Zwemmend rijk worden

Je wordt slapend rijk of je zwemt in het geld, zeg je meestal. In het onderwijs kun je echter zwemmend rijk worden. Dat bedacht ik niet zelf, maar daar wees een leerling me een keer fijntjes op.

The loser takes it all
Eén van de banken organiseerde ieder jaar een wedstrijd tussen verschillende scholen in de regio. Tijdens die wedstrijd moesten de kinderen zo snel mogelijk vragen beantwoorden en zo een kluis kraken. De winnaars kregen later die week een prijs bezorgd. Dat maakten we wel eens mee. We aten een keer een enorme taart met z’n allen en genoten ervan. Soms wonnen we niet of voerden we zelfs een fout antwoord in. Dat was geen probleem, want meedoen was sowieso belangrijker dan winnen én…alle deelnemende klassen kregen sowieso een dag zwemmen cadeau in een zwembad in de buurt.

Behalve dat de kinderen genoten van de dag vragen beantwoorden, verheugden ze zich altijd vooral op het dagje zwemmen dat hen in het vooruitzicht werd gesteld. Dat wilden ze het liefst op een dag dat het mooi weer was. Maar ja, dat hadden we niet voor het zeggen, want het zwembad moest minstens een week voor onze komst worden ingelicht (in verband met de aanwezigheid van voldoende ‘badwachten’). Buienrader kon wel wát zeggen, maar ook niet alles.

Zwemmend rijk worden
Het was weer zover. We hadden mazzel. Ons bezoekje aan het zwembad viel samen met tropische temperaturen. Waar we dus eigenlijk het lokaal uit hadden moeten zweten, vertrokken wij ’s morgens al vrij vroeg naar het zwembad. We zouden er de hele verdere schooldag blijven.

Ik had een heerlijk groepje. Iedereen was lief voor iedereen en ze vermaakten zichzelf. Mijn rol die dag was om af en toe even koppen te tellen en om ervoor te zorgen dat ze tussen de middag eten zouden krijgen. Dat was alles.

Eerst liep ik even door het zwembad. De kinderen waren vooral lekker bezig in het buitenbad, maar ook binnen vond ik nog wat van mijn leerlingen. Ik wisselde dus zelf een beetje tussen binnen en buiten. Even een bommetje met z’n allen van de zwembadrand, een wedstrijdje tussen de juf en een leerling, wat kunsten onder water, enz. Omdat ze zichzelf ook zonder mij heel goed konden vermaken, trok ik me op een gegeven moment even terug. Heerlijk buiten even in het bubbelbad, terwijl de zon op mijn huid brandde. Beter kon het niet.

Af en toe kwam er even een leerling bij me kletsen, gewoon over koetjes en kalfjes. De meeste leerlingen vroegen zich af of we dit niet vaker konden doen. Wat mij betreft kon dat, maar de inspectie zou daar vast een andere mening over hebben. En toen kwam er iemand die er goed over had nagedacht. “Hé juf,” vroeg deze leerling zich af, “krijgt u hier nou gewoon geld voor, om een beetje in de zon in het bubbelbad te liggen?” Ik moest echt heel hard lachen. Ja, ik kreeg daar gewoon geld voor, voor een middagje zonnebaden in het bubbelbad. Zwaar leven joh, dat onderwijs.

Collega’s en vrije tijd

Je hebt een hele dag gewerkt. ’s Avonds zit je lekker thuis op de bank een beetje bij te komen en ineens gaat je telefoon. Een collega. Voor sommige mensen is het geen probleem, maar ik houd er niet van. Wat is mijn probleem dan eigenlijk met collega’s in mijn vrije tijd?

Collega’s en mijn mobiele nummer
In de loop der jaren kregen steeds meer collega’s (geheel tegen mijn zin) de beschikking over mijn mobiele nummer. Het was het begin van weinig goeds.

Als ik thuis (of nog erger: op een verjaardag!) was, kreeg ik dan soms een appje. Of ik nog even dit of dat kon regelen en of ik misschien wist hoe het zat met zus en zo? En had ik toevallig de ouders van die en die nog gesproken? Kan ik morgen even…? NEEEE schreeuwde dan alles in mij. Ik had mijn tijd thuis echt nodig om bij te tanken en even niet bereikbaar te zijn. Even geen juf zijn en geen Intern Begeleider. Gewoon even mezelf zijn. Bij dringende zaken (ik denk hier aan conflicten, overlijden of ziekte van een ouder of kind of iets in die categorie) konden ze me altijd bellen op de vaste lijn.

Communicatie over werk via de mobiele telefoon
Heel langzaam werd WhatsApp en de mobiele telefoon voor een aantal collega’s de makkelijkste manier van communicatie. Dat ik daar heel anders over dacht, konden ze niet begrijpen. Ik kreeg liever een mail met vragen. Die zou ik namelijk kunnen lezen op mijn tijd. Bijvoorbeeld de volgende morgen op mijn werk en niet nog even net voor ik naar bed ging.

Ik was zo eerlijk de collega’s te verzoeken mijn mobiele nummer alleen te gebruiken bij noodgevallen, maar die boodschap landde niet.

De bom barst
Op een dag barstte de bom. Ik had therapie gehad (en nee, dat wisten mijn collega’s niet, maar dan nog) en was versleten. Een paar weken eerder had mijn werkgever me tijdens mijn therapie al een aantal keer gebeld. En in plaats van naar huis te gaan en uit te huilen, ging ik dus terug naar mijn werk. Maar goed, de dag dat de bom barstte. Ik had die morgen mijn mail weggewerkt, alle lopende zaken afgehandeld en ik had me voorgenomen echt weekend te vieren. Ik had het namelijk nodig. Mijn collega’s dachten er anders over. Nog tijdens de therapiesessie kwamen de eerste appjes al binnen. Ook op vrijdagavond kwamen er weer appjes binnen. Appjes met vragen waar ik even goed over na moest denken. Terwijl ze kwamen, zat ik op de fiets. Niet omdat ik dat zo leuk vond, maar omdat ik er alles aan deed om mijn hoofd te legen. Dat ging op deze manier niet lukken.

Ligt de oplossing in een nieuw nummer?
Ik was er klaar mee. De volgende dag stond ik in een telefoonwinkel. Ik wilde een nieuwe telefoon en een ander nummer. Uiteindelijk vertrok ik met één telefoon en daarin twee kaarten. Op de ene kaart stond mijn oude nummer. Die behield ik voor familie en vrienden. Ik blokkeerde alle collega’s op die kaart en mailde hen dat ik een nieuw nummer had. Voortaan kwamen hun appjes dus binnen op mijn andere kaart.

Die andere kaart bleek een feest: Ik kreeg appjes pas binnen op het moment dat ik dat zélf wilde en die kaart ontgrendelde. Voortaan kon ik dus zelf bepalen of ik wel of niet zou zien dat een collega me had geappt. Uiteraard wisten mijn collega’s daar niets van. Telefoontjes kwamen wel altijd door, maar telefoontjes waren meestal echt belangrijk en appjes niet, dus dat was oké.

Mijn werkgever was van het bellen. Of het nu weekend, vakantie of ’s avonds laat was, als mijn werkgever me nodig had, ging de telefoon. Niet opnemen kwam in mijn woordenboek toen nog niet voor.

De eeuwige bereikbaarheid en mijn burn-out
Deze eeuwige bereikbaarheid is één van de oorzaken van mijn burn-out. Niet de kinderen, de ouders of het lesgeven waren het probleem.
Het probleem lag bij mijn collega’s. Bij het constant overschrijden van mijn grenzen en bij het feit dat ik altijd maar bereikbaar moest zijn. Ik kan dat niet. Soms vraag ik me af wat er was gebeurd als dat was geaccepteerd. Had ik dan niet al bijna een jaar ziek thuis gezeten? Ik weet het niet. Het doet er ook niet toe, want het is nu toch te laat.

En het diepste probleem? Dat lag bij mij. Ik liet namelijk constant over mijn grenzen heen walsen. Ik wist dat het niet ging. Ik zei nee, heel vaak. Maar omdat ik vervolgens niet tegensputterde als iemand toch handelde naar ja, kwam ik terecht in een patroon waar ik een hoge prijs voor betaal. De prijs van mijn gezondheid. En nee, dat was het niet waard. Ik had liever wat vaker nee verkocht aan mijn collega’s.

De laatste weken op de basisschool

Veel basisscholen beginnen volgende week aan de laatste periode tot de zomervakantie. De meivakantie is geweest, de laatste weken breken aan.

Vooral in groep acht kunnen die laatste weken ‘een ding’ zijn. De Eindtoets is gemaakt, de uitslag is bijna binnen, de schoolkeuze is gemaakt en de kennismakingsbezoeken aan de vervolgscholen staan gepland. Daarbij bereiden de leerlingen zich voor op hun afscheid, vaak door middel van een musical.

Maar ja, als je tussen de mei- en zomervakantie nog een weekje of acht naar school moet, is dat best lang. Voor de leerlingen, maar ook voor de leerkrachten. Ik had meestal een combinatiegroep 7/8. Dat was dubbel. De ene helft van de groep was voor zijn gevoel al klaar op de basisschool, terwijl groep zeven nog allerlei toetsen moest maken.

En dat zorgde ervoor dat ik gewoon, tot de laatste schoolweek, ook met groep acht bleef werken. Ook na de Eindtoets is er nog zat te leren. De leerstof loopt gewoon door tot schoolweek veertig en stopt niet opeens na het maken van de Eindtoets. Allereerst is het dus voor je leerlingen belangrijk om gewoon door te werken. Bovendien doen veel leerlingen het goed op de structuur van de schoolvakken. Veel beter dan op ‘bezigheidstherapie’. En ja, af en toe even oefenen voor het afscheid hoort er natuurlijk ook bij, maar verder pleit ik ervoor om daar waar mogelijk het gewone programma te volgen. Dat scheelt de leerkracht ook een hoop gedoe. Want ja, ik zie ze lopen, met rode hoofden, die leerkrachten van groep acht: “Phoe, lastig hè, om ze bezig te houden?” Ik hield ze niet bezig, ik werkte gewoon door.

Ik liet groep acht nog net zo hard werken als groep zeven. En als groep zeven Cito’s maakte, liet ik groep acht (zij hoeven aan het eind van het schooljaar niet meer) gewoon zwijgen en aan hun eigen taken werken. Extra naar buiten of allerlei ander gedoe deed ik niet aan. Als kinderen wisten dat andere groepen acht niet ‘gewoon’ werkten, riepen ze me wel eens ter verantwoording. Ik legde hen dan eerlijk uit dat ten eerste hun eigen lesprogramma doorloopt tot de laatste schooldag en dat ten tweede groep zeven nog belangrijke toetsen moest maken. Dat accepteerden ze altijd direct.

In mijn groep leek alles dus vrijwel normaal, tot op het laatst. Behalve dan dat groep acht op schoolkamp ging en groep zeven dan achterbleef. Maar ook voor hen liet ik dan, bij de vervanger, een beetje een pretpakket achter. “Groep acht heeft lol, ze mogen best af en toe even wat leuks doen. En de tekenles mag best even wat langer duren.” Daarnaast liet ik groep zeven af en toe meegenieten van de ‘voordelen’ van groep acht. Groep acht mocht bijvoorbeeld meedoen aan wedstrijden die de regionale bank organiseerde. Ik liet groep zeven dan ook meedoen, zogenaamd om te oefenen voor volgend jaar. Maar eigenlijk gunde ik hen ook gewoon dat pleziertje.

En dan brak dus schoolweek veertig aan. Dat was het moment dat ik het ‘gewone’ werken losliet. Tijdens het zelfstandig werken gaf ik opdracht om zoveel mogelijk werkboekjes uit te werken. Dat vonden de meeste kinderen zó leuk dat ze extra hard gingen werken. De lege pagina’s (bijvoorbeeld omdat ze een keer ziek waren geweest) moesten namelijk wel opgevuld worden.

En dan? Dan was de laatste schooldag aangebroken. Tijd voor een afscheidsfeestje. En nú liet ik ook de touwtjes vieren. Maar tot die tijd? Tot die tijd werd er gewoon gewerkt, tot volle tevredenheid van de juf én de kinderen.

Het schoolplein

Pauzetijd. Kinderen buiten op het schoolplein. Ik reed langs. Ergens aan de rand van het plein zag ik twee juffrouws staan, gezellig kletsend, een kop koffie in hun handen. Het zette me aan het denken.

Ook ik heb jaren pleinwacht gelopen. Mijn hobby was het nooit, maar het hoorde er nu eenmaal bij. Tijdens stages begreep ik niet zo heel veel van het fenomeen pleinwacht. Ja, natuurlijk moest er begeleiding buiten zijn, maar wat was mijn rol dan precies?
Als startende leerkracht vond ik het nog steeds vaak lastig, maar al doende leerde ik.

Pleinwacht lopen kan op twee manieren. Je kunt ervoor kiezen om gezellig even bij te kletsen met de collega die samen met jou pleinwacht heeft. Je kunt er ook voor kiezen om je pleinwacht heel actief te lopen. Nee, dat is niet altijd leuk en natuurlijk ben ik vaak bezweken voor de verleiding van even bijpraten met een collega. Toch wil ik graag een lans breken voor actief pleinwacht lopen.

Als je op het plein namelijk je oren en ogen goed de kost geeft, ontdek je heel veel. Dat is goed voor jou, voor het kind én voor het feit dat je dan vragen van ouders over het gedrag op het plein kunt beantwoorden. Je ziet hoe klassen met elkaar een spel spelen. Je ziet hoe dat ene kind, dat school niet zo heel leuk vindt, tijdens de pauze opbloeit. Je registreert hoe de rollen op het plein verdeeld zijn. Wie heeft de leiding? Je ziet wie kiezen voor rustige spelletjes en wie kiezen voor het ruigere werk. Soms wisselen kinderen dat ook af.

Wie goed kijkt, valt nog iets anders op. Op ieder plein vind je namelijk minstens één leerling die niet speelt. Deze leerling vind je vaak ergens in een hoekje, goed verstopt onder een dikke jas of achter een paaltje, boom of hekje. Deze leerling is alleen. Dat kan een vrijwillige keuze zijn, maar er kan ook meer achter zitten. Als je zo’n leerling aanspreekt, kom je er snel genoeg achter waarom er is gekozen voor een plekje alleen. Het kan heel simpel zo zijn dat een leerling hoofdpijn heeft en even toe is aan rust. Maar meestal is er een andere oorzaak. Een kind voelt zich buitengesloten, is gepest of mag niet meedoen. In zo’n geval kun je maar beter even een beetje bemiddelen, als pleinwacht.

Soms kiest een kind uit onmacht voor een eenzame positie. Iedereen speelt. Hoe kan dit kind aansluiten? In zo’n geval zegt een kind vaak dat het niet mee wil of mag doen. Bij doorvragen blijkt dan dat het kind niet gevraagd heeft of het mee mag doen en dat het dat niet durft. Je kunt dan natuurlijk als pleinwacht vragen of het kind mee mag doen, maar je kunt het kind ook leren dit zelf te vragen. Grote kans dat je het kind de volgende pauze toch weer in dat eenzame hoekje vindt. En dát is het moment dat het kind écht gaat leren. Weet jij het als pleinwacht nog? Weet het kind het nog? In het mooiste geval vind je dit kind op een dag niet meer in het hoekje. Want dan heeft het geleerd mee te doen. Mede mogelijk gemaakt door die actief lopende pleinwacht.

Het ‘gemiddelde’ kind

Ergens diep in mij klopt al mijn hele leven een onderwijskundig hart. Ik heb hart voor het onderwijs. Na jaren ervaring te hebben opgedaan ‘op de werkvloer’, schrijf ik er graag over.

In iedere klas zit een enorme diversiteit aan kinderen. De één vraagt wat meer aandacht dan de ander en daar is helemaal niets mis mee. Als leerkracht is het de bedoeling dat je daar steeds zo goed mogelijk op in weet te spelen.

Er is bijvoorbeeld leerling één. Het kind scoort laag, is gelukkig nog wel gemotiveerd, maar heeft qua leren veel extra begeleiding nodig. Die begeleiding geef je. Dat doe je zelf of laat je doen door de onderwijsassistente. Terwijl je geduldig de lesstof uitlegt, maak je eens een grapje met de leerling en vraag je hoe het weekend was. Zo leer je die leerling steeds beter kennen. Dat is fijn, want als je een band met een kind hebt, werkt dat makkelijker. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling twee. Leerling twee scoort gemiddeld, maar heeft moeite met impulsbeheersing. Je wilt het kind leren dat het eerst een vinger op moet steken, voor het begint te praten. Omdat dit een nogal zware les blijkt te zijn, besluit je een beloningssysteem in te zetten. Je bespreekt met het kind wat het graag als beloning zou willen hebben. Bij de één zal dat een stickerkaart zijn, bij de volgende even vijf minuten een spelletje, enz. Langzaam werk je zo aan verbetering. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling drie. Leerling drie scoort bovengemiddeld. Omdat je weet dat het belangrijk is dat alle leerlingen voldoende uitgedaagd worden, ga je eens met dit kind, de ouders en je intern begeleider in gesprek om te kijken of er wellicht meer uitdaging nodig is. Vervolgens neem je dit kind apart en neemt de extra uitdaging door. Tijdens dat momentje heb je ook mooi even de tijd om het kind wat beter te leren kennen. Jij blij, kind blij.

En dan is er leerling vier. Deze leerling scoort gemiddeld, heeft een goede concentratie, geen enkel probleem met jouw gezag, ligt goed in de groep en vraagt nooit om extra aandacht. Juist dít kind zijn we in het onderwijs wel eens geneigd te vergeten. Soms zeggen we tegen elkaar: “Daar zou ik een klas vol van kunnen hebben. Echt, die is toch zó makkelijk!” Ik vind dat een gevaarlijke uitspraak. Ja, het is prima dat leerling één, twee en drie de extra aandacht krijgen die ze nodig hebben en die ze waard zijn. Dat is zelfs noodzakelijk. Maar kijken we ook naar het ‘gemiddelde’ kind? Kijken we ook naar leerling vier? Leerling vier praat nooit voor zijn of haar beurt, maar je beloont dit kind er ook nooit voor. Ondertussen zit een ander een spelletje te doen voor dezelfde prestatie en dat ontgaat leerling vier echt niet. Leerling vier heeft nooit extra uitleg nodig, maar mist daarmee ook het momentje van even één op één met de leerkracht of onderwijsassistent. Juist deze leerling moet je dus soms even weer in je blikveld zetten. Zodat dit kind weet: Jij hoort hier ook. Ik zie jou. Je mag hier zijn. Ik wil jou in deze groep. Ik hou van jou. Jij blij, kind blij.