Zwemmend rijk worden

Je wordt slapend rijk of je zwemt in het geld, zeg je meestal. In het onderwijs kun je echter zwemmend rijk worden. Dat bedacht ik niet zelf, maar daar wees een leerling me een keer fijntjes op.

The loser takes it all
Eén van de banken organiseerde ieder jaar een wedstrijd tussen verschillende scholen in de regio. Tijdens die wedstrijd moesten de kinderen zo snel mogelijk vragen beantwoorden en zo een kluis kraken. De winnaars kregen later die week een prijs bezorgd. Dat maakten we wel eens mee. We aten een keer een enorme taart met z’n allen en genoten ervan. Soms wonnen we niet of voerden we zelfs een fout antwoord in. Dat was geen probleem, want meedoen was sowieso belangrijker dan winnen én…alle deelnemende klassen kregen sowieso een dag zwemmen cadeau in een zwembad in de buurt.

Behalve dat de kinderen genoten van de dag vragen beantwoorden, verheugden ze zich altijd vooral op het dagje zwemmen dat hen in het vooruitzicht werd gesteld. Dat wilden ze het liefst op een dag dat het mooi weer was. Maar ja, dat hadden we niet voor het zeggen, want het zwembad moest minstens een week voor onze komst worden ingelicht (in verband met de aanwezigheid van voldoende ‘badwachten’). Buienrader kon wel wát zeggen, maar ook niet alles.

Zwemmend rijk worden
Het was weer zover. We hadden mazzel. Ons bezoekje aan het zwembad viel samen met tropische temperaturen. Waar we dus eigenlijk het lokaal uit hadden moeten zweten, vertrokken wij ’s morgens al vrij vroeg naar het zwembad. We zouden er de hele verdere schooldag blijven.

Ik had een heerlijk groepje. Iedereen was lief voor iedereen en ze vermaakten zichzelf. Mijn rol die dag was om af en toe even koppen te tellen en om ervoor te zorgen dat ze tussen de middag eten zouden krijgen. Dat was alles.

Eerst liep ik even door het zwembad. De kinderen waren vooral lekker bezig in het buitenbad, maar ook binnen vond ik nog wat van mijn leerlingen. Ik wisselde dus zelf een beetje tussen binnen en buiten. Even een bommetje met z’n allen van de zwembadrand, een wedstrijdje tussen de juf en een leerling, wat kunsten onder water, enz. Omdat ze zichzelf ook zonder mij heel goed konden vermaken, trok ik me op een gegeven moment even terug. Heerlijk buiten even in het bubbelbad, terwijl de zon op mijn huid brandde. Beter kon het niet.

Af en toe kwam er even een leerling bij me kletsen, gewoon over koetjes en kalfjes. De meeste leerlingen vroegen zich af of we dit niet vaker konden doen. Wat mij betreft kon dat, maar de inspectie zou daar vast een andere mening over hebben. En toen kwam er iemand die er goed over had nagedacht. “Hé juf,” vroeg deze leerling zich af, “krijgt u hier nou gewoon geld voor, om een beetje in de zon in het bubbelbad te liggen?” Ik moest echt heel hard lachen. Ja, ik kreeg daar gewoon geld voor, voor een middagje zonnebaden in het bubbelbad. Zwaar leven joh, dat onderwijs.

Keuzestress

Er stond een week in mijn agenda met vier dagen achter elkaar één of meerdere afspraken. Dat was voor mijn doen een beetje veel, want dat kan ik op dit moment niet overzien. Maar ja, ik kon toch niets afzeggen? Of kon ik dat wel?

Plannen
Ik ben een enorme structuurjunk. Ik ga het allerbeste op een strakke planning, waarbij er ruim voldoende tijd is ‘ingepland’ voor boeken lezen, kleuren, handletteren en dat soort dingen.

In het verleden is het me regelmatig verboden om lijstjes te maken. Tegenwoordig, met de diagnose autisme op zak, begrijpt iedereen dat lijstjes voor mij wel handig zijn en dus zijn ze nu ‘legaal’ en daar maak ik gebruik van. Ik plan bijna alles in. Van douchen tot koken tot slapen. Ik plan het niet op tijd, maar wel op volgorde en dat bevalt me goed.

In de week die kwam, zag ik veel dagen met energievretende afspraken. Soms ook dagen met twee of meer van die afspraken. Dat kon niet goed gaan, maar ik zag ook niet in waar ik kon schrappen.

Energieslurpers
Eén van de energievretende afspraken in die week was een gesprek met de huisarts. Hij vond zelf dat hij mijn energievoorraad voor vijftig procent leeg zat te halen, maar ik maakte daar negentig van. Dat vond hij een hele eer.

Ik had natuurlijk die afspraak met de huisarts af kunnen zeggen, want ja, zo’n afspraak kost bakken energie, maar ik had ‘m ook nodig. Er moest weer even wat rust worden aangebracht in de chaos in mijn hoofd. Verder stond er die week, verdeeld over vier dagen, op de planning:
– Ontmoeting met bevriende collega’s.
– Bedrijfsarts.
– Fysiotherapeut.
– Lunch bij mijn moeder.
– Psycholoog.
– Verjaardag van een familielid.

Ik zat de huisarts te vertellen dat overprikkeling mijn grootste probleem is en dat ik nog steeds de week soms niet kan overzien, zelfs niet met zo weinig afspraken als dit. Hij kon zo even opnoemen hoeveel energie al die afspraken slurpten.

Ik kan niet kiezen
Om ervoor te zorgen dat ik de week goed door zou komen, moest ik keuzes maken, vond de huisarts. Dat was ik wel met hem eens, maar ik zag niet in hoe ik dat kon doen. “Ik ga echt die verjaardag niet afzeggen. Die jarige betekent veel voor me.” Dat kon allemaal wel zijn, maar de verjaardag stond die avond gepland en hij zat dus mijn energievoorraad al leeg te trekken. Ik moest dan aan het begin van de avond nog maar even rusten en daarna naar die verjaardag en niet te lang blijven. Niet te lang blijven was ook mijn plan, maar daar ben ik meestal niet zo goed in. Het mag dan energie vreten, gezellig is het namelijk ook…

Ik begon uit te leggen dat ik vond dat er niet echt keuzes vielen te maken. “De arbo kost het meeste angst en energie, maar ja, die kan ik niet echt afzeggen, hè?” Dat kon inderdaad niet. Ik moest verstandige, slimme keuzes maken. “Nou, die lunch bij m’n moeder was ook belangrijk voor me. Ga ik toch niet afzeggen?” Bovendien was die lunch toen al achter de rug. Ik was ‘maar’ twee uur geweest, vond ik. Hij vond dat érg lang. “Twéé uur met prikkels en een beetje vrolijk zitten doen. Dat vreet energie.” O, oké dan. De afspraak met mijn psycholoog zou ik dan wel afzeggen, maar dat was uiteraard ook een heel slecht plan. Ik zag zijn haren spontaan grijs worden en de rimpels in zijn voorhoofd schieten. Ik was namelijk weer een partij eigenwijs aan het doen.

Uiteindelijk vond ik dat hij beter door kon gaan naar het volgende punt op mijn lijstje (jep, structuurjunk, ik maak lijstjes als ik naar de huisarts ga). Dat deed hij, maar hij kon het toch niet laten: “Ik heb er genoeg over gezegd, denk ik. Volgens mij is het punt duidelijk.” Het punt was zeker duidelijk. Ik luister ook heus wel en heb al vaker op zijn aanraden afspraken laten schieten. Maar ik vind het zó moeilijk om voor mijn idee ‘op halve kracht’ of eigenlijk nog veel minder te leven. Die avond lag ik dus eerst een poos op de bank. Daarna ging ik naar de verjaardag en keurig op tijd lag ik weer in bed. Ik leer het wel hoor, maar ik weet nog niet of ik het ook leuk vind. In ieder geval was ik blij dat de week die volgde een stuk rustiger was, zodat ik geen keuzestress hoefde te hebben.

“Ben je gek?”

Sommige mensen hebben de gewoonte om af en toe te roepen: “Ben jíj gek?” Echt serieus is die retorische vraag nooit. De laatste paar maanden vind ik het echter grappig om op die vraag te reageren. Als een goede bekende roept: “Ben je gek ofzo?” antwoord ik heel geduldig, gevat en grappig bedoeld: “Ja, dat klopt, daar word ik al een poosje voor behandeld.”

Helemaal normaal ben ik niet
Ondanks dat ik er nu grapjes over maak, is de vraag of ik wel helemaal normaal ben er één die heel lang door mijn hoofd heeft gespookt. Ik voelde me altijd al wel wat anders dan een ander, maar de laatste jaren werd dat echt een probleem. Ik heb het zelf ook honderd keer (maar dan wél serieus bedoeld) tegen hulpverleners geroepen: “Ik ben toch niet gek?!”

Na mijn diagnose autisme begreep ik dat ik inderdaad niet gek ben, maar wel een beetje anders. Niet dat ik denk dat er een ‘normaal’ bestaat, maar toch. Opeens kon ik mijn denkwijze en mijn snelle overprikkeling begrijpen. Ik stopte met het veroordelen ervan en begon een weg te zoeken om ermee te leren leven.

Niet gek, wel autistisch
Na mijn diagnose vielen honderden puzzelstukjes op hun plaats. Ik wist vanuit mijn onderwijskundige achtergrond behoorlijk wat over autisme, maar over autisme bij vrouwen wist ik vrijwel niets. Ik wilde erover lezen, maar stelde dat op de één of andere manier toch uit.

Een poosje geleden was ik toe aan het eerste informatieve boek over autisme. Ik had al wel de roman ‘Zondagskind’ van Judith Visser gelezen, over opgroeien met autisme, maar nu wilde ik informatie. Ik las daarom ‘Niet ongevoelig’ van Henny Struik. Vanaf de eerste bladzijde kon ik wel huilen van herkenning. Dit ging over mij. Ik ben dus niet de enige die tegen problemen als de mijne aanloopt. Ik zou het boek niet kunnen samenvatten, want ik zou alles wel op willen schrijven.

Wat herkenning doet
Omdat een samenvatting niet lukt, besloot ik iets te schrijven over wat (h)erkenning met mij doet.

Na het overlijden van mijn vader hebben heel veel mensen geprobeerd me in contact te brengen met ‘lotgenoten’. Ten eerste had ik al een hekel aan dat woord en ten tweede heb ik daar nooit behoefte aan gehad. Ik had mijn verdriet, een ander had zijn of haar verdriet, maar ik had geen enkele behoefte om dat met elkaar te delen. Bovendien was ik bang dat het verdriet van de ander ook mijn verdriet zou worden. En ook niet onbelangrijk: Mijn eigen rouw was van mij. Ik zocht die herkenning niet.

Gek genoeg doe ik dat bij autisme dus wel. Het helpt me om mezelf te accepteren als ik lees dat anderen ook:

  • doodmoe zijn;
  • middagdutjes doen;
  • heel gewoon over kunnen komen tijdens een afspraak, maar daarna bekaf zijn;
  • overprikkeld kunnen raken van iets waar ze wel plezier aan beleven;
  • alle gesprekken in een kamer opvangen op feestjes;
  • altijd bezig zijn met hun werk, ook thuis;
  • soms denken dat ze hun autisme ‘onder controle’ hebben, maar er dan weer keihard mee geconfronteerd worden;
  • zichzelf in een moeilijk gesprek af en toe moeten vertellen dat het tijd is om de ander weer aan te kijken.

Je leven vormgeven
In het slot van het boek beschrijft Henny Struik dat het moeilijk kan zijn om je leven opnieuw vorm te geven na de diagnose autisme en dat dat voornamelijk zo is voor mensen die oververmoeid zijn geraakt. Die mensen weten heel goed dat het anders moet, maar weten niet hoe. Ik ben één van die oververmoeide mensen. Na bijna een jaar thuis ben ik nog steeds overprikkeld en oververmoeid. Ik weet dat het anders moet en toch trap ik er steeds weer in. Verjaardag? Ik kom. Ik weet dat ik maar even moet gaan als ik moe ben, maar ik blijf toch hangen, want ja, zo ‘hoort’ dat toch?

Het vormgeven van mijn leven en de toekomst vind ik op dit moment het moeilijkst.

Dit boek hielp me in de (h)erkenning dat ik niet de enige ben. Ik klikte gelijk een volgend boek over autisme mijn huis in, want de (h)erkenning doet me goed. Ik ben niet gek, ik ben autistisch en vooral mezelf. En ik ben zoekend naar hoe ik als mezelf mijn leven in kan delen.

Meer lezen?
Mijn recensie over ‘Zondagskind’ van Judith Visser.
De blog over mijn diagnose en hoe de puzzelstukjes vielen.
De link naar het boek ‘Niet ongevoelig’ van Henny Struik op bol.com.

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Boekenpraat: De amandelboom (Michelle Cohen Corasanti)

Het verhaal
Ichmad Hamid is een slimme, moedige jongen. Hij is een Palestijn en woont in bezet gebied in Israël. Al heel jong leert hij wat haat en vijandschap is en verliest hij geliefden aan de dood.

Als Ichmads vader gevangen wordt genomen, voelt Ichmad zich schuldig. Zou hij niet in de gevangenis moeten zitten in plaats van zijn vader? Ichmad zou er alles voor over hebben om met zijn vader te ruilen, maar het kan niet.

Ichmad zou op school moeten zitten, maar in plaats daarvan zorgt hij voor zijn familie. Hij moet hen onderhouden en beschermen. Hij doet zwaar werk, waar hij nauwelijks genoeg mee verdient om zijn familie van te onderhouden.

Dan krijgt hij de mogelijkheid om te gaan studeren. Ichmad heeft altijd gedroomd van een studie wis- of natuurkunde, maar als hij de kans krijgt, gaat hij twijfelen. Hoe moet zijn familie overleven zonder hem? Kan hij als Palestijn wel tussen de Joden studeren?

Het verhaal beschrijft het leven van Ichmad van 1955 tot 2009. De lezer leert Ichmad kennen als klein jongetje en wordt vervolgens meegenomen in zijn levensverhaal.

Mening
Op de kaft van het boek staat: ‘Een episch verhaal zo groot als De vliegeraar.’ Dat wekte mijn interesse, omdat ik De Vliegeraar met veel belangstelling had gelezen.

Dit boek beschrijft het leven vol tegenstrijdheden, haat en liefde in de Palestijnse gebieden in Israël. Ik had al veel boeken gelezen vanuit Joods perspectief, maar dit boek belicht het Palestijnse perspectief. Het was voor mij bijna onvoorstelbaar dat Palestijnen zo anders werden behandeld dan de Joden. Het wantrouwen tegenover elkaar is onbeschrijflijk groot.

Het boek beschrijft de angst, de haat en de bitterheid. Daarnaast beschrijft het boek familieliefde, doorzettingsvermogen en de strijd om te mogen zijn wie je bent.
Ik was er erg van onder de indruk en zou het iedereen aanraden.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘De amandelboom’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: De amandelboom
Auteur:
Michelle Cohen Corasanti
Uitgeverij:
Xander Uitgevers BV
Genre:
Roman
Pagina’s:
344

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Telefoonbandje

Wie belt met een servicelijn krijgt regelmatig een bandje. Je krijgt een eindeloze rij met keuzemogelijkheden, die vervolgens weer onderverdeeld zijn in nóg meer keuzemogelijkheden en uiteindelijk heb je (bij mazzel) de juiste persoon aan de lijn. Zo’n bandje leek me eigenlijk zelf ook wel wat, toen ik een telefonische afspraak had met de huisarts.

Het bandje bij de huisarts
Als ik de huisartsenpraktijk bel, krijg ik ook zo’n bandje. Omdat ik nu eenmaal regelmatig bel, ken ik het bandje uit mijn hoofd. Een vriendelijke stem vertelt me dat ik voor noodgevallen een één moet toetsen en geeft me vervolgens nog wat andere keuzemogelijkheden.

Ik geef toe dat ik eigenwijs ben en het bandje uit mijn hoofd denk te kennen. Totdat ze dus het bandje veranderden. Ik vond al dat de assistente zo vreemd had opgenomen, maar stelde toch gewoon mijn vraag. “Je belt nu de lijn voor overleg met collega’s.” Aha, was dat ‘t. Ze hadden ineens het bandje veranderd. Tegenwoordig luister ik dus braaf elke keer het hele bandje weer af tot ik bij de optie ben die ik moet hebben.

Met mij als patiënt zou je toch verwachten dat er wat extra opties bestaan:
– Toets dertien voor hypochondrie.
– Toets veertien voor het geven van een cabaretvoorstelling.
Maar ja, die opties bieden ze dus niet.

Het bandje van de hypochonder
Op een dag had ik een telefonische afspraak met de huisarts. Hij zou mij bellen. Ik houd niet van bellen, maar ik vond het een prima oplossing, aangezien het spreekuur vol zat. Maar ja, het ging niet zo heel lekker en ik had dikke stress, dus ik was nogal grappig.

Als de huisarts belt, herken ik het nummer. De vraag is dan alleen of ik de huisarts of een assistente krijg. En bovendien…ik had húlp nodig, dus mijn grapjes moest ik maar voor een blog bewaren.

Dit is hoe ik het liefst wilde opnemen:
“Dit is de telefoon van mevrouw De Hypochonder.
– Toets één voor een korte vraag.
– Toets twee voor een kleine cabaretvoorstelling.
– Toets drie voor een uitgebreide cabaretvoorstelling.
– Toets vier voor random grapjes.
– Toets vijf voor een serieus gesprek.
– Liever lezen dan praten? Toets op de rode knop en surf naar http://www.hoofdtaal.com. ”

In werkelijkheid nam ik natuurlijk keurig op met mijn voor- en achternaam. Bovendien belde de huisarts ‘onbekend’, waardoor ik het risico sowieso te groot vond om grappen te maken. Het kon ook zomaar iemand anders zijn. Soms is het zo fijn (voor anderen én mezelf) dat ik netjes ben opgevoed. Bewaar ik mijn grapjes wel voor een blogje.

Sollicitatiecommissie nieuwe huisarts

De huisartsenpraktijk waar ik patiënt ben, zocht een nieuwe huisarts. Het eerste wat ik me afvroeg was wie er zou vertrekken en ik hoopte dat dat niet mijn vaste huisarts zou zijn. Toen ik daar eenmaal geruststelling over had, besloot ik dat ik als meest frequente bezoeker een prima lid van de sollicitatiecommissie zou zijn. Niet dat het mijn huisarts zou worden, maar ik heb wel een mening over de ideale arts. Bovendien zou ik deze arts moeten bezoeken op de vrije dagen van mijn vaste huisarts, in geval van nood.

De hypochonder op het spreekuur
Als je mijn huisarts bent, kom ik je regelmatig met een bezoekje vereren. Sowieso kom ik elke drie weken even langs, want dat is een afspraak waar al mijn hulpverleners mee kunnen leven. Daarbij kan het voorkomen dat ik tussendoor nog een paniekje doe, dus dan kom ik een keer extra.

Er is natuurlijk allereerst dat moment van eerste kennismaking. Zo’n nieuwe huisarts ziet dan een jonge, zelfstandige, dappere, vrolijke vrouw. De eerste indruk zou zijn dat ik snel naar huis gestuurd moet worden, want ik heb geen dokter nodig. De tweede indruk zou zijn dat ik ook nog eens een bak met humor mee heb genomen. Ik moet snel naar het theater, in plaats van naar de huisarts.

De volgende indruk ligt aan de arts die tegenover me zit. Als die niet door me heen kan prikken, blijf ik leuk doen. Als de arts wel door me heen kan prikken, is de volgende indruk dat ik een bang, klein wezentje ben. En ja, natuurlijk speel ik zelf ook een rol in die indruk, maar onder de spanning van zo’n nieuwe arts kan ik nu eenmaal niet helemaal normaal doen.

Dit bied ik
In een advertentie staat vaak wat de organisatie te bieden heeft. Ik heb als hypochonder een nieuwe huisarts te bieden:

  • Gegarandeerd een vol spreekuur
  • Op z’n tijd een beetje cabaret in de spreekkamer
  • Kunstig bij elkaar gezochte diagnoses
  • Een stortvloed aan woorden
  • Angst

Dit zoek ik
Uiteraard moet in een advertentie ook altijd staan wat er verwacht wordt van de sollicitant. Ik zou zeggen dat ik het volgende verwacht van een nieuwe huisarts:

  • Accepteer mijn overlevingsstrategie ‘humor’.
  • Neem iets mee om door mijn masker heen te prikken.
  • Luister naar me.
  • Geef mij nooit het gevoel dat ik aan het zeuren ben. Dat weet ik zelf wel, namelijk.
  • Geloof wat ik zeg, ook als dat in strijd is met wat mijn gezicht laat zien.
  • Maak af en toe zelf een grapje.
  • Snap mijn grapjes.
  • Heb geduld, want dan is er meer dan mijn masker.
  • Zorg dat er altijd tissues in de buurt zijn.
  • Af en toe mijn blog lezen is geen voorwaarde, wel een pluspunt.
  • Zet de zoutpot klaar als ik kom. Af en toe is er namelijk een korreltje nodig.

Zo. Iemand? Solliciteren hoeft niet hoor, want mijn eigen huisarts is er nog en die voldoet aan de meeste eisen. Maar voor ’t geval dát…Ik heb het profiel vast opgesteld!  

GGZ en privacy

Vorige week schreef ik al iets over de wachtlijstproblematiek in de GGZ. Ik hoor regelmatig om me heen dat de werkdruk voor mensen in de GGZ behoorlijk hoog is. Naar aanleiding van het verhaal met de wachtlijst snap ik dat wel. Hier en daar slaat men namelijk wat door met de regeltjes, bijvoorbeeld als het gaat om privacy.

De wachtlijst en ik
In eerste instantie was het de grote vraag of ik wel op de wachtlijst stond. Het is mijzelf én mijn zorgverzekeraar gelukt om die vraag te beantwoorden. Ik sta erop. Maar waar ik sta en hoe lang ik (na zeven maanden) nu nog moet wachten, dat kon niemand me vertellen. De zorgverzekering kreeg in verband met de privacy ook geen antwoord op die vraag.

Doorgeslagen privacy
Toen ik mijn huisarts vertelde over het doodlopende spoor van wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar besloot hij dat hij zelf nog wel een kans kon wagen. We waren het er samen over eens dat de instelling wél met de huisarts zou mogen praten, omdat die de verwijzing had gedaan en omdat het dan ging om een gesprek met een arts. Dat zou mogen, vonden we.

Diezelfde dag nog had ik contact met de doktersassistente. Ze had voor me naar de instelling gebeld om te vragen hoe het er nu voor stond met de wachtlijst. En wat wilde het geval? De instelling kon er geen uitspraken over doen in verband met de privacy.

Ik was echt verbaasd. Met wie mogen ze dan nog wel praten? Dat vroeg de assistente zich ook af, dus die had gevraagd of mijn huisarts moest bellen. Dat hoefde niet. De instelling zou mijn toekomstige behandelaar vragen om te bellen. Die zou namelijk wél iets mogen zeggen.

Al die verhalen over hoge werkdruk begon ik nu wel te snappen. Mijn huisarts had iets slims gedaan. Die had de assistente ingezet om de instelling te bellen. Lijkt me een prima manier van taken verdelen en de werkdruk wat verlagen. In de GGZ-instelling hadden ze blijkbaar nog niet begrepen dat iemand van de administratie ook iets kan zeggen over de wachtlijst. De assistente had dat nog benadrukt, dat er niet gevraagd werd om medische informatie, maar slechts om een wachttijd. Het mocht allemaal niet baten.

Laten we er maar over bloggen
Ik vond het hele gedoe met doorgeslagen privacy best bijzonder. De assistente noemde het lachwekkend. Gelukkig kon ze er de lol van inzien. Ze vond dat ik er wel een column over kon schrijven. En wacht eens, toen floepte er zomaar uit dat ik dat al gedaan had. Ik had het bericht dat vorige week online kwam toen namelijk al geschreven. We waren het er wel over eens dat dit nog wel een apart berichtje verdiende.

Restte me alleen nog één vraag, na dit gesprekje. Waar kwam het idee van die column vandaan? Wist ze dat ik deze blog heb? Leest de assistente hier dus mee? En wie o wie doet dat dan nog meer? Ach ja, zo houden we het bloggen een beetje spannend. Ik blijf schrijven. En wachten. Dat ook, want wachten is de trend van 2019.

Boekenpraat: Op dit moment (Karen Kingsbury)

Het verhaal
Op Hamilton High, de school waar Wendell Quinn directeur is, gaat het niet goed. Er zijn veel bendegevechten, tienerzwangerschappen zijn aan de orde van de dag, spijbelen is meer regel dan uitzondering, de resultaten zijn slecht en er is veel geweld tussen de rivaliserende bendes. Het moet anders. Wendell voelt het als zijn plicht om de jongeren te laten zien dat het ook anders kán. Op dit moment. Wendell start een Bijbelstudiegroep. Leerlingen kunnen na schooltijd twee keer per week vrijwillig deelnemen; niets is verplicht. De groep is vanaf het begin een succes, maar stuit ook op tegenstand. Is zo’n groep niet in strijd met de godsdienstvrijheid?

Wendell wordt aangeklaagd en moet zich verdedigen voor de rechter. Daar lijdt hij persoonlijk onder, maar ook zijn gezin heeft eronder te lijden. Advocaat Luke Baxter komt Wendell te hulp. Hij wil strijden voor godsdienstvrijheid. Maar gaat dat niet ten koste van zijn eigen gezin?

Mening
Karen Kingsbury schreef al meer boeken over de familie Baxter. Ik heb die boeken niet gelezen, maar kon dit boek toch prima volgen. Wat ik heel prettig vind, is dat alle familieleden aan het begin van het boek even worden voorgesteld. Waar nodig kon ik terugbladeren om te kijken wie bij wie hoorde. Dat was echter niet heel veel nodig.

In Amerika is godsdienstvrijheid toch wel iets anders dan in Nederland. Je kunt daar als directeur daadwerkelijk voor het gerecht worden gedaagd omdat je je leerlingen leert bidden. Dat is iets wat in Nederland onvoorstelbaar is.

Ik vond het een ontroerend verhaal vol geloof, hoop en liefde. De verhalen van Wendell en Luke Baxter worden mooi weergegeven.

Enige minpuntje aan dit boek vond ik het hoge ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ gehalte. Probleem, even bidden en opgelost. Ik vind het geloofsvertrouwen in dit boek echt heel mooi om te lezen, maar soms komt het hier wel erg naïef over. Ondanks dat werd ik dus wel geraakt door de liefde en het vertrouwen in dit boek, maar toch had ik het graag wat (in mijn ogen) realistischer gezien.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Op dit moment’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Op dit moment
Auteur:
Karen Kingsbury
Uitgeverij:
KokBoekencentrum
Genre:
Christelijke roman
Pagina’s:
346

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Dank aan mijn bloeddonor

Vandaag is het 14 juni: Wereld Bloeddonordag. Een mooie dag om alle bloeddonors te bedanken. Vandaag vertel ik het verhaal over mijn bloedtransfusie. Het is een verhaal dat me nog regelmatig nare en angstige herinneringen bezorgt, maar ook een verhaal dat gelukkig goed afliep.

Complicaties
Het is inmiddels bekend dat ik een poliep (in mijn darm) heb gehad en dat die succesvol is verwijderd. Ik ging na het verwijderen van die poliep heel erg opgelucht naar huis. De tikkende tijdbom was mijn lijf uit.

Ruim anderhalve dag na het verwijderen van mijn poliep begon ik echter te bloeden. Geen paniek, dat stond in het boekje, dat dat kon en dat dat niet erg was. Het bleek echter te gaan om wel iets meer dan een beetje bloedverlies. Ik zocht dus contact met het ziekenhuis (de SEH, want het was nacht) en later, toen ik na een bezoek aan de SEH weer thuis was, met de huisarts.

De conclusie na de onderzoeken van de artsen was dat ik (te) veel bloed verloor, maar dat ik thuis mocht afwachten. Ik was jong en mijn lichaam kon wel wat hebben. Daarbij kreeg ik steeds de waarschuwing dat ik weer moest bellen als ik meer bloed zou verliezen. De uren verstreken en ik werd zwakker en zwakker. Waar ik ’s morgens nog zelf het ziekenhuis in was gewandeld, was ik ’s middags zó duizelig dat ik niet eens meer zelf naar de wc kon lopen. En ja, dat waren echt maar een paar stappen.

Ziekenhuisopname
Mijn broertje, die bij mij thuis was om ‘op te passen’, besloot dat het klaar was: “Ik bel de huisarts nog een keer. Dit is niet normaal.” De huisarts kwam langs en constateerde al op de drempel dat ik niet meer thuis kon blijven. Kon ik zelf naar het ziekenhuis of moest hij een ambulance bellen? Ik zei dat ik er zelf kon komen. Toen de huisarts weg was, keken mijn broertje en ik elkaar aan. Hoe zou ik daar dan zelf komen? Ik kon niet lopen… Goede vraag. Achteraf is het hilarisch om terug te blikken op die tocht naar het ziekenhuis. Ik moest letterlijk op mijn achterste van mijn appartement naar de lift kruipen en nam diverse keren een pauze, tijdens de paar meter kruipen naar de lift. Mijn broertje moest me vervolgens ondersteunen van de deur naar de auto. Ik liep het ziekenhuis ook niet meer zelf in, maar werd in een rolstoel naar binnen geduwd.

Tijdens mijn opname werd ik eerst volgestopt met infusen met zout en een goedje om het bloeden te stoppen. Het mocht allemaal niet baten. Ik werd alleen maar steeds zwakker.

Bloedtransfusie
En toen was het op. Mijn hb bleef zakken. Mijn hart begon op hol te slaan. Mijn huid was bleker dan de ziekenhuislakens. Mijn bloeddruk was schrikbarend laag. Er was nog één oplossing. Ik moest bloed krijgen.

Zo’n bloedtransfusie zou wonderen moeten doen. Je zou je dan daarna een stuk beter gaan voelen. Helaas gebeurde dat niet, omdat mijn bloeding nog altijd niet was gestopt. Wat ik kreeg, raakte ik dus ook weer kwijt. Maar ik realiseerde me wel dat ik me zónder dat donorbloed waarschijnlijk nóg ellendiger had gevoeld. Nu bleven de waarden, hoewel extreem laag, wel stabiel. De waarden zakten na de bloedtransfusie niet nóg verder.

Ik wil ook doneren
Terwijl ik daar met die zak bloed aan het infuus lag, besloot ik dat ik ook wilde doneren. Ik wilde me direct aanmelden. Het kan niet. Wie eenmaal bloed heeft ontvangen, mag nooit meer doneren. Ik heb nog gebeld om te vragen of ik wel plasma mocht doneren, maar dat mocht ook niet.

Dankjewel!
Ik kan dus zelf niets ‘terug doen’, terwijl ik dat wel graag had gewild. Daarom zeg ik sindsdien op 14 juni dankjewel, vanuit de grond van mijn hart. Dankjewel, jij bloeddonor, jij redt levens.

Meer informatie over bloed doneren en de mogelijkheid om je aan te melden als bloeddonor vind je op de website van Sanquin.

GGZ-wachtlijsten

Wachtlijsten in de GGZ. De meeste (voormalige) cliënten weten precies waar ik het dan over heb. Eerst wachten op een intake, dan wachten op een behandeling en ondertussen zie je maar wat je doet. Of wat je niet doet.

Wachten duurt lang
Wachten duurt altijd lang. Ik vind het volkomen logisch dat ik niet morgen terecht kan bij een GGZ-instelling als ik vandaag bel. Toch zijn er genoeg mensen die per direct hulp nodig hebben en dat is er dan niet altijd. Of moet ik het woordje altijd daar verwijderen?

Ik werd in november doorgestuurd naar een instelling waar ze me zouden helpen in de strijd tegen mijn hypochondrie. Ik mag in m’n handjes knijpen omdat ik al die tijd nog wel onder behandeling ben in een andere (vrijgevestigde) praktijk, maar daarnaast heb ik die gespecialiseerde behandeling nodig.

In januari had ik een intake. Dat klinkt allemaal vrij vlot. Daarna werd het stil. Ik kreeg een brief dat ik op de wachtlijst stond en dat was het.

Na maanden van wachten, besloot ik de website van de instelling eens te raadplegen om te kijken hoe lang de huidige wachttijd is. Wat zag ik tot mijn verbazing? De wachttijd stond op maximaal drie maanden. Ik had dus al lang aan de beurt moeten zijn, in mijn beleving.

Kastjes en muren
Ik startte een belronde langs diverse kastjes en muren. De één zag mijn naam niet staan, de ander kon de wachtlijst niet openen, de volgende zou binnen een week terugbellen. Niemand kon me echter vertellen of mijn naam op de lijst stond en zo ja, hoe lang ik nog zou moeten wachten.

Dat ze me geen startdatum kunnen geven, dat snap ik. Maar iets meer dan ‘het kan nog wel even duren,’ zou toch wel prettig zijn. Moet ik denken aan weken, maanden, misschien zelfs een jaar?

En ondertussen, in mijn gang van kastje naar muur en terug, nam de wanhoop toe. Maar daar hebben zij geen boodschap aan.

Wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar
Mijn zorgverzekeraar biedt wachtlijstbemiddeling. Ten einde raad besloot ik dat maar eens te proberen, want ja, ik werd zelf door de instelling niet meer heel serieus te woord gestaan, had ik het idee. De zorgverzekeraar herhaalde mijn gang van kastje naar muur en terug en belde me met de uitkomst: “De instelling doet er tegenover ons geen uitspraken over in verband met de privacy.” Oké, dat kon dus ook nog. Ik besloot het er dan maar bij te laten zitten en weer verder af te wachten.

Stilstand
Ondertussen ben ik af en toe de wanhoop nabij. Het ergste vind ik de onzekerheid en het feit dat ik stil lijk te staan. Ik kan niet vooruit. Hoe kan ik een stap zetten met het oog op de toekomst (zoals een baan) als ik vervolgens een intensieve behandeling moet gaan doen? Ik kan dus even geen kant op. Ik wil vooruit, maar de kans is er niet. Bovendien heb ik eerst die behandeling nodig, om vooruit te kunnen. Ik verveel me absoluut niet; ik vermaak me prima, maar het is wel de hoogste tijd voor een vervolgstap.

De GGZ is ziek
Daar schreef ik het dan toch. De GGZ is ziek. Ik had me voorgenomen dat nooit te zeggen of te schrijven. Het was echter mijn huisarts die deze conclusie trok, na mijn verhaal over het eindeloze wachten. Zodra ik ‘wachtlijst’ zei, zag ik de moed al in zijn schoenen zinken. Wachtlijsten zijn stom. En ja, toen hij concludeerde dat de GGZ een beetje ziek is, kon ik het alleen maar beamen. Dat, en er een blog over schrijven.

Kan iemand alsjeblieft de GGZ genezen van de wachtlijsten?