Altijd bereikbaar

In onze huidige maatschappij lijken we altijd maar bereikbaar te moeten zijn. Even snel een vraag beantwoorden via de app, je telefoon altijd bij je hebben en denk erom dat je je mail direct beantwoordt. Ik merkte dat die eeuwige bereikbaarheid me veel onrust bracht en zocht naar oplossingen.

Bereikbaar voor iedereen?
Voor mezelf zie ik wel een verschil tussen bereikbaar zijn voor collega’s of voor anderen. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk dat mijn familie en vrienden me in geval van nood kunnen bereiken. Dat kan ook, want ze kennen het nummer van mijn vaste telefoon. Als mijn mobiele telefoon dus even op stil staat, kunnen ze me gewoon bereiken.

Als collega’s me wilden bereiken, had ik daar in mijn vrije tijd behoorlijk wat moeite mee. Ik zou het liefst na een werkdag naar huis gaan en dan niet meer na hoeven denken over werk, tenzij ik daar zelf voor kies.

Op vrijdagmiddag was ik vrij. Ik leerde mezelf dat ik mijn werkmail niet meer thuis zou lezen, tenzij dat een bewuste keuze was. Als ik nog even thuis wilde werken, vond ik de werkmail lezen prima, maar niet ‘even tussendoor’. Als iemand me op vrijdagmiddag mailde, las ik dat soms pas op maandagochtend. Ik vond dat fijn, want dan had ik er in ieder geval in het weekend niet over na hoeven denken. Het werd me echter door mijn werkgever verweten: “Het is nu maandagochtend en je hebt het net pas gelezen? Het is vrijdagmiddag al verstuurd. Je kan thuis toch ook je mail lezen?” Ja, dat klopt, maar stiekem was ik er trots op dat ik de mail pas op maandagmorgen had gezien.

Ik ben (even) onbereikbaar
Thuis ben ik heel makkelijk met onbereikbaar zijn. Mijn mobiele telefoon staat vaak op stil en mijn deurbel staat vrijwel altijd uit. Geen gedoe. Appjes lees ik wel als ik daar zelf zin in heb en niet als er van alles begint te bliepen.

Sinds kort komen er op mijn telefoon alleen nog meldingen binnen van appjes in privégesprekken. De rest piept niet en geeft geen icoontjes. Die rust vind ik heerlijk.

Op mijn werk vond ik het moeilijker. Mijn werk bracht veel mails en telefoontjes met zich mee. Als ik dan met iets bezig was, zag ik op mijn scherm nieuwe mails verschijnen. Ik zette dus de pop-ups uit. Dat bleek echter niet genoeg, want ik keek toch steeds even tussendoor of er mail was. Ik beantwoordde die mails dan ook maar gelijk, als dat kon.

Effectief werken en je mailbox
Al die mailtjes die ik ‘even tussendoor’ deed, haalden me steeds uit mijn concentratie en kostten daarom best wat tijd. Ik stuitte ergens in een wachtkamer op een artikel over effectief werken en over stress en burn-out. In het artikel werd geadviseerd om je mail niet de hele dag open te zetten, maar om die twee keer per dag te controleren.

De eerstvolgende werkdag besloot ik de mail te sluiten. Aan het begin van de dag keek ik en beantwoordde ik urgente mails. Verder plande ik mails beantwoorden echt in en een uur voor ik naar huis ging, keek ik nog even naar urgente zaken.

Het bracht mij rust. Het was in het begin even wennen om mensen langer dan vijf minuten op antwoord te laten wachten, maar het bleek uiteraard (voor de meesten!) geen probleem te zijn. De belangrijkste les voor mij was dat het prima is om even onbereikbaar te zijn. Mensen kunnen best even wachten op antwoord.

Collega’s en vrije tijd

Je hebt een hele dag gewerkt. ’s Avonds zit je lekker thuis op de bank een beetje bij te komen en ineens gaat je telefoon. Een collega. Voor sommige mensen is het geen probleem, maar ik houd er niet van. Wat is mijn probleem dan eigenlijk met collega’s in mijn vrije tijd?

Collega’s en mijn mobiele nummer
In de loop der jaren kregen steeds meer collega’s (geheel tegen mijn zin) de beschikking over mijn mobiele nummer. Het was het begin van weinig goeds.

Als ik thuis (of nog erger: op een verjaardag!) was, kreeg ik dan soms een appje. Of ik nog even dit of dat kon regelen en of ik misschien wist hoe het zat met zus en zo? En had ik toevallig de ouders van die en die nog gesproken? Kan ik morgen even…? NEEEE schreeuwde dan alles in mij. Ik had mijn tijd thuis echt nodig om bij te tanken en even niet bereikbaar te zijn. Even geen juf zijn en geen Intern Begeleider. Gewoon even mezelf zijn. Bij dringende zaken (ik denk hier aan conflicten, overlijden of ziekte van een ouder of kind of iets in die categorie) konden ze me altijd bellen op de vaste lijn.

Communicatie over werk via de mobiele telefoon
Heel langzaam werd WhatsApp en de mobiele telefoon voor een aantal collega’s de makkelijkste manier van communicatie. Dat ik daar heel anders over dacht, konden ze niet begrijpen. Ik kreeg liever een mail met vragen. Die zou ik namelijk kunnen lezen op mijn tijd. Bijvoorbeeld de volgende morgen op mijn werk en niet nog even net voor ik naar bed ging.

Ik was zo eerlijk de collega’s te verzoeken mijn mobiele nummer alleen te gebruiken bij noodgevallen, maar die boodschap landde niet.

De bom barst
Op een dag barstte de bom. Ik had therapie gehad (en nee, dat wisten mijn collega’s niet, maar dan nog) en was versleten. Een paar weken eerder had mijn werkgever me tijdens mijn therapie al een aantal keer gebeld. En in plaats van naar huis te gaan en uit te huilen, ging ik dus terug naar mijn werk. Maar goed, de dag dat de bom barstte. Ik had die morgen mijn mail weggewerkt, alle lopende zaken afgehandeld en ik had me voorgenomen echt weekend te vieren. Ik had het namelijk nodig. Mijn collega’s dachten er anders over. Nog tijdens de therapiesessie kwamen de eerste appjes al binnen. Ook op vrijdagavond kwamen er weer appjes binnen. Appjes met vragen waar ik even goed over na moest denken. Terwijl ze kwamen, zat ik op de fiets. Niet omdat ik dat zo leuk vond, maar omdat ik er alles aan deed om mijn hoofd te legen. Dat ging op deze manier niet lukken.

Ligt de oplossing in een nieuw nummer?
Ik was er klaar mee. De volgende dag stond ik in een telefoonwinkel. Ik wilde een nieuwe telefoon en een ander nummer. Uiteindelijk vertrok ik met één telefoon en daarin twee kaarten. Op de ene kaart stond mijn oude nummer. Die behield ik voor familie en vrienden. Ik blokkeerde alle collega’s op die kaart en mailde hen dat ik een nieuw nummer had. Voortaan kwamen hun appjes dus binnen op mijn andere kaart.

Die andere kaart bleek een feest: Ik kreeg appjes pas binnen op het moment dat ik dat zélf wilde en die kaart ontgrendelde. Voortaan kon ik dus zelf bepalen of ik wel of niet zou zien dat een collega me had geappt. Uiteraard wisten mijn collega’s daar niets van. Telefoontjes kwamen wel altijd door, maar telefoontjes waren meestal echt belangrijk en appjes niet, dus dat was oké.

Mijn werkgever was van het bellen. Of het nu weekend, vakantie of ’s avonds laat was, als mijn werkgever me nodig had, ging de telefoon. Niet opnemen kwam in mijn woordenboek toen nog niet voor.

De eeuwige bereikbaarheid en mijn burn-out
Deze eeuwige bereikbaarheid is één van de oorzaken van mijn burn-out. Niet de kinderen, de ouders of het lesgeven waren het probleem.
Het probleem lag bij mijn collega’s. Bij het constant overschrijden van mijn grenzen en bij het feit dat ik altijd maar bereikbaar moest zijn. Ik kan dat niet. Soms vraag ik me af wat er was gebeurd als dat was geaccepteerd. Had ik dan niet al bijna een jaar ziek thuis gezeten? Ik weet het niet. Het doet er ook niet toe, want het is nu toch te laat.

En het diepste probleem? Dat lag bij mij. Ik liet namelijk constant over mijn grenzen heen walsen. Ik wist dat het niet ging. Ik zei nee, heel vaak. Maar omdat ik vervolgens niet tegensputterde als iemand toch handelde naar ja, kwam ik terecht in een patroon waar ik een hoge prijs voor betaal. De prijs van mijn gezondheid. En nee, dat was het niet waard. Ik had liever wat vaker nee verkocht aan mijn collega’s.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

De volle agenda

Als je een afspraak met iemand wilt maken, komt het maar al te vaak voor dat diegene eerst zijn neus in de agenda moet steken. Vervolgens komen er allerlei verontschuldigingen en tot slot wordt er een afspraak gemaakt die nog even op zich laat wachten. Want ja, die ander is druk.

Ik deed daar zelf ook heel lang aan mee. Op werkdagen sloop mijn agenda vol. Even een praatje maken met iemand was er eigenlijk niet meer bij. Voor werkdagen vond ik dat nog enigszins acceptabel.

Er is ook thuis. Ik ken mensen die minstens vier of vijf avonden per week de deur uit zijn. Elke week. Het hele jaar door. Ze gaan sporten, naar vrienden, een avondje werken, naar een verjaardag, enz. Ik deed dat ook, want zo hoorde het blijkbaar. Ik was heel lang van maandag- tot en met donderdagavond bezet met vaste afspraken, naast mijn fulltime baan. Ergens voelde dat ‘goed’, want ja, dat deed ‘iedereen’. De weekenden waren dan nog redelijk vrij. Ik was óp, na zo’n week, maar ja, andere mensen gaan in het weekend ’s avonds naar familie of iets leuks doen. Zou ik dat dan ook niet moeten doen? Ik deed het. In het weekend was ik meestal minstens één avond ook de deur uit. De goede rekenaar ziet nu dat er één of twee avonden in de week vrij waren. Maar ja, ergens moest er ook een keer een huishouden gedaan worden en moesten er boodschappen gehaald worden. Dat moest dus op één van die vrije avonden. En oja, ik deed nog een studie, naast mijn baan. Dat moest er ook ergens in worden geprakt. Gezellig op zaterdag dan maar.

Ik hield dat twee jaar lang vol. Toen haalde ik mijn diploma. De zomervakantie brak aan. Mijn lijf gaf aan dat het klaar was en gooide me direct de eerste nacht in bed met een griepje. Het was tijd om rust te nemen.

Waar dit heen gaat? Ik had die volle agenda. Dat voelde eigenlijk helemaal niet goed. Elke maandag had ik het gevoel dat ik aan een marathon begon, met mijn tong al op mijn tenen. Voor de wereld om me heen hield ik de schijn op. Met een volle agenda hoorde ik erbij. Ik kon toch niet avond aan avond thuis gaan zitten? Ik was er trots op dat ik kon voldoen aan de verwachtingen van de buitenwereld. Ondertussen zoog deze weekinvulling me volledig leeg. En toch hield ik zo lang mogelijk vol. Ik schrapte eerst alle leuke en ontspannende dingen uit het programma en ging werken, werken en nog eens werken. En slapen.

Toen was het klaar. Die volle agenda heeft me gesloopt. En ja, er zijn mensen die er prima mee om kunnen gaan als ze vijf avonden in de week van huis zijn. Ik kan dat niet. Dat heb ik door schade en schande moeten leren. Ik laad niet op van veel mensen om me heen. Ik laad op van thuis zijn, rustig op de bank met een kleurplaat, een boek of een fijn programma op de buis. Ik schaamde me daarvoor. Nu niet meer. Iedereen mag trots zijn op zijn volle agenda. Ik ben vooral heel trots als hij zo leeg mogelijk is. Want voor mij is dat het allerbeste.

Wel feesten, niet werken?

Al heel wat jaren moet ik gedoseerd leven, want mijn depressie zorgt voor enorme vermoeidheid. Heel lang betekende dat dat ik werkte en sliep en verder niks kon. Dat kon natuurlijk niet eindeloos goed gaan, maar ik dacht dat het op een dag beter zou worden en allemaal zou veranderen, zomaar vanzelf. Dat deed het niet.

Na jaren volhouden en vooral heel hard door blijven werken, brak het moment aan dat ik me, na overleg met behandelaars die me goed kennen, ziek meldde.  Ik kwam thuis te zitten en ging op een andere manier doseren. Het was niet alleen meer werken en slapen, maar het werd goed voor mezelf zorgen en nog steeds heel veel slapen.

Toch vond ik het heel ingewikkeld. Er kwamen verjaardagen. Kon ik daar nog wel naartoe? Wat als mijn collega’s zouden weten dat ik wel op die verjaardag was, terwijl ik niet werk? Ik moest mijn boodschappen doen, want ja, eten groeit niet in mijn hal, en kwam in de supermarkt ouders van leerlingen tegen. Wat zullen ze nu toch allemaal denken? Ik vond een bezoek aan de supermarkt nog te verantwoorden, want ik moet nu eenmaal eten en drinken.

Ik ging een avondje uit, met de nodige voorzorgsmaatregelen. Ik lag ’s morgens lang in bed en ’s middags sliep ik ook nog een poosje. ’s Avonds ging ik op stap. Ik betrapte mezelf erop dat ik constant om me heen keek. Waren hier misschien ook collega’s of leerlingen of ouders? Die waren er niet. Ik voelde me daar opgelucht over. De volgende morgen werd ik pas heel laat wakker. Ik had enorme moeite met uit bed komen en hing de rest van de dag een beetje op de bank. Meer energie was er niet. Maar ik had wél een fijne avond gehad.

Elke dag ga ik naar buiten. Dat deed ik al voor ik me ziek meldde en doe ik nog steeds. Mensen zien me lopen of fietsen of in de auto stappen. Daar vinden ze in mijn beleving van alles van. Ik merk dat ik me daar soms door tegen laat houden. Ik werk niet, dan kan ik toch ook niet….? Toch probeer ik daar nu mee te stoppen. Nee, ik werk niet. En ja, ik ga wel naar familie en vrienden. Maar dat doe ik gedoseerd. Ik betaal er bovendien een prijs voor. Als ik vandaag een gezellige avond heb, ben ik morgen moe en komt er niets uit mijn handen. Dat zien anderen niet. Mensen die zien hoe ‘gezellig’ ik nog van alles onderneem, zien niet dat ik daar van alles voor moet doen en laten. Ze zien niet dat ik daar achteraf een behoorlijke prijs voor betaal. Die prijs is het altijd waard, want als iets de prijs niet waard is, sla ik over. Maar het is een onzichtbare prijs.

Ik weet dat er een enkeling is die inderdaad redeneert dat ik niets leuks zou mogen doen, maar gelukkig zijn er ook vele anderen. Op straat sprak iemand me aan: ‘Misschien vind je het heel vervelend dat ik je aanspreek, maar ik wil gewoon even zeggen dat ik altijd zo blij ben als ik je weer zie lopen.’ Zo kan het dus ook. Dat helpt me om die andere meningen meer en meer naast me neer te leggen. Ja, ik ga wel naar verjaardagen (als ze me de prijs waard zijn) en ja, ik doe soms leuke dingen met familie of vrienden. Maar ik betaal er ook de prijs voor. Ik leer de balans te vinden en ik ga mezelf niet meer verantwoorden voor de dingen die ik doe. Hooguit verwijs ik nog naar deze blog, in het vervolg…