Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Smoesjes

Mijn leerlingen kregen elke week huiswerk mee. Dat werd dan een week later overhoord. Een paar keer per week stond er een leerling voor mijn neus: “Juf, ik ben m’n huiswerk kwijt.” Omdat ik vond dat ze zelf moesten leren zorg te dragen voor hun spullen, nam ik maatregelen.

De juf zorgt er wel voor
Als ik de kinderen huiswerk gaf, printte ik altijd twee bladen extra. Mocht er dan iemand iets kwijt zijn, hadden we nog wat op voorraad. Aan het begin van het schooljaar stonden er, zonder overdrijven, soms meer dan tien leerlingen voor mijn neus om te zeggen dat ze een nieuw blaadje met leerstof wilden. Ik besloot dat ik ze ging leren wat meer zelfstandig te worden en beter voor hun spullen te zorgen.

Op een dag introduceerde ik de nieuwe regels: “Ik heb hier twee blaadjes extra. Mocht je dus je blaadje kwijt zijn, kun je een nieuwe krijgen. Als mijn twee extra blaadjes op zijn, zul je zelf voor een oplossing moeten zorgen.” Uiteraard legde ik daar ook even bij uit dat ik vond dat ze zelf verantwoordelijk waren, oud genoeg en dat soort dingen. De eerste week ging het prima. Niet één leerling stond voor mijn neus.

Daarna volgden langzaam maar zeker de ‘vaste klanten’ tóch weer met het verhaal dat hun blaadje kwijt was. Wie nummer drie was, had pech.

Verantwoordelijkheid
Vanaf dat moment bleek dat de kinderen een stuk verantwoordelijker konden zijn dan ze daarvoor hadden laten zien. Soms ontstond er stress, bij het verlaten van het lokaal: “Kan ik bij iemand het huiswerk voor morgen kopiëren?” Ik vond dat prima, dat ze zo hun zaakjes regelden.

Ik hoorde van ouders dat hun kind soms via WhatsApp een fotootje vroeg van het huiswerk. Het grappige is dat eigenlijk alle ouders dit prima vonden. Ze vonden dit een betere oplossing dan maar weer bij de juf zeuren om een nieuw blaadje.

Originele smoesjes tellen
Het waren vrijwel altijd dezelfde leerlingen die hun huiswerk kwijt waren. Ik vermoed zelfs dat het vaak dan niet eens thuis was geweest, maar gewoon ergens op school was blijven slingeren. Soms konden we er ook klassikaal om glimlachen als iemand weer om een nieuw blaadje vroeg.

Ik vroeg altijd wat het smoesje was. Op een gegeven moment had ik alles wel gehoord: “Mijn moeder heeft mijn kamer opgeruimd, ik denk dat zij het heeft weggegooid.” Eh…telt niet. “Ik dacht dat we die toets al gehad hadden, dus ik heb het blaadje weggegooid.” Telt ook niet. “Het is een rommel op mijn kamer.” Lekker opruimen, zou ik zeggen. “Mijn broertje heeft ermee gespeeld.” Geloof me, jongere broertjes en zusjes hebben heel wat schuld moeten dragen voor verloren huiswerk.

Al die smoesjes kende ik nu wel, ik wilde originele smoesjes. En die kreeg ik. Er ging een vinger omhoog: “Juf, ik heb een nieuw blaadje huiswerk nodig.” “Oké, je bent de eerste, dus je hebt mazzel, ik heb hier nog voorraad.” Maar daar ging het kind niet mee akkoord. “Maar ik heb deze keer wél een hele leuke smoes!” Vol verwachting keek ik de leerling aan en ook de klasgenoten spitsten hun oren. “Het klinkt misschien een beetje nep, maar het is echt waar. Onze hond speelt altijd met de folders enzo en daar had ik het tussen gelegd. Dus eh…de hond heeft het verscheurd.” Kijk, dát was nog eens een origineel smoesje. Kind kreeg een nieuw blaadje, we hadden weer even gelachen en ik had weer eens iets nieuws gehoord. Altijd fijn.

Zwemmend rijk worden

Je wordt slapend rijk of je zwemt in het geld, zeg je meestal. In het onderwijs kun je echter zwemmend rijk worden. Dat bedacht ik niet zelf, maar daar wees een leerling me een keer fijntjes op.

The loser takes it all
Eén van de banken organiseerde ieder jaar een wedstrijd tussen verschillende scholen in de regio. Tijdens die wedstrijd moesten de kinderen zo snel mogelijk vragen beantwoorden en zo een kluis kraken. De winnaars kregen later die week een prijs bezorgd. Dat maakten we wel eens mee. We aten een keer een enorme taart met z’n allen en genoten ervan. Soms wonnen we niet of voerden we zelfs een fout antwoord in. Dat was geen probleem, want meedoen was sowieso belangrijker dan winnen én…alle deelnemende klassen kregen sowieso een dag zwemmen cadeau in een zwembad in de buurt.

Behalve dat de kinderen genoten van de dag vragen beantwoorden, verheugden ze zich altijd vooral op het dagje zwemmen dat hen in het vooruitzicht werd gesteld. Dat wilden ze het liefst op een dag dat het mooi weer was. Maar ja, dat hadden we niet voor het zeggen, want het zwembad moest minstens een week voor onze komst worden ingelicht (in verband met de aanwezigheid van voldoende ‘badwachten’). Buienrader kon wel wát zeggen, maar ook niet alles.

Zwemmend rijk worden
Het was weer zover. We hadden mazzel. Ons bezoekje aan het zwembad viel samen met tropische temperaturen. Waar we dus eigenlijk het lokaal uit hadden moeten zweten, vertrokken wij ’s morgens al vrij vroeg naar het zwembad. We zouden er de hele verdere schooldag blijven.

Ik had een heerlijk groepje. Iedereen was lief voor iedereen en ze vermaakten zichzelf. Mijn rol die dag was om af en toe even koppen te tellen en om ervoor te zorgen dat ze tussen de middag eten zouden krijgen. Dat was alles.

Eerst liep ik even door het zwembad. De kinderen waren vooral lekker bezig in het buitenbad, maar ook binnen vond ik nog wat van mijn leerlingen. Ik wisselde dus zelf een beetje tussen binnen en buiten. Even een bommetje met z’n allen van de zwembadrand, een wedstrijdje tussen de juf en een leerling, wat kunsten onder water, enz. Omdat ze zichzelf ook zonder mij heel goed konden vermaken, trok ik me op een gegeven moment even terug. Heerlijk buiten even in het bubbelbad, terwijl de zon op mijn huid brandde. Beter kon het niet.

Af en toe kwam er even een leerling bij me kletsen, gewoon over koetjes en kalfjes. De meeste leerlingen vroegen zich af of we dit niet vaker konden doen. Wat mij betreft kon dat, maar de inspectie zou daar vast een andere mening over hebben. En toen kwam er iemand die er goed over had nagedacht. “Hé juf,” vroeg deze leerling zich af, “krijgt u hier nou gewoon geld voor, om een beetje in de zon in het bubbelbad te liggen?” Ik moest echt heel hard lachen. Ja, ik kreeg daar gewoon geld voor, voor een middagje zonnebaden in het bubbelbad. Zwaar leven joh, dat onderwijs.

De laatste weken op de basisschool

Veel basisscholen beginnen volgende week aan de laatste periode tot de zomervakantie. De meivakantie is geweest, de laatste weken breken aan.

Vooral in groep acht kunnen die laatste weken ‘een ding’ zijn. De Eindtoets is gemaakt, de uitslag is bijna binnen, de schoolkeuze is gemaakt en de kennismakingsbezoeken aan de vervolgscholen staan gepland. Daarbij bereiden de leerlingen zich voor op hun afscheid, vaak door middel van een musical.

Maar ja, als je tussen de mei- en zomervakantie nog een weekje of acht naar school moet, is dat best lang. Voor de leerlingen, maar ook voor de leerkrachten. Ik had meestal een combinatiegroep 7/8. Dat was dubbel. De ene helft van de groep was voor zijn gevoel al klaar op de basisschool, terwijl groep zeven nog allerlei toetsen moest maken.

En dat zorgde ervoor dat ik gewoon, tot de laatste schoolweek, ook met groep acht bleef werken. Ook na de Eindtoets is er nog zat te leren. De leerstof loopt gewoon door tot schoolweek veertig en stopt niet opeens na het maken van de Eindtoets. Allereerst is het dus voor je leerlingen belangrijk om gewoon door te werken. Bovendien doen veel leerlingen het goed op de structuur van de schoolvakken. Veel beter dan op ‘bezigheidstherapie’. En ja, af en toe even oefenen voor het afscheid hoort er natuurlijk ook bij, maar verder pleit ik ervoor om daar waar mogelijk het gewone programma te volgen. Dat scheelt de leerkracht ook een hoop gedoe. Want ja, ik zie ze lopen, met rode hoofden, die leerkrachten van groep acht: “Phoe, lastig hè, om ze bezig te houden?” Ik hield ze niet bezig, ik werkte gewoon door.

Ik liet groep acht nog net zo hard werken als groep zeven. En als groep zeven Cito’s maakte, liet ik groep acht (zij hoeven aan het eind van het schooljaar niet meer) gewoon zwijgen en aan hun eigen taken werken. Extra naar buiten of allerlei ander gedoe deed ik niet aan. Als kinderen wisten dat andere groepen acht niet ‘gewoon’ werkten, riepen ze me wel eens ter verantwoording. Ik legde hen dan eerlijk uit dat ten eerste hun eigen lesprogramma doorloopt tot de laatste schooldag en dat ten tweede groep zeven nog belangrijke toetsen moest maken. Dat accepteerden ze altijd direct.

In mijn groep leek alles dus vrijwel normaal, tot op het laatst. Behalve dan dat groep acht op schoolkamp ging en groep zeven dan achterbleef. Maar ook voor hen liet ik dan, bij de vervanger, een beetje een pretpakket achter. “Groep acht heeft lol, ze mogen best af en toe even wat leuks doen. En de tekenles mag best even wat langer duren.” Daarnaast liet ik groep zeven af en toe meegenieten van de ‘voordelen’ van groep acht. Groep acht mocht bijvoorbeeld meedoen aan wedstrijden die de regionale bank organiseerde. Ik liet groep zeven dan ook meedoen, zogenaamd om te oefenen voor volgend jaar. Maar eigenlijk gunde ik hen ook gewoon dat pleziertje.

En dan brak dus schoolweek veertig aan. Dat was het moment dat ik het ‘gewone’ werken losliet. Tijdens het zelfstandig werken gaf ik opdracht om zoveel mogelijk werkboekjes uit te werken. Dat vonden de meeste kinderen zó leuk dat ze extra hard gingen werken. De lege pagina’s (bijvoorbeeld omdat ze een keer ziek waren geweest) moesten namelijk wel opgevuld worden.

En dan? Dan was de laatste schooldag aangebroken. Tijd voor een afscheidsfeestje. En nú liet ik ook de touwtjes vieren. Maar tot die tijd? Tot die tijd werd er gewoon gewerkt, tot volle tevredenheid van de juf én de kinderen.

Het schoolplein

Pauzetijd. Kinderen buiten op het schoolplein. Ik reed langs. Ergens aan de rand van het plein zag ik twee juffrouws staan, gezellig kletsend, een kop koffie in hun handen. Het zette me aan het denken.

Ook ik heb jaren pleinwacht gelopen. Mijn hobby was het nooit, maar het hoorde er nu eenmaal bij. Tijdens stages begreep ik niet zo heel veel van het fenomeen pleinwacht. Ja, natuurlijk moest er begeleiding buiten zijn, maar wat was mijn rol dan precies?
Als startende leerkracht vond ik het nog steeds vaak lastig, maar al doende leerde ik.

Pleinwacht lopen kan op twee manieren. Je kunt ervoor kiezen om gezellig even bij te kletsen met de collega die samen met jou pleinwacht heeft. Je kunt er ook voor kiezen om je pleinwacht heel actief te lopen. Nee, dat is niet altijd leuk en natuurlijk ben ik vaak bezweken voor de verleiding van even bijpraten met een collega. Toch wil ik graag een lans breken voor actief pleinwacht lopen.

Als je op het plein namelijk je oren en ogen goed de kost geeft, ontdek je heel veel. Dat is goed voor jou, voor het kind én voor het feit dat je dan vragen van ouders over het gedrag op het plein kunt beantwoorden. Je ziet hoe klassen met elkaar een spel spelen. Je ziet hoe dat ene kind, dat school niet zo heel leuk vindt, tijdens de pauze opbloeit. Je registreert hoe de rollen op het plein verdeeld zijn. Wie heeft de leiding? Je ziet wie kiezen voor rustige spelletjes en wie kiezen voor het ruigere werk. Soms wisselen kinderen dat ook af.

Wie goed kijkt, valt nog iets anders op. Op ieder plein vind je namelijk minstens één leerling die niet speelt. Deze leerling vind je vaak ergens in een hoekje, goed verstopt onder een dikke jas of achter een paaltje, boom of hekje. Deze leerling is alleen. Dat kan een vrijwillige keuze zijn, maar er kan ook meer achter zitten. Als je zo’n leerling aanspreekt, kom je er snel genoeg achter waarom er is gekozen voor een plekje alleen. Het kan heel simpel zo zijn dat een leerling hoofdpijn heeft en even toe is aan rust. Maar meestal is er een andere oorzaak. Een kind voelt zich buitengesloten, is gepest of mag niet meedoen. In zo’n geval kun je maar beter even een beetje bemiddelen, als pleinwacht.

Soms kiest een kind uit onmacht voor een eenzame positie. Iedereen speelt. Hoe kan dit kind aansluiten? In zo’n geval zegt een kind vaak dat het niet mee wil of mag doen. Bij doorvragen blijkt dan dat het kind niet gevraagd heeft of het mee mag doen en dat het dat niet durft. Je kunt dan natuurlijk als pleinwacht vragen of het kind mee mag doen, maar je kunt het kind ook leren dit zelf te vragen. Grote kans dat je het kind de volgende pauze toch weer in dat eenzame hoekje vindt. En dát is het moment dat het kind écht gaat leren. Weet jij het als pleinwacht nog? Weet het kind het nog? In het mooiste geval vind je dit kind op een dag niet meer in het hoekje. Want dan heeft het geleerd mee te doen. Mede mogelijk gemaakt door die actief lopende pleinwacht.