Goedbedoeld advies

Soms drijft mijn hypochondrie me tot waanzin. Angst beheerst me dan en dat is behoorlijk heftig. Ik weet dat ik dan afleiding moet zoeken, door bijvoorbeeld te wandelen, een boek te lezen of een kleurplaat te pakken.

Die afleiding is de eerste stap. Daarnaast staat er altijd nog een consult met de huisarts gepland. Ik kan mijn klachten dus opschrijven en ze vervolgens ‘parkeren’ tot dat volgende consult.

Soms is afleiding niet genoeg. Dan blijft de angst me beheersen en kan ik aan niets anders meer denken. Ja, ik loop dan wel een rondje, maar ik kan tijdens dat rondje alleen maar bedenken dat ik doodziek ben. En ja, ik pak dan wel een kleurplaat, maar ik kan alleen maar bedenken dat dat de oplossing niet is. In zo’n geval breekt er paniek uit. Dan is er nog één laatste, tijdelijke oplossing. Die laatste oplossing heet geruststelling. Ik weet ook wel dat dat niet altijd handig is, maar ja, als angst je tot waanzin drijft, is het soms nog de enige optie.

Mezelf geruststellen kan ik niet. Een ander kan dat ook niet. Een vriendin kan heus wel zeggen dat er niets aan de hand is, maar dat weet ik zelf met mijn verstand ook. Ik geloof het pas als een arts dat heeft bevestigd, want die heeft er verstand van.

Pas had ik zo’n geval. Ik had een paar drukke weken achter de rug en mijn hypochondrie reageerde er nogal op. Opeens werd álles wat ik voelde eng. Er stond nog een afspraak met de huisarts. Ik had al bijna twee weken mezelf verteld dat ik niet eerder zou bellen en dat ik de angst kon verdragen. Ik kon het niet. Twee dagen voor de geplande afspraak hielp niets meer. Ik wist dat er nog één oplossing was: Hulp zoeken.

Dat deed ik. Ik mailde mijn psycholoog. Dat bleek echter niet genoeg. Ik had een arts nodig, merkte ik en dus belde ik de huisartsenpraktijk. Ik legde uit dat het niet meer ging en dat ik graag een arts zou zien. Moeilijk, moeilijk, druk, druk. Daar schoot ik al op slot. Ik wil niemand tot last zijn, dus ja, dan maar niet. De assistente zou het met de huisarts overleggen en me dan terugbellen. Niet veel later ging de telefoon. “Hij zegt dat je afleiding moet zoeken. Een rondje wandelen, even iemand bellen, kun je niet naar iemand toe?” Serieus?! Die fase was ik dus al láng voorbij. En nee, ik kon niet naar iemand toe. Dat was op dat moment echt geen optie meer. De angst was al veel te groot geworden. Ik was inmiddels aan de grote schoonmaak begonnen en dat vond de assistente een heel goed idee. Ik niet. Ik heb een dokter nodig. Ze legde uit dat ik het nog maar even aan moest kijken en tot de geplande afspraak vol moest proberen te houden. Ik kon wel komen, maar dan moesten anderen worden afgezegd, dus liever niet. Mijn autisme liet me op dat moment mijn tong verliezen. Ik stemde in, terwijl ik heus wel wist dat ik het niet zou redden.

Vervolgens belde mijn psycholoog me, naar aanleiding van mijn mail. Zijn conclusie was al heel snel helder. Ik had een dokter nodig. Hij adviseerde me dan ook om wél die anderen af te laten bellen. Ik legde uit dat ik echt niet nog een keer zou bellen, want ik had gezegd dat ik het tot de geplande afspraak uit zou houden. Hij adviseerde me dringend daar nu op terug te komen. Ik was eigenwijs en deed het niet.

Mijn vriendin was gelukkig ook (eigen)wijs. Ik voelde me zó stom dat ik eigenlijk geen bezoek wilde ontvangen. Maar zij begreep dat ik wél iemand nodig had en ze kwam. Dat was fijn. Geruststellen kon ze me niet. Wel uitleggen dat deze angst een reactie was op de volle laatste weken en me even afleiden.

Ik wachtte op de geplande afspraak met de huisarts. Ik poetste me een berg spierpijn, wandelde, kleurde en was verdrietig. Het ging niet. Ik had, zoals mijn crisisplan dat voorschrijft, de huisarts gebeld. Ik háát bellen. Dus áls ik bel, is er echt wel iets aan de hand. Met een goedbedoeld advies als wandelen kon ik even niks. Maar ja, dat kon ik aan de telefoon niet zeggen. Bellen vind ik namelijk drama, omdat ik dan de sociale interactie niet goed in kan schatten. Conclusie 1: Soms zou het fijn zijn als ik geen toneelschooldiploma op zak heb. Conclusie 2: Het zou fijn zijn als mensen me geloven als ik zeg dat het niet gaat.

De slotconclusie trok de huisarts, toen ik ein-de-lijk op het geplande consult kwam. “Als jij belt, moet er gezorgd worden dat je contact hebt met een arts. Als het niet op het spreekuur kan, moet een arts je even terugbellen.” Prima plan, maar ik geef toe dat ik eerst wil zien, voor ik ga geloven.

De uit-knop

Opmerking vooraf: Deze blog gaat over suïcidale gedachten. Als je dat (te) heftig vindt, help jezelf dan vooral door weg te klikken!

Het was zomervakantie. Ik had de laatste schoolweken op mijn tandvlees overleefd. Ik had mezelf op de been gehouden met de gedachte dat ik in de zomervakantie bij zou kunnen tanken en dat het dan heus allemaal wel weer goed zou komen.

En toen was het dus vakantie. De eerste dagen werkte ik nog wat, ik volgde mijn therapieën en begon aan de grote schoonmaak. En ik sliep. Dagen- en nachtenlang.

Ik begon me af te vragen wat het leven allemaal voor zin had. Ik werkte, ik deed mijn huishouden, ik at en ik sliep en dat al jaren. En ik was ongelukkig en bang, dat ook. Was dit het dan echt? Moest ik dat nog jaren vol gaan houden? Dat soort gedachten hadden me al eerder overvallen en dan was ik er altijd van geschrokken, maar dan verdwenen ze weer net zo snel als ze waren gekomen. Nu bleven ze komen. Dat gebeurde terwijl ik een rondje fietste. Ik hield mezelf nog rustig. Dit hoorde erbij, dit zou weer stoppen.

Maar deze keer stopte het niet. Ik wist dat ik niet over zou gaan tot actie(s), maar deze gedachten vond ik eng genoeg. En ondertussen was ik blij met mijn zonnebril. Die verborg tijdens mijn fietstochtje de radeloze tranen die in mijn ogen stonden.

Ik had het gevoel dat ik met dit soort gedachten maar beter even contact op kon nemen met hulpverleners, maar ja, het was weekend. De afspraak was dat ik dan contact op moest nemen met de weekenddienst van de huisarts. En dat ging ik dus niet doen. Dan nemen ze me op. Dat doe ik niet. En zo tobde ik voort. Ik trok een leuk jurkje aan, ging met familie uit eten, deed een partijtje druk en speelde het spel. Mijn familie wist toen nog van niets.

Zo hield ik anderhalve dag vol. Maar toen was het zondagavond en besloot ik dat dit niet normaal was. Toen ik uiteindelijk toch maar contact zocht met de weekenddienst, bleek dat mijn eigen huisarts werkte. Dat vond ik zowel een voor- als een nadeel. Het feit dat hij me kende, voelde ergens als een voordeel, maar tegelijk als een nadeel. Die weet dat ik me altijd aanstel. Maar zo ging het niet. Hij nam me uitermate serieus, maar zette de dingen tegelijk in perspectief. “Je wilt niet dood, je wilt je niet zo ongelukkig voelen en dan ziet jouw hoofd nog één oplossing. Je hoofd wil uit. Als je computer kapot is, is de laatste oplossing ook de stekker eruit en er weer in. Dat is wat jouw hoofd nu wil. Dat is heftig, maar dat is niet wat je wil.” Dat stelde me zó gerust. Ik was niet gek. Ik was alleen ongelukkig. Mijn hoofd zocht de uit-knop en vond die niet.

Nu ik de gedachten kon plaatsen, vond ik ze ineens een stuk minder eng. Dit was niet vreemd, dit hoorde erbij. En zo durfde ik mezelf weer te gaan vertrouwen. Ik wist al dat ik niks zou doen, maar de gedachten alleen vond ik eng genoeg. Maar de meest wijze les die ik hiervan leerde? Het was goed dat ik het deelde. Artsen verklaren je niet voor gek. Ze helpen je. En hoewel er geen uit-knop is, werd er in mijn geval wél even op de pauze-knop gedrukt. En nu, bijna een jaar later, lijken deze gedachten Goddank verleden tijd!

Opmerking achteraf: Mocht je je hierin herkennen en ook met gedachten als deze spelen, neem dan contact op met je huisarts of een andere behandelaar en wacht daar niet mee! Er is hulp. En dat is waarom ik dit, na veel twijfel, deel. Om je te laten zien dat er mensen zijn die je willen en kunnen helpen.