Dappere dame

Er kwam een arbeidsdeskundige bij me langs. Deze man zou gaan bepalen of ik weer aan het werk zou kunnen bij mijn eigen werkgever en zo niet, welk werk ik dan wel zou kunnen. Klinkt goed, in eerste instantie. Maar als je nog helemaal niet kunt werken, klinkt het net iets minder goed.

Dappere dame
De arbeidsdeskundige had wat voorkennis. Er was namelijk een arbeidsinzetbaarheidsprofiel opgesteld door de bedrijfsarts. Dat profiel was samen met mij opgesteld en ik stond er helemaal achter. In dit profiel stond namelijk heel duidelijk wie ik ben en vooral wat op dit moment mijn beperkingen zijn.

De arbeidsdeskundige had het profiel eens goed bestudeerd en was naar mijn huis gekomen met het idee dat ik weer (op termijn fulltime) aan de slag zou kunnen. Hij zag heel veel mogelijkheden.

Stel je even voor dat je met dat idee naar mijn huis komt en dat er dan ook nog eens een vrolijk lachende, vriendelijke, zelfstandige vrouw in dat huis blijkt te wonen. Eén en één is twee, toch? Dat leek het wel ja. Nadat ik had uitgelegd wat mijn functie was voor ik me ziek meldde, vroeg de arbeidsdeskundige wat ik dacht dat ik nu zou kunnen. Ik was daar nogal helder in: Op dit moment kan ik eigenlijk niets. Ik ben te overprikkeld, te moe en te labiel. Hij vond dat ik erg negatief was en zag heel veel mogelijkheden. Dat ik nooit meer fulltime zou kunnen werken, snapte hij ook niet.

Paniek!
Op dat moment raakte ik in paniek. Ik had net uitgelegd wat mijn beperkingen zijn, maar blijkbaar vond deze man dat niet geloofwaardig. Nu hij had gezegd dat ik (op termijn fulltime) zou moeten gaan re-integreren, was de paniek compleet.

De paniek was er eigenlijk al veel langer. Nog net voor de arbeidsdeskundige arriveerde, liep de stress hoog op. Ik had al wat nachten met nachtmerries over werk gehad. Op de dag dat de arbeidsdeskundige zou komen, ‘ontmantelde’ ik mijn huis. Alle persoonlijke spullen gingen weg. Ik gunde de man geen kijkje in mijn privéleven. Vervolgens appte ik mijn moeder: “Als er straks een ambulance naar Huize Naomi rijdt, ben ik onder de stress bezweken.” Uiteraard was deze zogenaamd dappere, maar vooral heel eigenwijze dame van plan om het gesprek alleen te doen, maar mijn moeder bood aan te komen. Dat bleek een goed plan.

Eerst zette ik de man met bibberende handen koffie voor. Ik zag het kopje trillen, maar hij niet. Het gesprek begon dus, zoals al eerder beschreven, vrij kalm. Tot de paniek toesloeg.

Op dat moment moest mijn moeder het gesprek af en toe overnemen. De arbeidsdeskundige zag in dat ik op dit moment niet belastbaar ben. Daar heeft hij ook gelijk in, maar ik vond het heel erg dat hij dat niet geloofde toen ik het zei. Waarom geloven mensen me niet? Omdat ik nog kan lachen? Dat is mijn grootste probleem en dat stond ook in het arbeidsinzetbaarheidsprofiel. Maar ja, de paniek had het van me overgenomen; mijn moeder legde uit dat dit precies het probleem is en de arbeidsdeskundige zei dat ik me geen zorgen moest maken. Dat soort uitspraken werken bij mij niet.

Uiteindelijk wilde hij het nog eens uitleggen. “Dat komt bij mij niet meer binnen, maar dan luistert mijn moeder wel.” Zo geschiedde. De arbeidsdeskundige concludeerde dat ik niet belastbaar ben en zou dat doorgeven aan de bedrijfsarts (die dat al láng wist). Hij zou nog aan mij terugkoppelen wat de uitkomst was. Die uitkomst kwam vrij snel, met grote, dikke, geel gearceerde letters: geen re-integratie op dit moment.

Hoe nu verder?
Na afloop was ik ‘blij’ dat deze man had gezien hoe het écht werkt bij mij. Dat is zeldzaam en kan ik niet bewust wel of niet oproepen. Maar ja, ik bleef ervan balen dat mensen me niet gewoon geloven als ik iets zég. Ja, ik kan lachen, maar ik zou willen dat ik iets minder goed toneel kan spelen.

Was ik opgelucht? Ja en nee. Nee, natuurlijk is het niet leuk dat ik nog niet kan werken, nu ik al een jaar thuis ben. Ik zou echt wel weer aan de slag willen. Ik weet echter dat ik op dit moment nog niet voldoende ben hersteld om dat te kunnen. Dus ja, ik was opgelucht. Ik kreeg nog extra tijd om aan mijn herstel te werken. En die tijd heb ik nodig.

Vervolgens was er medicatie nodig om de rust te herstellen en gingen er nog wat onrustige dagen en nachten voorbij. Het had me gesloopt. Nee, ik ben niet die dappere dame. Ik ben een heel erg overbelaste autist, die hersteltijd nodig heeft. Deze man begrijpt dat nu. Op naar de volgende hobbel dan maar…

Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Ongenode gasten

Mensen die bij mij op bezoek komen; ik vind het meestal spannend, maar toch prima. Overigens heb ik liever wel dat die mensen dat vooraf even melden, want zogenaamde verrassingen vind ik niet zo leuk. De laatste tijd heb ik regelmatig last van ongenode gasten. Tijd om eens een blogje aan hen te wijden.

Bezzzzzoek
Allereerst krijg ik ’s nachts steeds ongenood bezoek. Ik word dan wakker van hun gezoem en heb ’s morgens wat souvenirs in de vorm van jeukende bulten. Ja, meer mensen last van? Ik nodig ze niet uit hoor en ik heb horren voor de ramen. Maar blijkbaar is het zó leuk bij mij thuis dat de dames daar allemaal geen enkele boodschap aan hebben. Ik ben dus ’s nachts regelmatig op jacht. Ach ja, dat is weer eens wat ander tijdverdrijf voor slapeloze uren.

Nachtmerries
Nog meer ander ongenood bezoek dat ’s nachts langskomt, meldt zich in de vorm van nachtmerries. Helaas schijnen nachtmerries een beetje bij de weg naar herstel te horen, maar wat mij betreft doe ik het liever zonder die dingen. En bovendien…de laatste tijd droom ik steeds dat er onverwacht en vooral ongewenst bezoek voor de deur staat. Dat begint dan met één persoon. “Verrassing!” Dat eindigt met een huis vol mensen, terwijl ik juist zo lekker ein-de-lijk even wat voor mezelf aan het doen was. Ik wijd het maar aan het feit dat ik nogal overprikkeld was in de tijd dat ik dat steeds droomde. Ik wilde alleen maar rust, maar dat was er niet.

Werk
Het meest onwelkome en sowieso ongenode bezoek is alles wat met werk te maken heeft. Ik durf er nog steeds niet goed over te schrijven, maar een klein begin maak ik nu toch maar.
De leerlingen zijn het probleem niet. Het feit dat werk het grootste deel van mijn nachtmerries domineert, heeft te maken met het onbegrip van mijn werkgever voor mijn ziekte.

Een ongenode werkgast meldde zich. Ik ben nu bijna een jaar ziek thuis en heb daarom binnenkort een gesprek met een arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts snap ik inmiddels; dat is niet meer eng. Dit is nieuw en onbekend en dus eng. De arbeidsdeskundige wilde een gesprek met mijn werkgever en mij samen. Dat is onmogelijk en dat werd gelukkig geaccepteerd. Vervolgens besloot de arbeidsdeskundige dan bij mij thuis te komen. Daar had ik niet om gevraagd. Ik zou liever naar het kantoor gaan, want ik wil dit bezoek niet thuis. Mijn huis is veilig. Daar kan en wil ik geen werk binnen hebben. Het schijnt echter toch te gaan gebeuren.

Tot slot was er nog een ongenode bos bloemen. Op dit moment heb ik geen contact met mijn collega’s. Ik spreek wel bevriende collega’s, maar dat is dan op eigen initiatief en heeft niets met werk te maken. Alles wat met werk te maken heeft, geeft zoveel stress dat het onverantwoord is. De collega’s doen echter wel hun best. Er werden bloemen bezorgd door een onafhankelijke bezorgdienst. Als afzender stond ‘je collega’s’ op het kaartje. Ik kon er niets aan doen. Heel even mochten de bloemen naar binnen. Toen heb ik ze gezet waar werk op dit moment hoort. Ver buiten mijn bereik. Dag bloemen. Ik ken jullie goede intenties, maar ik ken ook mijn nachtmerries. Ze gingen na vijf minuten weer naar buiten en stonden daar afwisselend in de regen en de brandende zon. Ik voelde me ondankbaar. Maar ik voelde me ook alsof ik ein-de-lijk een ongenode gast buiten had gezet. En dat was nodig.  

Altijd bereikbaar

In onze huidige maatschappij lijken we altijd maar bereikbaar te moeten zijn. Even snel een vraag beantwoorden via de app, je telefoon altijd bij je hebben en denk erom dat je je mail direct beantwoordt. Ik merkte dat die eeuwige bereikbaarheid me veel onrust bracht en zocht naar oplossingen.

Bereikbaar voor iedereen?
Voor mezelf zie ik wel een verschil tussen bereikbaar zijn voor collega’s of voor anderen. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk dat mijn familie en vrienden me in geval van nood kunnen bereiken. Dat kan ook, want ze kennen het nummer van mijn vaste telefoon. Als mijn mobiele telefoon dus even op stil staat, kunnen ze me gewoon bereiken.

Als collega’s me wilden bereiken, had ik daar in mijn vrije tijd behoorlijk wat moeite mee. Ik zou het liefst na een werkdag naar huis gaan en dan niet meer na hoeven denken over werk, tenzij ik daar zelf voor kies.

Op vrijdagmiddag was ik vrij. Ik leerde mezelf dat ik mijn werkmail niet meer thuis zou lezen, tenzij dat een bewuste keuze was. Als ik nog even thuis wilde werken, vond ik de werkmail lezen prima, maar niet ‘even tussendoor’. Als iemand me op vrijdagmiddag mailde, las ik dat soms pas op maandagochtend. Ik vond dat fijn, want dan had ik er in ieder geval in het weekend niet over na hoeven denken. Het werd me echter door mijn werkgever verweten: “Het is nu maandagochtend en je hebt het net pas gelezen? Het is vrijdagmiddag al verstuurd. Je kan thuis toch ook je mail lezen?” Ja, dat klopt, maar stiekem was ik er trots op dat ik de mail pas op maandagmorgen had gezien.

Ik ben (even) onbereikbaar
Thuis ben ik heel makkelijk met onbereikbaar zijn. Mijn mobiele telefoon staat vaak op stil en mijn deurbel staat vrijwel altijd uit. Geen gedoe. Appjes lees ik wel als ik daar zelf zin in heb en niet als er van alles begint te bliepen.

Sinds kort komen er op mijn telefoon alleen nog meldingen binnen van appjes in privégesprekken. De rest piept niet en geeft geen icoontjes. Die rust vind ik heerlijk.

Op mijn werk vond ik het moeilijker. Mijn werk bracht veel mails en telefoontjes met zich mee. Als ik dan met iets bezig was, zag ik op mijn scherm nieuwe mails verschijnen. Ik zette dus de pop-ups uit. Dat bleek echter niet genoeg, want ik keek toch steeds even tussendoor of er mail was. Ik beantwoordde die mails dan ook maar gelijk, als dat kon.

Effectief werken en je mailbox
Al die mailtjes die ik ‘even tussendoor’ deed, haalden me steeds uit mijn concentratie en kostten daarom best wat tijd. Ik stuitte ergens in een wachtkamer op een artikel over effectief werken en over stress en burn-out. In het artikel werd geadviseerd om je mail niet de hele dag open te zetten, maar om die twee keer per dag te controleren.

De eerstvolgende werkdag besloot ik de mail te sluiten. Aan het begin van de dag keek ik en beantwoordde ik urgente mails. Verder plande ik mails beantwoorden echt in en een uur voor ik naar huis ging, keek ik nog even naar urgente zaken.

Het bracht mij rust. Het was in het begin even wennen om mensen langer dan vijf minuten op antwoord te laten wachten, maar het bleek uiteraard (voor de meesten!) geen probleem te zijn. De belangrijkste les voor mij was dat het prima is om even onbereikbaar te zijn. Mensen kunnen best even wachten op antwoord.

Collega’s en vrije tijd

Je hebt een hele dag gewerkt. ’s Avonds zit je lekker thuis op de bank een beetje bij te komen en ineens gaat je telefoon. Een collega. Voor sommige mensen is het geen probleem, maar ik houd er niet van. Wat is mijn probleem dan eigenlijk met collega’s in mijn vrije tijd?

Collega’s en mijn mobiele nummer
In de loop der jaren kregen steeds meer collega’s (geheel tegen mijn zin) de beschikking over mijn mobiele nummer. Het was het begin van weinig goeds.

Als ik thuis (of nog erger: op een verjaardag!) was, kreeg ik dan soms een appje. Of ik nog even dit of dat kon regelen en of ik misschien wist hoe het zat met zus en zo? En had ik toevallig de ouders van die en die nog gesproken? Kan ik morgen even…? NEEEE schreeuwde dan alles in mij. Ik had mijn tijd thuis echt nodig om bij te tanken en even niet bereikbaar te zijn. Even geen juf zijn en geen Intern Begeleider. Gewoon even mezelf zijn. Bij dringende zaken (ik denk hier aan conflicten, overlijden of ziekte van een ouder of kind of iets in die categorie) konden ze me altijd bellen op de vaste lijn.

Communicatie over werk via de mobiele telefoon
Heel langzaam werd WhatsApp en de mobiele telefoon voor een aantal collega’s de makkelijkste manier van communicatie. Dat ik daar heel anders over dacht, konden ze niet begrijpen. Ik kreeg liever een mail met vragen. Die zou ik namelijk kunnen lezen op mijn tijd. Bijvoorbeeld de volgende morgen op mijn werk en niet nog even net voor ik naar bed ging.

Ik was zo eerlijk de collega’s te verzoeken mijn mobiele nummer alleen te gebruiken bij noodgevallen, maar die boodschap landde niet.

De bom barst
Op een dag barstte de bom. Ik had therapie gehad (en nee, dat wisten mijn collega’s niet, maar dan nog) en was versleten. Een paar weken eerder had mijn werkgever me tijdens mijn therapie al een aantal keer gebeld. En in plaats van naar huis te gaan en uit te huilen, ging ik dus terug naar mijn werk. Maar goed, de dag dat de bom barstte. Ik had die morgen mijn mail weggewerkt, alle lopende zaken afgehandeld en ik had me voorgenomen echt weekend te vieren. Ik had het namelijk nodig. Mijn collega’s dachten er anders over. Nog tijdens de therapiesessie kwamen de eerste appjes al binnen. Ook op vrijdagavond kwamen er weer appjes binnen. Appjes met vragen waar ik even goed over na moest denken. Terwijl ze kwamen, zat ik op de fiets. Niet omdat ik dat zo leuk vond, maar omdat ik er alles aan deed om mijn hoofd te legen. Dat ging op deze manier niet lukken.

Ligt de oplossing in een nieuw nummer?
Ik was er klaar mee. De volgende dag stond ik in een telefoonwinkel. Ik wilde een nieuwe telefoon en een ander nummer. Uiteindelijk vertrok ik met één telefoon en daarin twee kaarten. Op de ene kaart stond mijn oude nummer. Die behield ik voor familie en vrienden. Ik blokkeerde alle collega’s op die kaart en mailde hen dat ik een nieuw nummer had. Voortaan kwamen hun appjes dus binnen op mijn andere kaart.

Die andere kaart bleek een feest: Ik kreeg appjes pas binnen op het moment dat ik dat zélf wilde en die kaart ontgrendelde. Voortaan kon ik dus zelf bepalen of ik wel of niet zou zien dat een collega me had geappt. Uiteraard wisten mijn collega’s daar niets van. Telefoontjes kwamen wel altijd door, maar telefoontjes waren meestal echt belangrijk en appjes niet, dus dat was oké.

Mijn werkgever was van het bellen. Of het nu weekend, vakantie of ’s avonds laat was, als mijn werkgever me nodig had, ging de telefoon. Niet opnemen kwam in mijn woordenboek toen nog niet voor.

De eeuwige bereikbaarheid en mijn burn-out
Deze eeuwige bereikbaarheid is één van de oorzaken van mijn burn-out. Niet de kinderen, de ouders of het lesgeven waren het probleem.
Het probleem lag bij mijn collega’s. Bij het constant overschrijden van mijn grenzen en bij het feit dat ik altijd maar bereikbaar moest zijn. Ik kan dat niet. Soms vraag ik me af wat er was gebeurd als dat was geaccepteerd. Had ik dan niet al bijna een jaar ziek thuis gezeten? Ik weet het niet. Het doet er ook niet toe, want het is nu toch te laat.

En het diepste probleem? Dat lag bij mij. Ik liet namelijk constant over mijn grenzen heen walsen. Ik wist dat het niet ging. Ik zei nee, heel vaak. Maar omdat ik vervolgens niet tegensputterde als iemand toch handelde naar ja, kwam ik terecht in een patroon waar ik een hoge prijs voor betaal. De prijs van mijn gezondheid. En nee, dat was het niet waard. Ik had liever wat vaker nee verkocht aan mijn collega’s.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

De volle agenda

Als je een afspraak met iemand wilt maken, komt het maar al te vaak voor dat diegene eerst zijn neus in de agenda moet steken. Vervolgens komen er allerlei verontschuldigingen en tot slot wordt er een afspraak gemaakt die nog even op zich laat wachten. Want ja, die ander is druk.

Ik deed daar zelf ook heel lang aan mee. Op werkdagen sloop mijn agenda vol. Even een praatje maken met iemand was er eigenlijk niet meer bij. Voor werkdagen vond ik dat nog enigszins acceptabel.

Er is ook thuis. Ik ken mensen die minstens vier of vijf avonden per week de deur uit zijn. Elke week. Het hele jaar door. Ze gaan sporten, naar vrienden, een avondje werken, naar een verjaardag, enz. Ik deed dat ook, want zo hoorde het blijkbaar. Ik was heel lang van maandag- tot en met donderdagavond bezet met vaste afspraken, naast mijn fulltime baan. Ergens voelde dat ‘goed’, want ja, dat deed ‘iedereen’. De weekenden waren dan nog redelijk vrij. Ik was óp, na zo’n week, maar ja, andere mensen gaan in het weekend ’s avonds naar familie of iets leuks doen. Zou ik dat dan ook niet moeten doen? Ik deed het. In het weekend was ik meestal minstens één avond ook de deur uit. De goede rekenaar ziet nu dat er één of twee avonden in de week vrij waren. Maar ja, ergens moest er ook een keer een huishouden gedaan worden en moesten er boodschappen gehaald worden. Dat moest dus op één van die vrije avonden. En oja, ik deed nog een studie, naast mijn baan. Dat moest er ook ergens in worden geprakt. Gezellig op zaterdag dan maar.

Ik hield dat twee jaar lang vol. Toen haalde ik mijn diploma. De zomervakantie brak aan. Mijn lijf gaf aan dat het klaar was en gooide me direct de eerste nacht in bed met een griepje. Het was tijd om rust te nemen.

Waar dit heen gaat? Ik had die volle agenda. Dat voelde eigenlijk helemaal niet goed. Elke maandag had ik het gevoel dat ik aan een marathon begon, met mijn tong al op mijn tenen. Voor de wereld om me heen hield ik de schijn op. Met een volle agenda hoorde ik erbij. Ik kon toch niet avond aan avond thuis gaan zitten? Ik was er trots op dat ik kon voldoen aan de verwachtingen van de buitenwereld. Ondertussen zoog deze weekinvulling me volledig leeg. En toch hield ik zo lang mogelijk vol. Ik schrapte eerst alle leuke en ontspannende dingen uit het programma en ging werken, werken en nog eens werken. En slapen.

Toen was het klaar. Die volle agenda heeft me gesloopt. En ja, er zijn mensen die er prima mee om kunnen gaan als ze vijf avonden in de week van huis zijn. Ik kan dat niet. Dat heb ik door schade en schande moeten leren. Ik laad niet op van veel mensen om me heen. Ik laad op van thuis zijn, rustig op de bank met een kleurplaat, een boek of een fijn programma op de buis. Ik schaamde me daarvoor. Nu niet meer. Iedereen mag trots zijn op zijn volle agenda. Ik ben vooral heel trots als hij zo leeg mogelijk is. Want voor mij is dat het allerbeste.

Wel feesten, niet werken?

Al heel wat jaren moet ik gedoseerd leven, want mijn depressie zorgt voor enorme vermoeidheid. Heel lang betekende dat dat ik werkte en sliep en verder niks kon. Dat kon natuurlijk niet eindeloos goed gaan, maar ik dacht dat het op een dag beter zou worden en allemaal zou veranderen, zomaar vanzelf. Dat deed het niet.

Na jaren volhouden en vooral heel hard door blijven werken, brak het moment aan dat ik me, na overleg met behandelaars die me goed kennen, ziek meldde.  Ik kwam thuis te zitten en ging op een andere manier doseren. Het was niet alleen meer werken en slapen, maar het werd goed voor mezelf zorgen en nog steeds heel veel slapen.

Toch vond ik het heel ingewikkeld. Er kwamen verjaardagen. Kon ik daar nog wel naartoe? Wat als mijn collega’s zouden weten dat ik wel op die verjaardag was, terwijl ik niet werk? Ik moest mijn boodschappen doen, want ja, eten groeit niet in mijn hal, en kwam in de supermarkt ouders van leerlingen tegen. Wat zullen ze nu toch allemaal denken? Ik vond een bezoek aan de supermarkt nog te verantwoorden, want ik moet nu eenmaal eten en drinken.

Ik ging een avondje uit, met de nodige voorzorgsmaatregelen. Ik lag ’s morgens lang in bed en ’s middags sliep ik ook nog een poosje. ’s Avonds ging ik op stap. Ik betrapte mezelf erop dat ik constant om me heen keek. Waren hier misschien ook collega’s of leerlingen of ouders? Die waren er niet. Ik voelde me daar opgelucht over. De volgende morgen werd ik pas heel laat wakker. Ik had enorme moeite met uit bed komen en hing de rest van de dag een beetje op de bank. Meer energie was er niet. Maar ik had wél een fijne avond gehad.

Elke dag ga ik naar buiten. Dat deed ik al voor ik me ziek meldde en doe ik nog steeds. Mensen zien me lopen of fietsen of in de auto stappen. Daar vinden ze in mijn beleving van alles van. Ik merk dat ik me daar soms door tegen laat houden. Ik werk niet, dan kan ik toch ook niet….? Toch probeer ik daar nu mee te stoppen. Nee, ik werk niet. En ja, ik ga wel naar familie en vrienden. Maar dat doe ik gedoseerd. Ik betaal er bovendien een prijs voor. Als ik vandaag een gezellige avond heb, ben ik morgen moe en komt er niets uit mijn handen. Dat zien anderen niet. Mensen die zien hoe ‘gezellig’ ik nog van alles onderneem, zien niet dat ik daar van alles voor moet doen en laten. Ze zien niet dat ik daar achteraf een behoorlijke prijs voor betaal. Die prijs is het altijd waard, want als iets de prijs niet waard is, sla ik over. Maar het is een onzichtbare prijs.

Ik weet dat er een enkeling is die inderdaad redeneert dat ik niets leuks zou mogen doen, maar gelukkig zijn er ook vele anderen. Op straat sprak iemand me aan: ‘Misschien vind je het heel vervelend dat ik je aanspreek, maar ik wil gewoon even zeggen dat ik altijd zo blij ben als ik je weer zie lopen.’ Zo kan het dus ook. Dat helpt me om die andere meningen meer en meer naast me neer te leggen. Ja, ik ga wel naar verjaardagen (als ze me de prijs waard zijn) en ja, ik doe soms leuke dingen met familie of vrienden. Maar ik betaal er ook de prijs voor. Ik leer de balans te vinden en ik ga mezelf niet meer verantwoorden voor de dingen die ik doe. Hooguit verwijs ik nog naar deze blog, in het vervolg…