“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

Help, mijn hulpverlener huilt!

Om het verlies van mijn vader te verwerken, volgde ik EMDR. Het was de bedoeling dat ik zo toe zou komen aan rouw en dat zijn overlijden niet meer zo vreselijk veel spanning en angst bij me op zou roepen.*

Ik schreef al eerder dat de sessies niet altijd helemaal liepen zoals ik hoopte. Er was één sessie waar ik heel erg tegenop had gezien, maar waarvan ik ook wel wist dat die nodig was. Mijn hulpverlener had me gevraagd wat ik mijn vader zou zeggen als ik hem een brief zou schrijven. Ik vond dat een stomme opdracht, want eh…hij ging ‘m niet lezen, dus ik ging ‘m niet schrijven. Zij moedigde me aan die brief toch te schrijven, omdat ze dacht dat het me zou helpen in het proces.

Omdat ik het schrijven van de brief heel eng vond, stelde ik het eerst maar lekker lang uit. Toen ging ik er toch maar eens voor zitten en bleek het helemaal niet zo moeilijk te zijn als ik dacht. Ik schrijf nu eenmaal graag. Ik moest de brief ook voorlezen en dat vond ik spannend. Wilde ik echt zo’n brief delen? Ik besloot het maar een kans te geven.

De therapiesessie brak aan. Mijn hulpverlener vroeg me of ik de brief had geschreven. Dat had ik. “Wil je hem voorlezen?” Dat wilde ik ook. Het voelde héél eng en héél kwetsbaar. Ik deelde in de brief wat mijn vader voor mij betekend had en hoeveel hij van mij hield en ik van hem. Daar had ik een paar kantjes voor nodig gehad, maar ik was er tevreden over. Het schrijven had ik met droge ogen gedaan, maar ik wist dat ik zou gaan huilen als ik de brief zou voorlezen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vond het zó kwetsbaar en zó ‘van mij’ dat ik mijn hulpverlener, na het voorlezen van de brief, niet aan durfde te kijken. Ik bleef dus maar een beetje naar de grond kijken en naar de brief in mijn trillende handen.

Mijn hulpverlener nam het woord: “Dankjewel. Dankjewel dat je mij ook een beetje hebt laten huilen. Je kunt prachtig schrijven.” Dat laatste vond ik fijn om te horen, want ik vond zelf eigenlijk ook dat ik wel een mooi stuk had geschreven. Maar dat eerste liet me volledig blokkeren. Ze moest huilen? Kon ze het dan niet aan? Was het te heftig? Vanaf dat moment voelde de behandelrelatie met deze hulpverlener niet veilig meer. Ik vond het eng dat ik haar geraakt had en was bang dat nog een keer te doen. Ik snap het heel goed, maar voor mij als cliënt voelde het heel onveilig. Zij zag het als verbinding. Ik niet. Ik vond het alleen maar heel erg eng. Ze vroeg me hoe ik dat dan met vrienden doe. Ja, die huilen soms ook om en met mij en dat vind ik prima, want dat zijn mijn vrienden en niet mijn hulpverleners.

Ik verdiepte me thuis eens in hoe het zit met huilende hulpverleners. Ik las dat er mensen zijn die het prima vinden als hulpverleners huilen in het bijzijn van hun cliënten. En nogmaals, ik snap het hélemaal als je af en toe moet huilen. Maar voor mij werkt het niet en voelt het heel, heel onveilig. De volgende dag las ik de brief nog eens voor, aan mijn andere psycholoog. Ik stelde deze keer wel een voorwaarde: “Niet gaan huilen.”

*Met de kennis van nu weet ik dat de angst voor een groot deel ook voortkomt uit mijn autisme, maar dat was toen nog niet bekend.

CAO voor hulpverleners

In de afgelopen jaren heb ik verschillende artsen en andere hulpverleners gezien, ondanks dat ik houd van een stukje continuïteit. Ik laat er eerst minstens een jaar overheen gaan voor ik de ander echt het achterste van mijn tong laat zien. Maar ja, wie garandeert dat diezelfde hulpverlener een jaar later nog steeds bij mij betrokken is? Door schade en schande weet ik inmiddels beter.

Soms ben ik net ‘lekker’ diep gegaan en is het daarna voor de hulpverlener vakantie. Voor ik dan weer zo diep ga als die keer daarvoor, duurt dat weer een paar sessies. Bovendien ben ik er heel goed in om júist als hulpverleners niet beschikbaar zijn hulp nodig te hebben. Alleen al het idee dat die hulp er even niet is, maakt me dan lichtelijk paniekerig. Wat als? En dan gaat ’t al mis.

Kijk, als ik degene was die de CAO voor hulpverleners moest schrijven, zou er niemand meer hulpverlener willen worden. Ik zou namelijk direct het volgende laten opnemen:

*Vakantie:
Hulpverleners dienen geen vakantiedagen op te nemen, tenzij in overleg met de cliënt. Als de vakanties tegelijk vallen, scheelt dat namelijk weer. Maar ja, laat ik nu de laatste jaren niet meer op vakantie zijn geweest. Arme hulpverleners…
*Zwangerschaps- en ouderschapsverlof:
In het geval van een vrouwelijke hulpverlener dient het kind gebaard te worden tussen twee consulten door. Uiteraard kan de nacht daar ook voor gebruikt worden. In geval van een mannelijke hulpverlener geldt dat zijn vrouw rekening dient te houden met de cliënt en dus ook gehouden is aan het baren tussen twee consulten door of in de nacht. Zwangerschaps-, partner- en ouderschapsverlof doen we natuurlijk niet aan.
*Pensioen:
Hulpverleners gaan door met het begeleiden van de cliënt tot de cliënt besluit dat de behandelrelatie beëindigd kan worden. Geen pensioen dus. (Hetzelfde geldt uiteraard voor ontslag.)
*Ziekte:
Hulpverleners dienen niet ziek te worden. Als ze dat wél worden, graag even uitzieken op een dag dat er niemand staat ingepland. Weekend ofzo.
*Overlijden:
Ja, eh. Ik eerst, alsjeblieft.

En ja, natuurlijk moest je hier een complete pot zout aan toevoegen, maar is dit niet wat stiekem alle cliënten diep in hun hart wensen? Zoals ik al schreef, raak ik soms al in paniek van het idee dat een hulpverlener niet beschikbaar is. Wat dan als het niet goed met me gaat? Ik weet dat er dan zoiets bestaat als vervangers, maar in het kader van eerst een jaartje de kat uit de boom kijken, kan ik daar niet zo heel veel mee. De laatste keer dat me een vervanger werd aangeboden, durfde ik niet. Ik kon toch niet tegen een ‘vreemde’ gaan zeggen dat het even niet zo goed ging en waarom? En nadat ik had geweigerd, had ik uiteraard direct spijt.

Er zit toch nog wel een kleine serieuze boodschap in dit verhaal. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat er voor iedereen een ‘noodoplossing’ is. In mijn geval is die ‘noodoplossing’ er. En gelukkig is de wetenschap dat die oplossing er is voor mij meestal al genoeg.

Is er een behandelaar in de online zaal?

Op deze blog ben ik open, maar ik probeer hier wel altijd met ieders privacy rekening te houden. Verhalen worden waar mogelijk geanonimiseerd en ik doe er alles aan om niemand te laten ontdekken wie mijn behandelaars zijn, voor de privacy van de behandelaars én mezelf.

Maar ja, dan zijn er mijn behandelaars zelf. Ik werd onderworpen aan urenlange psychologische onderzoeken. Ik was moe. Het huilen stond me nader dan het lachen. Er werd me gevraagd hoe het met me ging en of er nog ontwikkelingen waren wat betreft het starten met een nieuwe therapie. Ik was zó moe en de tranen zaten zó hoog dat ik eigenlijk geen zin had om te antwoorden. Ik hoorde mezelf praten en bedacht toen: Lees m’n blog, daar staat het op. Ik zei dat natuurlijk niet. Maar een stemmetje in mijn achterhoofd riep: Deze onderzoeker kent het adres van je blog. Wat als die blog al gelezen is?

Er is één hulpverlener van wie ik heel zeker weet dat hij af en toe even een kijkje op de blog neemt. Dat is mijn vaste huisarts. Dat voelt voor mij helemaal logisch en oké, gezien het feit dat diezelfde huisarts me al heel lang stimuleerde om iets met mijn passie voor schrijven te gaan doen. Bovendien startte ik de blog uiteindelijk na een behoorlijk pittig consult in de huisartsenpraktijk. Ik had het adres van de blog doorgegeven, maar wist niet of die ook werd gelezen. Tot ik op consult kwam. Ik had véél te vertellen, want voor deze mevrouw de hypochonder was het lang geleden dat ik de huisarts had gesproken. Ik vroeg me al af hoe ik dat in een (dubbel) consult ging proppen, maar het werd me makkelijk gemaakt. De eerste twee punten die ik wilde bespreken, bleken al bekend. “Ik wist het al; ik lees je blog.” Aha. Betrapt. Maar eerlijk is eerlijk, als hulpverleners mijn blog lezen, vind ik het prettig om dat gewoon te weten. Bovendien scheelde dat een hoop tijd. We konden over tot de dingen die de blog niet halen.

Uiteraard heb ik er goed over nagedacht of ik zou willen dat hulpverleners mee kunnen lezen. Wilde ik echt dat mijn blog voor hen bekend zou worden? Ja, dat wilde ik echt. Nooit zal ik hier een stiekeme boodschap aan hen plaatsen. Nooit zal ik een hulpverlener ‘verwijten’ dat hij of zij iets had moeten weten omdat het al op mijn blog heeft gestaan. Nooit zal mijn blog de spreekkamer vervangen. Andersom zullen er hier voor mijn hulpverleners waarschijnlijk weinig nieuwtjes te vinden zijn. Stiekem denk ik trouwens dat ze mijn blog alleen al af en toe checken om te zien wat ik over hen schrijf. Geen zorgen, zo verrassend is dat niet.

En eerlijk? Ik vind het eigenlijk wel prettig als hulpverleners mee blijken te lezen. Ik ben nu eenmaal op schrift beter te begrijpen dan in een spreekkamer. Bovendien vind ik het leuk om ook iets van mijn passie te laten zien, naast al mijn negativiteit. Dit ben ik ook. Ik kán nog wel iets! Dus hallo, meelezende hulpverleners. Welkom. Ook welkom aan alle hulpverleners die mij niet behandelen, maar anderen. Ik hoop dat ik iets kan bijdragen aan het begrip van jullie lijdende voorwerpen. In dat geval: Graag gedaan.

“Ze luistert naar me!”

“Ik wil je helpen,” zei de hulpverlener die een intake met me deed. Ze had nogal een achterstand wat betreft mijn vertrouwen. Ze werkte namelijk bij de instelling waar ik al eerder over schreef dat ze er graag de regeltjes volgen en dat ze qua communicatie nog wat konden leren.

De paniek over deze onzekere intake was dusdanig groot geworden dat ik de huisarts nodig had om wat rust in de tent te brengen. Hij was het slachtoffer geworden van mijn agressieve vorm van paniek. Ik vond dat hij was overgehaald door de instelling. “Ik weet niet wat dat mens gezegd heeft, maar nu moet ik ineens groepstherapie doen en twee weken geleden waren we het er nog over eens dat dat een slecht idee was.” Hij begon over de regeltjes en “dat het over het algemeen zo werkt bij jouw diagnose dat behandeling in een groep succesvol is.” Ik werd daar alleen maar bozer van. “Ik bén niet mijn label, ik ben een méns. En bij mij werkt het anders. Waarom snapt niemand dat?” Die woede en frustratie uitte ik telefonisch. Een dag later zat ik in de spreekkamer en hoorde ik wel wat ik wilde horen: “Ik heb gezegd dat ik het geen goed idee vind. Maar ik weet niet of je er echt onderuit komt. Het is een onderdeel. Er is ook individuele begeleiding. Ik heb die mevrouw gesproken met wie je de intake hebt en die weet er dus van.” Ik wist niet meer wat ik er allemaal van moest denken. De huisarts had nog wel een idee: “Je kunt ook gewoon naar die groep gaan en ze dan laten zien wat er gebeurt. Dan merken ze het snel genoeg.” Stiekem vond ik dat wel grappig. Ik zag namelijk voor me hoe ik daar die hele groep zou ontregelen. Want dat kan ik.

Ik ging naar de intake, met een groot gevoel van wantrouwen. Bij binnenkomst was ik al volledig overprikkeld. Er liepen véél cliënten door de gangen en er was véél herrie. Bestek dat werd opgeruimd, mensen die liepen te fluiten in de holle ruimtes en mensen die naar elkaar schreeuwden. Niet zo’n goed idee, vond mijn overprikkelde hoofd.

Ik werd uit de wachtkamer gehaald. De spanning was dusdanig hoog dat mijn grapjesmasker dienst weigerde. De hulpverlener dacht het gesprek te gaan voeren, maar ik niet. Ze legde me uit waarom ik er was en dat ze mijn huisarts had gesproken. Ik zei al heel snel: “Ik wil hier niet zijn.” Zo, dat was maar gezegd. Vervolgens las ik de twee blogs voor die ik had geschreven, omdat ik in geschreven woorden beter kan uitdrukken hoe het echt zit dan in gesproken woorden. Daar braken direct de tranen door alle maskers heen. En…ze wist haarscherp samen te vatten wat mijn problemen met deze instelling waren.

Ze legde me uit dat ze in deze intake met mij wilde kijken wat het beste voor me zou zijn. “We kijken wat jij nodig hebt.” Ik geloofde dat niet en dat was duidelijk te zien. “Dat geloof je niet? Je huisarts geloofde het ook al niet toen ik dat zei en hij zei dat je er zo doorheen zou prikken.” Oeps. Hier scoorde de huisarts honderd punten. En ik schaamde me voor alles wat ik in de laatste contacten tegen hem had gezegd. Hij had me dus wel degelijk begrepen en de boodschap heel helder overgebracht naar de GGZ-instelling. Terwijl de hulpverlener even wat te drinken haalde, appte ik snel een vriendin: “Ze luistert naar me!”

Aan het eind van de intake stelden we vast dat er echt nog wel iets te proberen viel vóór groepstherapie. Ze wilde me dus weer terugsturen naar de poliklinische, individuele behandeling. Maar…één en ander moest nog wel door het team. Daar zou ze me tien dagen later over bellen.

Drie dagen na de intake ging de telefoon. “Ik wil je vast laten weten dat het team akkoord is met ons voorstel. Volgende week hebben we een telefonische afspraak en dan hebben we het er uitgebreid over, maar ik wilde je niet zo lang laten wachten.” Zie je, ze snapt me.

Ik bedankte haar hartelijk en haalde opgelucht adem. Nog niet álle onzekerheid was weg, maar één ding was zeker: Ze had naar me gelúisterd. Ze had écht naar me geluisterd. Ze had gekeken naar het mens achter de standaardbehandeling. En…ze had me begrepen! Hulde aan deze hulpverlener, maar minstens net zoveel hulde aan de huisarts die haar had ingefluisterd hoe ik in elkaar zit.