Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

Christen en depressief

“Als je christen bent, kun je nooit écht depressief zijn. Er blijft altijd een soort vreugde.” Deze opmerking hoorde ik een keer tijdens een Bijbelstudie. Ik ben een christen én depressief. Nooit ben ik die opmerking vergeten en nu, jaren later, schrijf ik erover.

Ook onder christenen zijn mensen met een depressie. De één zal daar open over zijn en de ander zal dat verbergen. Ik verborg het jaren, voor iedereen. Toen ontmoette ik, lichamelijk vrij ernstig ziek, een dominee die dwars door me heen prikte. “Er is meer.” Er was inderdaad meer. Daarover spraken we later, toen ik lichamelijk weer wat sterker was. Ik werd niet veroordeeld. Ik werd geholpen.

Ja maar, hoe zit het dan met die vreugde waar die ander het tijdens die Bijbelstudie over had? Dat is een goede vraag. Ik heb mezelf die vraag ook duizenden keren gesteld. Ik heb mezelf schuldig gevoeld omdat het niet goed met me ging. Ik heb tegen andere mensen gezegd: “Hier zit ik dan; ik heb een leven waar menigeen jaloers op kan zijn en ik zit hier te klagen en ondankbaar te zijn.” Er was niet één (christelijke) hulpverlener die akkoord ging met die opmerking. Ja, ik zat daar. En ik had het moeilijk. Want dat kan ook.

Op de zwartste dagen heb ik soms het gevoel dat de depressie sterker is dan ik en weet ik niet hoe ik vol moet houden. Op één van die dagen heb ik mezelf verteld: “Je kunt niet opgeven. Er zijn nu zóveel mensen die voor je bidden. Dat houdt je staande. Juist als zelf bidden niet meer lukt.” En dat is ook hoe het voelt.

Ik hoorde een preek die mijn zwarte dagen definitief veranderde: Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft (Filippenzen 4: 13). Het vóelt soms niet alsof God me kracht geeft, maar ik wéét dan met mijn verstand dat het zo is en ik gelóóf het. Dat en die muur van gebed rondom me houden me dan staande. En nogmaals, gevoel laat me daarin soms in de steek, maar dan klamp ik me met mijn verstand vast aan God. Er is voldoende kracht voor iedere dag. Dag voor dag.

Ja, soms zijn de dagen zwart en voel je geen vreugde. Maar dat maakt niet dat je geen of een slechte christen bent. Christus Zelf kende dagen met zwarte randen; dagen waarop Hij het niet meer wist. Hij had verdriet. Hij was een mens, net als wij. Hij snapt het. Hij ging er helemaal doorheen. Hij ging nog veel dieper dan wij. Voor ons.

Ik probeer de dagen stuk voor stuk te bezien. Ook daarover leerde ik iets in de kerk: Kijk niet vooruit. Kijk niet achterom. Kijk naar Boven. En als je valt? Dan zijn daar Gods handen onder je, in de diepte. Die vangen je op. Dieper dan Christus ging, kun jij niet vallen.

Dit artikel voelt eng en kwetsbaar. Maar ik wil ook taboes doorbreken en dit artikel voelt daarom minstens net zo nodig als eng en kwetsbaar. Laten we in de reacties elkaar(s levensovertuiging) respecteren.