Alternatief recept: Naar buiten

Buiten zijn is voor mij een heel goed medicijn. Als mijn hoofd vol zit, lukt het me buiten vaak om weer wat orde op zaken te stellen. Sinds ruim een jaar was ik zelfs elke dag buiten en toch ging er ergens iets mis…

Buiten zijn is fijn
Ik woon echt op één van de beste plekken van Nederland, als het gaat om een goede uitvalsbasis voor wandelen of fietsen. Ik loop de deur uit, zo de polder in en kan dan perfect een uurtje wandelen. Dan kom ik bijna geen mensen tegen en ben ik na een uur weer opgefrist thuis. Sommige mensen vinden dat saai, steeds hetzelfde rondje, maar ik vind het heerlijk. Ik zie elke dag weer wat anders, op precies hetzelfde rondje. Ik kan er echt van genieten.

Buiten zijn doet pijn
Er zijn zat mogelijkheden om dat rondje wat uit te breiden en zo weet ik dus hoe ik tussen de zes en de dertien kilometer lekker kan wandelen, gewoon vanuit huis. Maar…ergens ging iets mis. Ik was altijd minstens een half uur per dag buiten, maar meestal echt wel een uur. Toen werd het februari. Ik kreeg stress en pijn. De pijn zorgde ervoor dat wandelen en fietsen even vrijwel onmogelijk werden. Mijn nek en mijn hoofd sprongen dan zo’n beetje van mijn lijf af. Ik ging nog wel elke dag naar buiten, maar vaak waren dat nog maar twintig minuten.

“Je hebt het zo nodig.”
Een poosje geleden zat ik bij mijn huisarts. Er was weer eens paniek. Dat bleek nog een gezellig staartje te zijn van het gesprek met de arbeidsdeskundige, maar wist ik veel. Ik was het zó zat. Daar zat ik dan: “Alle trucjes die ik normaal doe, helpen ook niet. Ik wil heus wel kleuren en naar buiten, maar dat doet te veel pijn.” Dat ik pijn had, was duidelijk. Dat dat verder niet ernstig was, was volgens de huisarts ook duidelijk.

Hij vond dat ik mijn conditie weer wat op moest gaan bouwen, zodat de pijn dan misschien ook minder zou worden. “Ja, hóe dan? Buiten zijn doet pijn!” Ik wist het allemaal even niet meer, die dag was álles stom tot de macht veel, dus zéker dat advies. Wat nou naar buiten? Dóe iets!

Aan het eind van het gesprek was ik de wanhoop nabij. Ik wilde húlp, wat moest ik?! Ook bij de huisarts zag ik een spoor van wanhoop op zijn gezicht. Hij had gedaan wat hij moest doen, maar kon niet meer doen dan dat om me gerust te stellen en dat was die dag dus niet voldoende. Bij de deur zei hij het nog een keer. De voorgeschreven medicatie was niet het belangrijkst, maar het alternatieve recept: “Ga nou lekker naar buiten; je hebt het zo nodig…”

Het drong niet meer tot me door, want ik dacht alleen maar: Hoe kom ik met mijn jankhoofd langs een volle wachtkamer en daarna naar huis?

Twee dagen later. De pijn was weer wat gezakt. De frustratie ook. Ik kon weer normaal nadenken. Ineens drong door wat er bij de deur tegen me gezegd was: “Je hebt het zo nodig…” Ik stippelde op knooppunten een fietsroute uit, sprong op de fiets, ontdekte nieuwe fietspaden, genoot van de natuur en was na bijna anderhalf uur fietsen weer thuis. En wat bleek? Ik had het nodig.  

Het beste medicijn

Dappere dame

Er kwam een arbeidsdeskundige bij me langs. Deze man zou gaan bepalen of ik weer aan het werk zou kunnen bij mijn eigen werkgever en zo niet, welk werk ik dan wel zou kunnen. Klinkt goed, in eerste instantie. Maar als je nog helemaal niet kunt werken, klinkt het net iets minder goed.

Dappere dame
De arbeidsdeskundige had wat voorkennis. Er was namelijk een arbeidsinzetbaarheidsprofiel opgesteld door de bedrijfsarts. Dat profiel was samen met mij opgesteld en ik stond er helemaal achter. In dit profiel stond namelijk heel duidelijk wie ik ben en vooral wat op dit moment mijn beperkingen zijn.

De arbeidsdeskundige had het profiel eens goed bestudeerd en was naar mijn huis gekomen met het idee dat ik weer (op termijn fulltime) aan de slag zou kunnen. Hij zag heel veel mogelijkheden.

Stel je even voor dat je met dat idee naar mijn huis komt en dat er dan ook nog eens een vrolijk lachende, vriendelijke, zelfstandige vrouw in dat huis blijkt te wonen. Eén en één is twee, toch? Dat leek het wel ja. Nadat ik had uitgelegd wat mijn functie was voor ik me ziek meldde, vroeg de arbeidsdeskundige wat ik dacht dat ik nu zou kunnen. Ik was daar nogal helder in: Op dit moment kan ik eigenlijk niets. Ik ben te overprikkeld, te moe en te labiel. Hij vond dat ik erg negatief was en zag heel veel mogelijkheden. Dat ik nooit meer fulltime zou kunnen werken, snapte hij ook niet.

Paniek!
Op dat moment raakte ik in paniek. Ik had net uitgelegd wat mijn beperkingen zijn, maar blijkbaar vond deze man dat niet geloofwaardig. Nu hij had gezegd dat ik (op termijn fulltime) zou moeten gaan re-integreren, was de paniek compleet.

De paniek was er eigenlijk al veel langer. Nog net voor de arbeidsdeskundige arriveerde, liep de stress hoog op. Ik had al wat nachten met nachtmerries over werk gehad. Op de dag dat de arbeidsdeskundige zou komen, ‘ontmantelde’ ik mijn huis. Alle persoonlijke spullen gingen weg. Ik gunde de man geen kijkje in mijn privéleven. Vervolgens appte ik mijn moeder: “Als er straks een ambulance naar Huize Naomi rijdt, ben ik onder de stress bezweken.” Uiteraard was deze zogenaamd dappere, maar vooral heel eigenwijze dame van plan om het gesprek alleen te doen, maar mijn moeder bood aan te komen. Dat bleek een goed plan.

Eerst zette ik de man met bibberende handen koffie voor. Ik zag het kopje trillen, maar hij niet. Het gesprek begon dus, zoals al eerder beschreven, vrij kalm. Tot de paniek toesloeg.

Op dat moment moest mijn moeder het gesprek af en toe overnemen. De arbeidsdeskundige zag in dat ik op dit moment niet belastbaar ben. Daar heeft hij ook gelijk in, maar ik vond het heel erg dat hij dat niet geloofde toen ik het zei. Waarom geloven mensen me niet? Omdat ik nog kan lachen? Dat is mijn grootste probleem en dat stond ook in het arbeidsinzetbaarheidsprofiel. Maar ja, de paniek had het van me overgenomen; mijn moeder legde uit dat dit precies het probleem is en de arbeidsdeskundige zei dat ik me geen zorgen moest maken. Dat soort uitspraken werken bij mij niet.

Uiteindelijk wilde hij het nog eens uitleggen. “Dat komt bij mij niet meer binnen, maar dan luistert mijn moeder wel.” Zo geschiedde. De arbeidsdeskundige concludeerde dat ik niet belastbaar ben en zou dat doorgeven aan de bedrijfsarts (die dat al láng wist). Hij zou nog aan mij terugkoppelen wat de uitkomst was. Die uitkomst kwam vrij snel, met grote, dikke, geel gearceerde letters: geen re-integratie op dit moment.

Hoe nu verder?
Na afloop was ik ‘blij’ dat deze man had gezien hoe het écht werkt bij mij. Dat is zeldzaam en kan ik niet bewust wel of niet oproepen. Maar ja, ik bleef ervan balen dat mensen me niet gewoon geloven als ik iets zég. Ja, ik kan lachen, maar ik zou willen dat ik iets minder goed toneel kan spelen.

Was ik opgelucht? Ja en nee. Nee, natuurlijk is het niet leuk dat ik nog niet kan werken, nu ik al een jaar thuis ben. Ik zou echt wel weer aan de slag willen. Ik weet echter dat ik op dit moment nog niet voldoende ben hersteld om dat te kunnen. Dus ja, ik was opgelucht. Ik kreeg nog extra tijd om aan mijn herstel te werken. En die tijd heb ik nodig.

Vervolgens was er medicatie nodig om de rust te herstellen en gingen er nog wat onrustige dagen en nachten voorbij. Het had me gesloopt. Nee, ik ben niet die dappere dame. Ik ben een heel erg overbelaste autist, die hersteltijd nodig heeft. Deze man begrijpt dat nu. Op naar de volgende hobbel dan maar…

Autisme en (mijn) geloof

Sinds ik de diagnose autisme kreeg, heb ik me in veel aspecten van autisme verdiept. Eén van de dingen waar ik over las, was geloven. Veel autisten hebben moeite om de abstracte dingen die in de Bijbel staan te geloven. Anderen vinden het moeilijk om naar de kerk te gaan. Weer anderen hebben juist heel veel steun aan hun geloof. Hoe zit dat bij mij?

Ik geloof
Vanaf mijn geboorte hebben mijn ouders me opgevoed vanuit christelijke waarden en normen en vanuit het geloof dat de Bijbel waar is en dat Jezus onze Redder is.

Toen ik ouder werd, bezocht ik christelijke scholen en ging ik met mijn ouders mee naar de kerk. Ik heb er nooit een seconde aan getwijfeld of wat ik in de Bijbel las en wat ik in de kerk hoorde waar zou zijn. Ik geloofde rotsvast dat dit de waarheid was.

Dat geloof ik nog steeds. Dat klinkt misschien vreemd, want het schijnt zo te zijn dat veel autisten het geloof maar moeilijk te begrijpen vinden. Hoe kan een God Die je verder niet kunt zien nu bestaan? Hoe kan Hij doen wat wij geloven dat Hij doet? Toch is júist de onzichtbaarheid van God en Zijn grootheid denk ik voor mij altijd een reden geweest dat ik zo rotsvast in Hem heb geloofd. God was voor mij zó bijzonder, dat zichtbaarheid iets van mijn geloof af zou hebben gedaan.

Daarnaast, toen er stormen kwamen in het leven, heb ik steeds ervaren hoe God me daar doorheen hielp met Zijn Woorden van steun in de Bijbel. En dat merk ik nog steeds. Ik zei pas tegen mijn dominee: “Stel dat ik niet had geloofd, ik zou echt niet weten of ik er dan zo bij had gezeten.” Hij zei dat ik dat wel wist. Ik had het geloof nodig. En dat is waar.

En ja, ook ik vind het soms moeilijk en ook ik twijfel soms of ik wel écht op de juiste manier geloof, maar in de basis is er altijd het geloof en het vertrouwen, ook al voel ik dat niet altijd. Dat voelen is ook zoiets. Ik vind voelen soms lastig. Als ik het niet voel, wéét ik echter dat God nog steeds voor me zorgt en dan houd ik me aan die wetenschap vast.

De kerk
Het is al vrij lang geleden dat ik een kerkdienst bezocht. Het lukt me niet. Er zijn in dat gebouw vreselijk veel prikkels en mensen en er wordt heel veel sociale interactie verwacht. Ik bedoel…voor de dienst begint, kan er zomaar een wildvreemde tegen je beginnen te praten. Ik vind dat ontzettend lastig. Wat zeg ik wel en niet? Wie is die ander eigenlijk? Mijn oplossing is om zo laat mogelijk binnen te komen, maar ja, tijdens de dienst kan het dan alsnog ‘fout’ gaan. Allemaal eng.

Een andere kwestie is dat wat ik zing en lees en hoor in een dienst me zó kan raken dat ik moet huilen. Dat wil ik dan natuurlijk weer niet tussen al die andere mensen.

Na de dienst is er dan soms gelegenheid om koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Mij zie je daar sowieso niet. Ik ben na een kerkdienst volkomen afgedraaid. Ik red het dan echt niet om ook nog gezellig te doen, zéker niet met mensen die ik maar zijdelings ken.

Ik mis het wel, om naar de kerk te gaan en ik werk aan een plan om er weer (in ieder geval één keer per zondag) heen te kunnen. Ik probeer wel verbonden te blijven. Ik luister elke zondag de diensten mee, terwijl ik thuis zit te kleuren. Contact met andere gemeenteleden en de dominee is er ook. Ik weet dat er mensen in de kerk zijn die voor me bidden en hun steun doet me goed.

Is er een hemel voor autisten?
Gekke vraag? Het is de titel van een boek van Alianna Dijkstra. Zij beschrijft daarin persoonlijke verhalen over autisme en het christelijk geloof. Ik las het boek met veel belangstelling. Niet alleen autisten komen aan het woord, maar ook christelijke hulpverleners. Ik vond het heel mooi hoe ik sommige dingen herkende. Andere dingen herkende ik juist helemaal niet, maar dat verbaast me niet. Iedereen is anders; iedere autist is anders, ook op dit vlak.

Autisme genezen
In het boek ‘Is er een hemel voor autisten?’ stelt Alianna Dijkstra de vraag of mensen bidden om genezing van hun autisme. Ik vond  dat een interessante vraag. Zelf heb ik dat nooit gedaan. Ik weet zelfs niet of ik ervan ‘genezen’ zou willen worden. Ik ben ik. Met autisme. Ik bid wel om genezing van de nadelige gevolgen van vele jaren overprikkeling, maar ik denk dat autisme op zichzelf ook een kracht kan zijn. Bovendien zie ik het niet als een ziekte en dus ook niet als iets dat genezen zou moeten of kunnen worden.

Ik geloof dat God me heeft geschapen. In mijn geval was dat met autisme. Dat kan ik heel goed accepteren. Omdat Hij, zoals dat in de Bijbel staat, me al kende voor ik geboren werd. Hij kan me dus ook door het leven met autisme leiden. En daar vertrouw ik op.  

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Boekenpraat: Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit (Bianca Toeps)

Het verhaal
In dit boek bespreekt Bianca Toeps vele aspecten van autisme. Ze beschrijft allereerst de DSM-criteria en rekent daarmee gelijk af met de (voor)oordelen over ‘de autist’. Ze legt uit wat autisme echt inhoudt.

Daarnaast vertelt Bianca Toeps over haar eigen traject voor en na de diagnose autisme, beschrijft ze verhalen van anderen en vertelt ze over de verschillende manieren van coaching die er voor autisten bestaan.

Tot slot beschrijft Toeps de vooroordelen die er bestaan over autisme en de meest gehoorde uitspraken van anderen tegen autisten. Ze legt uit wat autisten echt niet willen horen en hoe je beter wél kunt communiceren.
Autisme kun je (meestal) niet zien, maar het is er wel degelijk. Altijd. Dat legt Toeps in dit boek haarfijn uit.

Mening / herkenning
Met de diagnose autisme nu vier maanden op zak, verdiep ik me steeds meer in wat autisme nu eigenlijk inhoudt. Misschien zoek ik herkenning, maar ik zoek ook gewoon kennis. Dus zo werkt het. In dit boek vond ik opnieuw herkenning en deed ik weer wat kennis op.

Hoewel ik eerst wat huiverig was voor het delen van mijn diagnose, doe ik het nu heel makkelijk. Ik hoop altijd maar dat er voor de ander dan ook wat puzzelstukjes op hun plek vallen. En ja, ook ik hoor dan regelmatig: “Jij? Nee joh, maar jij…” En dan volgt er één of ander vooroordeel. Wat de ander dan vaak niet weet, is dat er áltijd chaos is in mijn hoofd en dat ik hypergevoelig ben voor allerlei prikkels, met name op het gebied van geluid.

Sommige mensen weten niet van mijn diagnose. Zo zat pas nog iemand te vertellen: “Nou, heeft die en die autisme…Dat kan niet hoor. Die ken ik nog van vroeger, daar was echt niks mis mee. Dan kun je blijkbaar autisme later in je leven ontwikkelen en daar geloof ik dus niet in.” Ik klapte bijna dicht, maar gaf toch tegengas: “Eh…je kunt autisme ook heel lang verbloemen hè… Zeker vrouwen kunnen dat goed.” Dat vond de ander onzin. Oké, dan niet. Ik besloot het er maar bij te laten zitten. Als je niet wilt geloven in (mijn) autisme, moet je het vooral niet doen. Ik blijf gewoon heel blij dat er nog steeds heel veel puzzelstukjes op hun plek blijven vallen.

De term autisme legt voor een deel uit waarom ik ben zoals ik ben. En ik voel me er goed bij om dat uit te leggen. Wie niet weet hoe er dan gereageerd moet worden of wie de diagnose in twijfel wil trekken, moet maar even dit boek van Bianca Toeps lezen. Ik stel me zo voor dat het dan ineens allemaal een stuk duidelijker wordt.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit
Auteur:
Bianca Toeps
Uitgeverij:
Blossom Books
Genre:
Non-fictie – autisme
Pagina’s:
220

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Hallo, wie je ook mag zijn

Als je mij tegenkomt in de supermarkt en me vriendelijk groet, heb je grote kans dat ik vriendelijk en een beetje verstoord je groet beantwoord. Niet omdat ik je opeens niet meer aardig vind, maar gewoon omdat ik eigenlijk even geen idee heb wie je bent.

Ook hallo
Ik woon in een dorp waar iedereen elkaar groet. Dat maakt het allemaal vrij simpel, want ik groet dus gewoon iedereen die ik zie lopen. Kom ik in een andere plaats, vind ik het ingewikkelder. Ik ben niet opgegroeid in mijn huidige woonplaats, maar in een plaats waar je alleen mensen groette die je kende. Als ik dus buiten mijn eigen dorp ben en iemand groet me, gaat direct mijn hoofd overuren draaien: Wie was dat?

Op de middelbare school kreeg ik regelmatig de vraag van mensen of ik misschien boos was. Ik was helemaal niet boos en snapte de vraag dan ook niet. “Nou, ik zag je tijdens de leswissel in het trappenhuis en je zei niks.” Aha, oké dan. Ik zei dan altijd dat ik de ander gewoon écht niet had gezien. Misschien had ik de ander wel gezien hoor, maar dan niet bewust. Stel je even voor: Zo’n trappenhuis vol pubers met enorme schooltassen, allemaal met haast om op tijd bij de volgende les te zijn en ook nog eens allemaal in gesprek met een ander, dus het is herrie en niemand let op of ik toevallig net voor zijn of haar voeten loop. Zet mij in zo’n trappenhuis en ik word gek. Dus nee, ik heb je niet gezien en daarom groette ik je niet.

Je hoort hier niet
Jaren geleden stond ik tijdens een schoolvakantie bij de supermarkt volle boodschappentassen in mijn auto te laden. Opeens hoorde ik achter me: “Hé, dat is geen vakantie vieren hè?” Ik draaide me om, zag iemand staan en had geen idee wie het was. Ik reageerde dan ook nogal verward: “Nee, maar eh, moet gebeuren.” Ik wist niet wie de brutaliteit had dit naar me te roepen. Pas veel en veel later drong tot me door dat het een moeder was van iemand die op dat moment bij mij in de klas zat. Maar die moeder hoorde daar niet. Niet bij de supermarkt, zonder kind. Ik kon haar echt even niet plaatsen.

Ook in de supermarkt, nog maar een paar weken geleden. Ik zag één van mijn schoonzussen lopen. Dat dacht ik in ieder geval, maar ik wist het niet zeker. Niet dat ze ineens haar haar geverfd had of totaal andere kleding droeg, maar ik kon haar daar gewoon even niet plaatsen. Mijn hoofd draaide overuren. Wat als ik haar zou roepen en ze bleek het toch niet te zijn? Maar ja, wat als ik niets zou zeggen en ze bleek het wél te zijn? Ik gokte erop en noemde haar naam. Ze was het. En ik was opgelucht. Ik had het goed gedaan.

Wilde ik die moeder en mijn schoonzus niet zien? Zeker wel, geen enkel probleem. Maar die moeder hoorde bij school en mijn schoonzus hoort bij de familie, niet bij de supermarkt. Ik denk dat ik zelfs m’n eigen moeder nog amper zou herkennen in de supermarkt. Ik ben dan druk met m’n boodschappen, met alle andere prikkels in die herriehal vol voedsel en rondrennende mensen en kan dan echt even niet bedenken wie ik zie.

Maar ik vind je nog wel aardig
Soms groet iemand me op straat op een toon waaruit duidelijk blijkt dat we elkaar ergens van kennen. Ik heb dan vaak geen idee. Ik groet maar vriendelijk terug, want ik heb geleerd dat dat het makkelijkst is. Heel soms geef ik het gewoon even toe. Ik kwam een keer een winkel in waar de bediende me heel vriendelijk behandelde. Glimlachen, tutoyeren, de hele mikmak. Ergens in de vage verte rinkelde wel een belletje, maar ik had geen idee. Ik gedroeg me gewoon als een beleefde klant. “Naomi, toch?” Oh help, ze weet wie ik ben en ik heb géén idee… Ik was maar eerlijk: “Je hebt wel iets bekends, maar ik weet even niet waar ik je van ken, sorry.” Het bleek een oud-klasgenoot van me te zijn. Nouja, daar kwam ik dan toch weer beter mee weg dan wanneer dit me was overkomen met een schoonzus, denk ik dan maar.

Ongenode gasten

Mensen die bij mij op bezoek komen; ik vind het meestal spannend, maar toch prima. Overigens heb ik liever wel dat die mensen dat vooraf even melden, want zogenaamde verrassingen vind ik niet zo leuk. De laatste tijd heb ik regelmatig last van ongenode gasten. Tijd om eens een blogje aan hen te wijden.

Bezzzzzoek
Allereerst krijg ik ’s nachts steeds ongenood bezoek. Ik word dan wakker van hun gezoem en heb ’s morgens wat souvenirs in de vorm van jeukende bulten. Ja, meer mensen last van? Ik nodig ze niet uit hoor en ik heb horren voor de ramen. Maar blijkbaar is het zó leuk bij mij thuis dat de dames daar allemaal geen enkele boodschap aan hebben. Ik ben dus ’s nachts regelmatig op jacht. Ach ja, dat is weer eens wat ander tijdverdrijf voor slapeloze uren.

Nachtmerries
Nog meer ander ongenood bezoek dat ’s nachts langskomt, meldt zich in de vorm van nachtmerries. Helaas schijnen nachtmerries een beetje bij de weg naar herstel te horen, maar wat mij betreft doe ik het liever zonder die dingen. En bovendien…de laatste tijd droom ik steeds dat er onverwacht en vooral ongewenst bezoek voor de deur staat. Dat begint dan met één persoon. “Verrassing!” Dat eindigt met een huis vol mensen, terwijl ik juist zo lekker ein-de-lijk even wat voor mezelf aan het doen was. Ik wijd het maar aan het feit dat ik nogal overprikkeld was in de tijd dat ik dat steeds droomde. Ik wilde alleen maar rust, maar dat was er niet.

Werk
Het meest onwelkome en sowieso ongenode bezoek is alles wat met werk te maken heeft. Ik durf er nog steeds niet goed over te schrijven, maar een klein begin maak ik nu toch maar.
De leerlingen zijn het probleem niet. Het feit dat werk het grootste deel van mijn nachtmerries domineert, heeft te maken met het onbegrip van mijn werkgever voor mijn ziekte.

Een ongenode werkgast meldde zich. Ik ben nu bijna een jaar ziek thuis en heb daarom binnenkort een gesprek met een arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts snap ik inmiddels; dat is niet meer eng. Dit is nieuw en onbekend en dus eng. De arbeidsdeskundige wilde een gesprek met mijn werkgever en mij samen. Dat is onmogelijk en dat werd gelukkig geaccepteerd. Vervolgens besloot de arbeidsdeskundige dan bij mij thuis te komen. Daar had ik niet om gevraagd. Ik zou liever naar het kantoor gaan, want ik wil dit bezoek niet thuis. Mijn huis is veilig. Daar kan en wil ik geen werk binnen hebben. Het schijnt echter toch te gaan gebeuren.

Tot slot was er nog een ongenode bos bloemen. Op dit moment heb ik geen contact met mijn collega’s. Ik spreek wel bevriende collega’s, maar dat is dan op eigen initiatief en heeft niets met werk te maken. Alles wat met werk te maken heeft, geeft zoveel stress dat het onverantwoord is. De collega’s doen echter wel hun best. Er werden bloemen bezorgd door een onafhankelijke bezorgdienst. Als afzender stond ‘je collega’s’ op het kaartje. Ik kon er niets aan doen. Heel even mochten de bloemen naar binnen. Toen heb ik ze gezet waar werk op dit moment hoort. Ver buiten mijn bereik. Dag bloemen. Ik ken jullie goede intenties, maar ik ken ook mijn nachtmerries. Ze gingen na vijf minuten weer naar buiten en stonden daar afwisselend in de regen en de brandende zon. Ik voelde me ondankbaar. Maar ik voelde me ook alsof ik ein-de-lijk een ongenode gast buiten had gezet. En dat was nodig.  

#doeslief

We moeten lief zijn voor elkaar, horen we de laatste tijd vaak. Er is zelfs een hele campagne voor in het leven geroepen. Ik juich dat toe, want een beetje meer liefde in de wereld is altijd goed. En toch… ik vraag wel eens of mensen wat minder lief voor me kunnen zijn.

Als het even tegenzit
Ik had een paar roerige dagen achter de rug. Ik had wat bezoekjes gebracht aan iemand in het ziekenhuis en dat triggerde me nogal. Uiteindelijk had dat me ook een paar middagdutjes gekost en dus had mijn hoofd besloten dat het even tijd was om hélemaal niks te doen. Prima, hoofd.

Toen ik daar net weer van begon op te knappen, stond er een therapiesessie in de agenda. Ik vond dat een perfecte timing. En toen, nét voordat ik naar therapie ging, ging de telefoon. Bellen en ik zijn sowieso een slechte combinatie, maar dit ging over werk. Zodra ik hoorde dat het over werk ging, zat mijn hart in mijn keel en zat ik figuurlijk gesproken tegen het plafond. Ik rondde het telefoongesprek af, appte in blinde paniek een vriendin en mijn moeder, googelde me suf over wat er ging gebeuren en kwam er niet uit. En ergens diep vanbinnen voelde ik tranen roepen dat ze een enkeltje over m’n wangen wilden.

Doe eens niet lief
Ik vond dat de tranen even moesten wachten tot therapie. Dat deden ze niet. Ze kwamen gewoon al in de auto. Eenmaal op de parkeerplaats had ik mezelf weer een beetje onder controle. Ik pakte mijn telefoon om mijn parkeerapp in te stellen en zag een appje van een vriendin. Gewoon, onschuldig, iets over een feestje waar we heen zouden gaan. Ik appte haar terug dat het even helemaal niet ging en ja, toen kwam er dus liefs terug. Ik was ondertussen in de wachtkamer aanbeland. Geen lieve dingen meer sturen; ik zit in de wachtkamer. Maar de tranen waren er al.

Tja, dat komt er dus van. Als iemand lieve dingen tegen me zegt of lieve dingen naar me appt, gaan de tranen stromen. Dat is goed, zeggen ze. Tranen schijnen een goed teken te zijn. Dat vond ik niet, daar in die wachtkamer. Gelukkig was er verder niemand, dus de zogenaamde ramp bleef beperkt.

Toen mijn psycholoog me kwam halen, vond ik: “Zo, alles gaat weer prima, ik heb ’t weer helemaal onder controle. Ik heb straks namelijk nog een afspraak, dus al dat gejank gaan we niet doen.” Maar ja, dat was hij niet met me eens. “Zullen we dat na dit uur zeggen?” Niet doen, ga ik van huilen, van dat soort uitspraken.

Ik dacht daar later nog eens over na. Een dag eerder was me al hetzelfde overkomen, tijdens een telefoontje met de assistente van de huisarts. Die klonk bezorgd, geïnteresseerd. En hop, daar waren de tranen.

Dus ja, mensen, doe met z’n allen eens lief.
Maar als iedereen zo is als ik, moet de productie tissues dan wel stevig omhoog.

De puzzelstukken van het leven

Heel af en toe maak ik een legpuzzel. Lekker een muziekje op of stilte om me heen en maar zoeken naar passende stukjes. Recent maakte ik ook weer een puzzel en spontaan bedacht ik wat filosofische levenslessen.

Puzzelen
Volgens mij heb ik als kind nooit een legpuzzel met meer dan honderd stukjes voltooid. Ik begon altijd dapper met de rand, maar vervolgens ontbrak het aan geduld om de rest van de puzzel af te maken.

Een paar jaar geleden ontdekte ik de heerlijkheid van puzzelen. Ik had een ontzettende rotdag en had afleiding nodig. Ik kleurde in die tijd nog niet en dacht opeens aan legpuzzels. Dat vond ik een goed idee en dus klikte ik er daar snel één van mijn huis binnen.

Ik begon vol goede moed. De rand lag zo, maar ja, toen moest de rest nog. Dat duurde geloof ik nog anderhalf jaar. Ik puzzel namelijk met tussenpozen. Als hij op tafel ligt, kan ik niet stoppen. Als de puzzel weer opgerold op de mat om de koker zit, kan ik er zo een half jaar niet naar kijken.

Ook toen ik een paar jaar geleden na mijn ziekenhuisopname thuis moest herstellen, vond ik het heerlijk om te puzzelen. Er konden zomaar uren voorbijgaan met stukjes leggen. Zo brak dus het moment aan dat ik mijn eerste puzzel ooit voltooide. En inmiddels volgden er nog een paar. Mijn meest recente puzzel was een fijn plaatje van Rien Poortvliet en maakte me een beetje filosofisch.

Rien Poortvliet – At the forest with the Gnomes (puzzel van Jumbo, 1000 stukjes)

Het leven is een puzzel
Terwijl ik zat te puzzelen, liep ik af en toe helemaal vast. Als ik dan even wat anders deed, kon ik daarna meestal weer een heleboel stukjes op de juiste plek leggen.
Er lag een stukje op de verkeerde plaats, waardoor ik niet meer verder kon. Soms paste een stukje bijna, maar moest het nog even omgedraaid worden. Op het laatst, bij de lucht, was het gewoon passen en meten op vorm, want alle stukjes hadden dezelfde kleur. Die dingen deden me denken aan mijn weg naar psychisch herstel.

Soms overzie ik het allemaal niet. Een gesprek met een hulpverlener en een dutje geven me dan weer inzicht of rust en daarna snap ik het allemaal een stuk beter. Soms lag er een puzzelstukje in mijn leven op de verkeerde plaats. Zo werd ik heel lang behandeld vanuit het idee dat rouw mijn grootste probleem was. Zelf twijfelde ik daar altijd aan, maar ik kon het niet bewijzen. Totdat dus bleek dat autisme de bron was van de moeilijkheden.

Het stukje hypochondrie paste me bijna, maar werd na de diagnose autisme toch weer even omgedraaid. Nu past het een stuk beter. En tja, het is ook een beetje passen en meten op vorm, de weg naar herstel. In mijn behandeling ben ik zoekend naar oplossingen, naar een manier om het leven in te richten. Soms lijkt alles op elkaar, maar ik kom er wel. En tot slot ligt de puzzel er dan compleet.

De legpuzzel werd vijf minuten na voltooiing weer uit elkaar gehaald. En dáár zit hoop ik een verschil. Als de meeste psychische puzzelstukjes op hun plaats liggen, hoop ik op een poosje rust. Gewoon genieten en ernaar kijken. Lijkt me heerlijk.