlijk al pauze, maar ze neemt de tijd en maakt een vervolgafspraak voor me. Ze maakt een lange afspraak, want ze weet inmiddels dat ik dat nodig heb, zonder dat ik dat nog hoef te vragen. Erom vragen vind ik niet fijn en dus ben ik haar in stilte dankbaar. Ze wenst me sterkte en knikt me ten afscheid vriendelijk toe. Vriendelijke mensen zijn trouwens ook een beetje eng, want daar moet ik van huilen.

Soms durf ik, ondanks dat ik denk dat ze daar van alles van vindt, de doktersassistente te bellen. Op een dag ontdekte de hypochonder dat ik dood zou gaan. Ik had dus een dokter nodig, liefst die dag nog. Ik repeteerde wat ik zou zeggen en pakte de telefoon. Aan de andere kant van de lijn werd me gevraagd of ik die afspraak vandaag nog wilde. “Dat zou wel fijn zijn, maar ik denk dat dat niet kan?” Dat zou inderdaad lastig worden en ze zocht een plekje voor me wat later in de week. Ze vroeg me wat er aan de hand was. “O, paniek. Gaat wel weer over.” Ik had mezelf onder controle. Maar toen werd ze heel vriendelijk: “Ja, je weet dat dat weer over gaat, maar dat kan ook heel heftig zijn, dus als het niet lukt, moet je vandaag nog een keer bellen.” Snikkend door al dat lieve begrip hing ik op. Ik droogde mijn tranen en ging naar mijn werk. Alleen al haar begrip had voor rust gezorgd.

Ik belde ook een keer nét voor het weekend. De paniek kreeg de overhand en de hypochonder was druk. Ik twijfelde of ik wel of niet zou bellen. Als ik bel, wat denken ze dan van me? Als ik niet bel, wordt het dan een paniekweekend? Ik besloot de gok te wagen. Met trillende handen belde ik. Ik legde de assistente mijn probleem voor. Paniek, waarschijnlijk niks ergs, maar wel iets waarvan ik het eng vond om er het weekend mee in te gaan. Ik dacht natuurlijk dat ze zou zeggen dat ik me niet aan moest stellen en dat het wel over zou gaan. Maar ze luisterde, bleef rustig, legde uit dat mijn vaste huisarts vrij was, maar dat ik bij een andere arts ingepland kon worden. Ik was haar diep dankbaar. Toen vroeg ze nog iets engs: “Lukt het om die twee uurtjes nog te wachten?” Ja, dat kon ik. En dat was vriendelijk, dus de tranen begonnen al te branden.
Ik ging naar de huisarts. Na vijf minuten stond ik, gepijnigd en gerustgesteld, weer buiten. Toen ik langs de assistente liep, knikte ze me vriendelijk toe. En ik haar. Dankjewel, betekende dat. Dankjewel dat je altijd zoveel geduld hebt, nooit zegt dat ik zeur en altijd probeert om als ik dat nodig heb een plekje voor me te vinden op het spreekuur.

*Voor zover ik weet, leest ze niet mee, maar laat dit dan een ode aan de doktersassistente in het algemeen zijn. Wie de schoen past…En voor mij wel zo veilig en anoniem als ze niet reageert.

Schone ramen

Hoewel ik dol ben op gezeemde ramen, vind ik het zemen zelf een periodiek terugkerende kwelling. Ik stel het graag uit, maar als ik vakantie heb, vind ik altijd wel dat ik mezelf er even toe moet zetten.

Om te beginnen houd ik dan het weerbericht goed in de gaten. Ik kan de regen wel uit de lucht kijken, want als het regent, hoef ik de ramen niet te zemen. In ieder geval niet aan de buitenkant. En de binnenkant wordt niet vies, toch? Helaas toch wel.

Op een dag komt er dan toch dat moment dat de zon op de ramen staat. Ik zie hoe de regendruppels en het vuil van een aantal weken zich verzameld hebben. Het zou bijna jammer worden dat de zon schijnt. De huishoudontwijkende stem in me vindt dan: Ach joh, niemand ziet of die druppels van gisteren of van vorige week of vorige maand zijn. Dus eh…je kunt nog best een dagje wachten. Soms geef ik aan die stem toe.

Heel, heel soms schijnt de zon zo fel dat ik bijna zin krijg om de ramen te zemen. Hoewel dat bijna zorgelijk is, is dat wel een gevoel waar ik gebruik van moet maken. Ik haast me naar buiten en begin te zemen. Na afloop (en vooruit, tussendoor ook een keer) gooi ik tevreden mijn emmertje met zwart geworden water leeg. Ik heb nooit het gevoel dat ik de ramen voor niks heb gezeemd. Het is altijd wel écht nodig. Maar weet je wat? Die ramen leken vies toch ook echt heel gelukkig. Dat gun ik ze gewoon weer, dus de volgende keer stel ik het lekker weer uit.

En dan…dan is daar heel even dat moment dat ik met een gevoel van trots en voldoening door mijn blinkende ramen kan kijken. Toch wel lekker, die schone ramen. En jaja, dat vuil dat nu nog zichtbaar is, is dus echt wel van de overburen en niet van mij. Maar ik ben nooit de enige die geniet van mijn schone ramen.

Als ik mijn ramen zeem, gebeurt er volgens mij in de lucht ook wat. Moeder De Gans wordt wakker. Ze roept haar man, haar kroost, de rest van de familie en alle vrienden: ‘Naomi heeft de ramen gezeemd! Joehoe! Kom! Allemaal verzamelen, wie het eerst is en wie het meest kwijt kan op één raam!’
En daar komen ze dan. De complete familie Gans. Ze laten hun groene uitwerpselen achter op mijn net zo zorgvuldig, na veel uitstelgedrag, gezeemde ramen. En ik? Ik hoop maar weer op regen. Om dat groen te verwijderen én om een smoes te hebben om niet weer te hoeven zemen.

Weekendhoofd

De meeste mensen kijken steeds weer uit naar het weekend. Ik ook, maar de laatste jaren vond ik weekend wat lastig. De week vol werk, angsten en gedachten putte me zó uit, dat ik in het weekend sliep en op de bank hing. Mijn hoofd draaide in zo’n weekend dan overuren. Ik nam de week nog een keer helemaal door, bereidde me voor op de week die komen ging, maakte me vooral heel veel zorgen over de komende week en bovendien had de hypochonder in me ook altijd volop aandacht nodig in het weekend. Leuke dingen doen zat er even niet meer in.

Al die dingen maken dat het weekend voor mij heel lang een strijd is geweest en dat soms nog steeds is. Mijn weekendhoofd is duf en draait tegelijk overuren.

Het kan ook anders! Mijn altijd overuren draaiende hoofd werd op een zaterdag wakker en had besloten ook mee te doen met het fenomeen weekend en vrij zijn. Het begon al bij het wakker worden. Ik had de héle nacht geslapen (waar vind je het nog?) en had ’s morgens een gevoel dat heel dicht in de buurt kwam van uitgerust zijn. Dat gevoel had ik ook al in tijden niet gehad. Ik had een rare week achter de rug, met veel spanning over of een therapie wel of niet door zou gaan en met veel emoties. De tranen hadden rijkelijk gevloeid en die putten me altijd uit. Ik had dus gerekend op een pittig weekend. Het liep heerlijk anders!  

Die bewuste zaterdag werd ik wakker met het idee dat ik uit bed wilde. Ik wilde iets dóen, iets ondernemen. Ook dat gevoel ontbreekt vaak. Er was nog een gevoel dat vaak afwezig is: Ik had zin om andere mensen te zien, iets af te spreken. Dat deed ik dus ook snel, voor dat gevoel weer zou verdwijnen. De zeurende hoofdpijn, die me al dagen kwelde, was verdwenen.
Ik had spierpijn, maar de hypochonder had er maar zó kort een mening over, dat ik daar niet eens aandacht aan besteedde. De zon scheen. Ik wilde naar buiten. Ik betrapte mezelf erop dat ik in huis liep te zingen. Dat deed ik vroeger bijna altijd, maar had ik al heel lang niet gedaan.

Zo wilde ik iedere week wel een weekendhoofd hebben!
Een heel klein angstig stemmetje riep: Je weet dat dit binnen een uur of een dag anders kan voelen? Dat weet ik. En dat is júist waarom ik er zo van geniet. Dit goede uurtje, deze goede ochtend had ik te pakken. Na een poosje begon de vermoeidheid weer om aandacht te vragen. Maar het gaf niet. Ik had gezien hoe het ook kan. En er hing een belofte in van meer goede uren en dagen. Ik kan niet wachten!

Boekenpraat: Naar bed, naar bed (M.J. Arlidge)

Van lezen komt mijn altijd actieve hoofd tot rust. Niet mijn eigen woorden, maar die van een ander staan dan even centraal. Ik geef vervolgens in mijn eigen woorden mijn mening over wat ik heb gelezen.

Het verhaal
Inspecteur Helen Grace wordt geconfronteerd met de moord op een oude bekende. Ze wil er alles aan doen om de dader te pakken en moet en zal zorgen voor gerechtigheid. Maar dan valt er een tweede slachtoffer. Opnieuw is het iemand die ze heeft gekend. Heeft dit iets met haar te maken? Moet ze haar leidinggevende opbiechten dat ze een verband ziet tussen de slachtoffers en dat zij dat verband lijkt te zijn? Moet ze zelf op onderzoek uit? Het is voor Helen een bijna onmogelijke keuze. Wie kan ze vertrouwen? Wat gebeurt er met de informatie die ze kan geven? “Alles wat jij aanraakt, gaat dood.”

Ondertussen doen de collega’s van Helen er ook alles aan om de moorden op te lossen. Maar zitten ze op het juiste spoor? Wie kunnen zíj eigenlijk nog vertrouwen?

Mening
Ik weet niet wat het is met de boeken over Helen Grace, maar het duurt altijd even voor ik er lekker in zit. Ze worden geschreven vanuit vele perspectieven en dat is ook in dit vijfde deel het geval. Toch, als ik de start eenmaal heb gemaakt en de perspectieven ken, kan ik niet meer stoppen met lezen. In dit vijfde deel wist Arlidge me opnieuw mee te nemen in de gedachtewereld van Helen Grace en de verschillende andere personages. En toch wist Arlidge het ook weer voor elkaar te krijgen om pas ergens op de laatste bladzijden een vastomlijnd idee te hebben van wie de dader zou kunnen zijn. Zelfs toen twijfelde ik nog, tot bijna de laatste bladzijde.

Helen vind ik een intrigerend personage. Ze weet me de hele serie al te boeien. Soms vind ik het jammer dat alles meer dan nodig lijkt om haar blijft draaien, maar dat maakt voor mij tegelijk deze boeken zo boeiend.

Serie
Het gebeurde al eerder in de serie, maar zeker in dit vijfde deel komt veel terug uit eerdere delen. Ik zou dus aanraden om de boeken op volgorde te lezen en om niet een wat recenter deel als eerste te lezen. Dat zou maken dat veel dingen niet goed te begrijpen zijn.


“Wat gaat er allemaal door je heen?”

Als een hulpverlener me een vraag stelt die me raakt, klap ik dicht. Ik ben dan bang dat ik moet huilen of dat het allemaal veel te dichtbij komt. Meestal is dat niet zo zichtbaar. Ik maak eens een grapje, ik draai er een beetje omheen en dat is het wel. Alleen wie me echt goed kent, weet dat er dan raak is geschoten. Hoe harder de grap, hoe erger het is.

Soms klap ik wel zichtbaar dicht. Ik trek me terug en weet niet meer wat ik moet zeggen. In zo’n geval schieten mijn ogen vaak al vol tranen.

Ik weet inmiddels wat mensen leren in hun opleiding. Als je ziet dat iemand gaat huilen, moet je blijkbaar vragen: “Wat gaat er allemaal door je heen?” Wat er door me heen gaat? Bloed, zuurstof, water, bloedlichaampjes, het eten van vanmorgen en vast nog veel meer. Maar dat is dan natuurlijk weer niet wat ze willen horen.

Meestal kan ik niet benoemen wat me zo heeft geraakt. Ik antwoord dan ook vaak: “Geen idee.” De meeste hulpverleners nemen met dat antwoord geen genoegen. Als je me even laat bijkomen van het idee dat je dwars door mijn muur heen hebt geprikt, begin ik daarna meestal wel te praten. Maar het kan ook anders. Ik deed een therapie waarbij het voelen vanuit mijn lichaam centraal stond. Als ik dan op slot schoot, kwam eerst de vraag der vragen: “Wat gaat er nu allemaal door je heen?” Op dat moment schoot ik alleen maar nóg harder op slot. Niks. Nu niet meer. Dan gingen we verder. “Zet je voeten maar naast elkaar op de grond. Wat voel je nu?” Ik voel niks. En eerlijk? Alleen al dat braaf gehoorzamen door mijn voeten naast elkaar op de grond te zetten, kostte me moeite. Ik voel niks! Ik wil niks voelen. Houd op! Laat me mezelf herpakken! Herpakken is dus net niet wat hulpverleners willen. Die willen zien wat er echt in je leeft, maar dat is precies wat ik het moeilijkst vind om te laten zien.
We gingen dan nog even verder. “Scan je lichaam maar. Voel je je voeten? Je benen? Je buik?” Ik vond dat vreselijk. Ik voelde van alles. Verdriet, tranen, angst, paniek. Ik voelde heus wel dat ik voeten had, maar niet bewust. Omdat ik zo’n ontzettende hekel aan die vragen had, antwoordde ik altijd braaf dat ik alles voelde, zodat we zo snel mogelijk de sessie weer op zouden pakken. In mij ging dan de paniek verder. Want wat ging er allemaal door me heen? Veel. Heel, heel, veel te veel. De vraag stellen vind ik stom, maar ik snap dat hij gesteld moet worden. Me dwingen antwoord te geven vind ik niet zo’n goed idee. Het zal vast voor iedereen anders zijn, maar voor mij werkt het het beste om me even rustig te laten nadenken over die vraag. Ik kan dan eerst voor mezelf op een rijtje krijgen wat er eigenlijk allemaal door me heen gaat, behalve bloed, zuurstof en dat soort dingen en geef dan na een poosje vanzelf antwoord. Maar wél als ik mezelf weer onder controle heb.