Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Dat kan ik (niet)

De mensen die mij kennen, zouden me vermoedelijk omschrijven als een zelfverzekerd persoon. Onzekerheid had echter mijn tweede naam kunnen zijn, maar dat weet ik prima te verbergen. Het speelt (gelukkig!) ook niet op alle vlakken een rol, maar soms steekt het ineens de kop op.

Kom maar op met die volle zalen!
Ik heb negen jaar in het onderwijs gewerkt. Een klas lesgeven gaf me geen enkele vorm van onzekerheid of spanning.
Soms moest er op een ouderavond een praatje worden gehouden. Ik verbaasde me er altijd over hoeveel collega’s dan spontaan naar de vloer begonnen te kijken, als de vraag kwam wie dat wilde doen. Wat was het probleem? Blijkbaar was er een probleem. Voor mij niet. Ik deed en doe niets liever dan voor volle zalen staan.

Soms gingen we met school naar de kerk om een christelijke feestdag te vieren. Eén van de leerkrachten moest dan een verhaal vertellen. Ook dat vonden de meeste collega’s eng. Ik niet. Ik vond het heerlijk om te doen. Ik lag er letterlijk geen seconde van wakker. Ze hadden me zelfs op de dag zelf nog mogen bellen en ik had het zonder bibberen gedaan .

Presenteren, volle zalen toespreken, ik doe het graag. Ik krijg er zelfs een soort kick van. Kom maar op met die volle zalen!

Heb je een oordeel over mij(n werk)?
Klinkt goed toch? Ja, wacht maar. Want ik mocht mijn collega’s dan niet snappen, zij snapten mij soms ook niet. Af en toe kwam er iemand van een andere school of een begeleider van een kind in de klas kijken. Dáár moesten ze mij dus niet voor vragen. Ik wilde niemand in de klas hebben, want daar kreeg ik de zenuwen van. En ja, ik gaf al jaren les, maar ik voelde me zó bekeken als er dan ineens iemand achterin kwam zitten. Ik had altijd het gevoel dat die ander dan een oordeel kwam vellen over mij of over mijn werk en dat maakte me onzeker. Mijn klasje was mijn klasje en daar draaide het zoals ik dat wilde. Er was één collega die ik zodanig vertrouwde dat ze bij me in de klas mocht kijken. En…grappig genoeg was dat de collega die anderen het liefst buiten de deur hielden.

Help, dat kan ik niet!
Een poosje geleden deed ik een cursus ‘Schrijven voor het web’ bij de LOI. Dat leek me leuk en ik kon dat helemaal op mijn eigen tempo doen, dus niets aan de hand. Bovendien vond ik dat ik best wel kan schrijven, dus ik zag het helemaal zitten. Toen kwam het moment dat ik mijn eerste opdracht in moest leveren en opeens was alle plezier verdwenen. Ik ging uitstelgedrag vertonen en verzon allerlei smoesjes waarom ik nog even niet verder kon. En opeens snapte ik het. Iemand zou mijn schrijfsels gaan beoordelen. Dat waren niet mijn fijne blogstukjes, maar opdrachten met vrij strakke eisen. Opeens vond ik het doodeng. Kon ik dit wel? Eigenlijk niet, vond ik, maar ik zette toch door.
En weet je wat? Ik scoorde geen tienen, maar wel ruim voldoende. Tja, had ik misschien niet zo moeilijk moeten doen. Maar zo zie je maar weer, ook in mij schuilt onzekerheid, al zou je dat voor een groep mensen niet zeggen.

Zwemmend rijk worden

Je wordt slapend rijk of je zwemt in het geld, zeg je meestal. In het onderwijs kun je echter zwemmend rijk worden. Dat bedacht ik niet zelf, maar daar wees een leerling me een keer fijntjes op.

The loser takes it all
Eén van de banken organiseerde ieder jaar een wedstrijd tussen verschillende scholen in de regio. Tijdens die wedstrijd moesten de kinderen zo snel mogelijk vragen beantwoorden en zo een kluis kraken. De winnaars kregen later die week een prijs bezorgd. Dat maakten we wel eens mee. We aten een keer een enorme taart met z’n allen en genoten ervan. Soms wonnen we niet of voerden we zelfs een fout antwoord in. Dat was geen probleem, want meedoen was sowieso belangrijker dan winnen én…alle deelnemende klassen kregen sowieso een dag zwemmen cadeau in een zwembad in de buurt.

Behalve dat de kinderen genoten van de dag vragen beantwoorden, verheugden ze zich altijd vooral op het dagje zwemmen dat hen in het vooruitzicht werd gesteld. Dat wilden ze het liefst op een dag dat het mooi weer was. Maar ja, dat hadden we niet voor het zeggen, want het zwembad moest minstens een week voor onze komst worden ingelicht (in verband met de aanwezigheid van voldoende ‘badwachten’). Buienrader kon wel wát zeggen, maar ook niet alles.

Zwemmend rijk worden
Het was weer zover. We hadden mazzel. Ons bezoekje aan het zwembad viel samen met tropische temperaturen. Waar we dus eigenlijk het lokaal uit hadden moeten zweten, vertrokken wij ’s morgens al vrij vroeg naar het zwembad. We zouden er de hele verdere schooldag blijven.

Ik had een heerlijk groepje. Iedereen was lief voor iedereen en ze vermaakten zichzelf. Mijn rol die dag was om af en toe even koppen te tellen en om ervoor te zorgen dat ze tussen de middag eten zouden krijgen. Dat was alles.

Eerst liep ik even door het zwembad. De kinderen waren vooral lekker bezig in het buitenbad, maar ook binnen vond ik nog wat van mijn leerlingen. Ik wisselde dus zelf een beetje tussen binnen en buiten. Even een bommetje met z’n allen van de zwembadrand, een wedstrijdje tussen de juf en een leerling, wat kunsten onder water, enz. Omdat ze zichzelf ook zonder mij heel goed konden vermaken, trok ik me op een gegeven moment even terug. Heerlijk buiten even in het bubbelbad, terwijl de zon op mijn huid brandde. Beter kon het niet.

Af en toe kwam er even een leerling bij me kletsen, gewoon over koetjes en kalfjes. De meeste leerlingen vroegen zich af of we dit niet vaker konden doen. Wat mij betreft kon dat, maar de inspectie zou daar vast een andere mening over hebben. En toen kwam er iemand die er goed over had nagedacht. “Hé juf,” vroeg deze leerling zich af, “krijgt u hier nou gewoon geld voor, om een beetje in de zon in het bubbelbad te liggen?” Ik moest echt heel hard lachen. Ja, ik kreeg daar gewoon geld voor, voor een middagje zonnebaden in het bubbelbad. Zwaar leven joh, dat onderwijs.

Collega’s en vrije tijd

Je hebt een hele dag gewerkt. ’s Avonds zit je lekker thuis op de bank een beetje bij te komen en ineens gaat je telefoon. Een collega. Voor sommige mensen is het geen probleem, maar ik houd er niet van. Wat is mijn probleem dan eigenlijk met collega’s in mijn vrije tijd?

Collega’s en mijn mobiele nummer
In de loop der jaren kregen steeds meer collega’s (geheel tegen mijn zin) de beschikking over mijn mobiele nummer. Het was het begin van weinig goeds.

Als ik thuis (of nog erger: op een verjaardag!) was, kreeg ik dan soms een appje. Of ik nog even dit of dat kon regelen en of ik misschien wist hoe het zat met zus en zo? En had ik toevallig de ouders van die en die nog gesproken? Kan ik morgen even…? NEEEE schreeuwde dan alles in mij. Ik had mijn tijd thuis echt nodig om bij te tanken en even niet bereikbaar te zijn. Even geen juf zijn en geen Intern Begeleider. Gewoon even mezelf zijn. Bij dringende zaken (ik denk hier aan conflicten, overlijden of ziekte van een ouder of kind of iets in die categorie) konden ze me altijd bellen op de vaste lijn.

Communicatie over werk via de mobiele telefoon
Heel langzaam werd WhatsApp en de mobiele telefoon voor een aantal collega’s de makkelijkste manier van communicatie. Dat ik daar heel anders over dacht, konden ze niet begrijpen. Ik kreeg liever een mail met vragen. Die zou ik namelijk kunnen lezen op mijn tijd. Bijvoorbeeld de volgende morgen op mijn werk en niet nog even net voor ik naar bed ging.

Ik was zo eerlijk de collega’s te verzoeken mijn mobiele nummer alleen te gebruiken bij noodgevallen, maar die boodschap landde niet.

De bom barst
Op een dag barstte de bom. Ik had therapie gehad (en nee, dat wisten mijn collega’s niet, maar dan nog) en was versleten. Een paar weken eerder had mijn werkgever me tijdens mijn therapie al een aantal keer gebeld. En in plaats van naar huis te gaan en uit te huilen, ging ik dus terug naar mijn werk. Maar goed, de dag dat de bom barstte. Ik had die morgen mijn mail weggewerkt, alle lopende zaken afgehandeld en ik had me voorgenomen echt weekend te vieren. Ik had het namelijk nodig. Mijn collega’s dachten er anders over. Nog tijdens de therapiesessie kwamen de eerste appjes al binnen. Ook op vrijdagavond kwamen er weer appjes binnen. Appjes met vragen waar ik even goed over na moest denken. Terwijl ze kwamen, zat ik op de fiets. Niet omdat ik dat zo leuk vond, maar omdat ik er alles aan deed om mijn hoofd te legen. Dat ging op deze manier niet lukken.

Ligt de oplossing in een nieuw nummer?
Ik was er klaar mee. De volgende dag stond ik in een telefoonwinkel. Ik wilde een nieuwe telefoon en een ander nummer. Uiteindelijk vertrok ik met één telefoon en daarin twee kaarten. Op de ene kaart stond mijn oude nummer. Die behield ik voor familie en vrienden. Ik blokkeerde alle collega’s op die kaart en mailde hen dat ik een nieuw nummer had. Voortaan kwamen hun appjes dus binnen op mijn andere kaart.

Die andere kaart bleek een feest: Ik kreeg appjes pas binnen op het moment dat ik dat zélf wilde en die kaart ontgrendelde. Voortaan kon ik dus zelf bepalen of ik wel of niet zou zien dat een collega me had geappt. Uiteraard wisten mijn collega’s daar niets van. Telefoontjes kwamen wel altijd door, maar telefoontjes waren meestal echt belangrijk en appjes niet, dus dat was oké.

Mijn werkgever was van het bellen. Of het nu weekend, vakantie of ’s avonds laat was, als mijn werkgever me nodig had, ging de telefoon. Niet opnemen kwam in mijn woordenboek toen nog niet voor.

De eeuwige bereikbaarheid en mijn burn-out
Deze eeuwige bereikbaarheid is één van de oorzaken van mijn burn-out. Niet de kinderen, de ouders of het lesgeven waren het probleem.
Het probleem lag bij mijn collega’s. Bij het constant overschrijden van mijn grenzen en bij het feit dat ik altijd maar bereikbaar moest zijn. Ik kan dat niet. Soms vraag ik me af wat er was gebeurd als dat was geaccepteerd. Had ik dan niet al bijna een jaar ziek thuis gezeten? Ik weet het niet. Het doet er ook niet toe, want het is nu toch te laat.

En het diepste probleem? Dat lag bij mij. Ik liet namelijk constant over mijn grenzen heen walsen. Ik wist dat het niet ging. Ik zei nee, heel vaak. Maar omdat ik vervolgens niet tegensputterde als iemand toch handelde naar ja, kwam ik terecht in een patroon waar ik een hoge prijs voor betaal. De prijs van mijn gezondheid. En nee, dat was het niet waard. Ik had liever wat vaker nee verkocht aan mijn collega’s.

Het schoolplein

Pauzetijd. Kinderen buiten op het schoolplein. Ik reed langs. Ergens aan de rand van het plein zag ik twee juffrouws staan, gezellig kletsend, een kop koffie in hun handen. Het zette me aan het denken.

Ook ik heb jaren pleinwacht gelopen. Mijn hobby was het nooit, maar het hoorde er nu eenmaal bij. Tijdens stages begreep ik niet zo heel veel van het fenomeen pleinwacht. Ja, natuurlijk moest er begeleiding buiten zijn, maar wat was mijn rol dan precies?
Als startende leerkracht vond ik het nog steeds vaak lastig, maar al doende leerde ik.

Pleinwacht lopen kan op twee manieren. Je kunt ervoor kiezen om gezellig even bij te kletsen met de collega die samen met jou pleinwacht heeft. Je kunt er ook voor kiezen om je pleinwacht heel actief te lopen. Nee, dat is niet altijd leuk en natuurlijk ben ik vaak bezweken voor de verleiding van even bijpraten met een collega. Toch wil ik graag een lans breken voor actief pleinwacht lopen.

Als je op het plein namelijk je oren en ogen goed de kost geeft, ontdek je heel veel. Dat is goed voor jou, voor het kind én voor het feit dat je dan vragen van ouders over het gedrag op het plein kunt beantwoorden. Je ziet hoe klassen met elkaar een spel spelen. Je ziet hoe dat ene kind, dat school niet zo heel leuk vindt, tijdens de pauze opbloeit. Je registreert hoe de rollen op het plein verdeeld zijn. Wie heeft de leiding? Je ziet wie kiezen voor rustige spelletjes en wie kiezen voor het ruigere werk. Soms wisselen kinderen dat ook af.

Wie goed kijkt, valt nog iets anders op. Op ieder plein vind je namelijk minstens één leerling die niet speelt. Deze leerling vind je vaak ergens in een hoekje, goed verstopt onder een dikke jas of achter een paaltje, boom of hekje. Deze leerling is alleen. Dat kan een vrijwillige keuze zijn, maar er kan ook meer achter zitten. Als je zo’n leerling aanspreekt, kom je er snel genoeg achter waarom er is gekozen voor een plekje alleen. Het kan heel simpel zo zijn dat een leerling hoofdpijn heeft en even toe is aan rust. Maar meestal is er een andere oorzaak. Een kind voelt zich buitengesloten, is gepest of mag niet meedoen. In zo’n geval kun je maar beter even een beetje bemiddelen, als pleinwacht.

Soms kiest een kind uit onmacht voor een eenzame positie. Iedereen speelt. Hoe kan dit kind aansluiten? In zo’n geval zegt een kind vaak dat het niet mee wil of mag doen. Bij doorvragen blijkt dan dat het kind niet gevraagd heeft of het mee mag doen en dat het dat niet durft. Je kunt dan natuurlijk als pleinwacht vragen of het kind mee mag doen, maar je kunt het kind ook leren dit zelf te vragen. Grote kans dat je het kind de volgende pauze toch weer in dat eenzame hoekje vindt. En dát is het moment dat het kind écht gaat leren. Weet jij het als pleinwacht nog? Weet het kind het nog? In het mooiste geval vind je dit kind op een dag niet meer in het hoekje. Want dan heeft het geleerd mee te doen. Mede mogelijk gemaakt door die actief lopende pleinwacht.

1 april in Onderwijsland

Als leerkracht ging ik op 1 april altijd met gemengde gevoelens naar mijn werk, want ja, je hebt twee categorieën grappen. De leuke grappen vind ik de goed opgebouwde grappen, die ik nog niet eerder zag. De grappen van kikkers in bureaulades, zeep aan de deurklink, natte stoelen, losse veters en gaten in truien had ik op een gegeven moment wel gezien.

Ik besloot dat te gaan ondervangen. Ik houd van een lolletje, maar ik houd er ook van als het een beetje origineel is. Ik vertelde mijn groep dus altijd dat ze een flinke grap uit mochten halen, maar dat ik het ook wel leuk zou vinden als die een beetje origineel zou zijn.

De kinderen hadden het er al tijden over en bereidden zich goed voor. Uiteindelijk besloten ze een subtiel geintje uit te halen en trapte ik er zelfs in. Ze haalden de batterijen uit de afstandsbediening van de beamer. Ik had het bord netjes voorbereid en het stond klaar. Ze wisten dat ik áltijd aan het begin van de dag de afstandsbediening nodig had. En daar ging ’t dus mis. Ik stond maar te klikken en te richten. Het lukte niet. Dat gebeurde vaker, maar een beetje extra klikken en richten hielp dan. Ik slaakte een gefrustreerde zucht. En toen ineens hoorde ik ergens in een hoekje een giechel. Aha. Ze hadden me. Dikke pret, batterijen afgegeven en we konden weer verder.

Maar ja, wat zij kunnen, kan ik ook. Ik had ze vooraf gezegd dat ze geintjes uit mochten halen, maar liefst dus wel origineel, maar ik vond dat ik dat dan ook mocht. Dat waren ze helemaal met me eens. Ik sloot die middag met een gewichtig gezicht de deur, mijn handen vol papieren. “Jongens, luister, we moeten nu eigenlijk begrijpend lezen doen, maar dit is echt heel belangrijk. Ik kreeg tussen de middag een mail dat er een onderzoek is van het ministerie. Ze willen kijken naar het werktempo van jongens en meisjes en of daar verschil tussen zit en ze willen ook kijken of snelheid invloed heeft op je resultaten. Het is echt heel belangrijk dat het jóuw resultaten zijn. De tafels moeten dus in toetsstand.” Met enigszins gespannen gezichten keken ze me aan. Dit wilden ze wel. Dit was interessant. De tafels werden uit elkaar geschoven en waren snel leeg. “Het is belangrijk dat we de tijd eerlijk meten, dus ik deel de bladen met de vragen naar beneden uit. Je mag echt pas omdraaien als ik het zeg. Dan kun je de tijd eerlijk meten.” Op het bord startte ik een timer, zodat iedereen aan het eind van de toets op zou kunnen schrijven hoe lang hij erover had gedaan. “Iedereen klaar? Goed lezen. Het is niet moeilijk, echt niet, júist niet, maar je moet héél goed lezen. Draai je blad maar om.”

Daar gingen ze, in opperste concentratie.
Opdracht één luidde: Lees eerst alle vragen goed door, voor je verder gaat!
Vervolgens volgden opdrachten als pak je pen, leg je liniaal op de grond, schrijf je leeftijd op, enz.
De voorlaatste opdracht luidde: Welke datum is het vandaag?
De laatste opdracht was: Weet je nog welke datum het is? Dit is een grap. Je hoeft helemaal geen opdrachten te doen. Als je dit leest, zeg dan niks, maar leg je blad op de hoek van je tafel en geniet van wat de rest van de klas doet.

Ik keek stomverbaasd toe hoe de één na de ander een pen pakte, een liniaal op de grond legde en meer van dat soort onzin uitvoerde. Nooit had ik ze zó gehaast zien werken. Eén leerling las eerst alles en had het door. Heel even deed hij niks, keek verbaasd om zich heen en knipoogde naar me. Maar toen hield hij het niet meer uit en besloot hij de grap bekend te maken: “Hallo, denk eens na! Kijk nou eens naar de eerste vraag. Je moet éérst álles lezen!!!” De één na de ander deed het. Een luid gejuich ging op. “O, juf, dit is helemaal niet echt!” Nee, dit was niet echt. Maar we hebben wel écht gelachen.

Lastige leerling

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: Dit gaat over mezelf. Ik ben een lastige leerling. Als kind was ik dat niet. Ik was de braafheid zelve en ik kon iets leuk vinden of niet; ik deed het braaf. Ik kon iets makkelijk vinden of moeilijk; ik deed het, zonder te mopperen.

Dat is ergens in de loop der jaren veranderd. Als ik iets saai vind, vind ik het heel moeilijk om dat te verbergen. Het allerergste vind ik het wanneer ik een cursus of opleiding volg en ik het idee heb dat ik zelf meer weet dan de docent.

Wat me ook uitermate frustreert, zijn cursusdagen waarop ik van alles zelf moet doen. Ik kom om iets te leren, ik hoop dat de docent me iets te vertellen heeft en ik hoor het graag. Af en toe even overleggen? Prima, maar mijn ervaring is dat je altijd minstens drie keer meer tijd krijgt om iets te overleggen dan je nodig hebt. En dát is het moment waarop ik gegarandeerd vervelend ga doen. Ik ga grapjes maken, tussendoor ander werk doen en al mijn sociale media worden weer eens goed bijgewerkt.
Tijdens nascholingen pak ik ook graag met enige regelmaat wat te eten. Totdat ik dus iemand trof die dat verbood. Die arme cursusleidster had waarschijnlijk niet in de gaten dat ze daarmee voor zichzelf de middagen met mij extra moeilijk maakte.
Tekeningetjes maak ik ook veelvuldig. Daar ben ik wel eens voor ‘bestraft’. Dat snap ik, maar is niet terecht, want hoe meer ik teken, hoe beter ik oplet. Dan heb ik de focus op de tekening en kan ik ondertussen luisteren. Als ik om me heen kijk, zie en hoor ik van alles en let ik totaal niet op.

Vaak volg ik nascholingen met collega’s. Ik weet van mezelf dat ik dan vervelend kan doen. Als ik vier uur lang met collega’s in een net iets te kleine ruimte moet luisteren naar dingen die ik al weet, dan moet ik oppassen. Ik weet dat sommige mensen zich aan mij storen tijdens nascholingen. Speciaal voor die mensen (en oké, een beetje voor de docent en mezelf) zoek ik een plek ver bij collega’s vandaan waarvan ik weet dat ik er een hele middag lol mee kan trappen.

Ik werd eens door een cursusleidster aangesproken op mijn gedrag. Dat is prima, maar dat het gebeurde om vier uur ’s middags, terwijl we om negen uur ’s morgens waren begonnen, viel bij mij niet helemaal lekker. Ik had de héle dag netjes op m’n stoel gezeten, keurig gedaan alsof ik oplette, geen enkele keer ongepaste grapjes gemaakt, niet één keer laten merken dat ik niets nieuws leerde en ik had de hele dag niets door de ruimte geroepen, maar nu ik vijf minuten voor tijd lollig werd, had ze er last van. Eh…ja. Vertel dan iets nieuws, alsjeblief, dan doe ik niet zo.

Want het kan dus ook anders. Ik volgde een scholing over het onderwijs aan kinderen met het Syndroom van Down. Ik was samen met een collega waar ik de hele dag mee zou kunnen lachen en grappen. Maar dat deed ik niet. De cursusleidster praatte, van ’s morgens tien tot ’s middags vier. Ik luisterde. Ik was geboeid. Om te voorkomen dat we af en toe een suikerdipje zouden krijgen, vulde de cursusleidster de hele dag onze bordjes met koek, snoep, chocola, enz. Ze vertelde me allemaal dingen die ik nog niet wist en ik schreef geconcentreerd alles op. Vol nieuwe ideeën en plannen reed ik vervolgens naar huis. Ik was deze keer geen vervelende leerling geweest. Maar lag dat aan die cursusleidster of aan mij? Het zal vast aan de combinatie van ons beiden hebben gelegen, maar ik zou bij haar nog zó tien dagen in de schoolbanken schuiven, als de makkelijke leerling die ik vroeger was.

Het ‘gemiddelde’ kind

Ergens diep in mij klopt al mijn hele leven een onderwijskundig hart. Ik heb hart voor het onderwijs. Na jaren ervaring te hebben opgedaan ‘op de werkvloer’, schrijf ik er graag over.

In iedere klas zit een enorme diversiteit aan kinderen. De één vraagt wat meer aandacht dan de ander en daar is helemaal niets mis mee. Als leerkracht is het de bedoeling dat je daar steeds zo goed mogelijk op in weet te spelen.

Er is bijvoorbeeld leerling één. Het kind scoort laag, is gelukkig nog wel gemotiveerd, maar heeft qua leren veel extra begeleiding nodig. Die begeleiding geef je. Dat doe je zelf of laat je doen door de onderwijsassistente. Terwijl je geduldig de lesstof uitlegt, maak je eens een grapje met de leerling en vraag je hoe het weekend was. Zo leer je die leerling steeds beter kennen. Dat is fijn, want als je een band met een kind hebt, werkt dat makkelijker. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling twee. Leerling twee scoort gemiddeld, maar heeft moeite met impulsbeheersing. Je wilt het kind leren dat het eerst een vinger op moet steken, voor het begint te praten. Omdat dit een nogal zware les blijkt te zijn, besluit je een beloningssysteem in te zetten. Je bespreekt met het kind wat het graag als beloning zou willen hebben. Bij de één zal dat een stickerkaart zijn, bij de volgende even vijf minuten een spelletje, enz. Langzaam werk je zo aan verbetering. Jij blij, kind blij.

Dan is er leerling drie. Leerling drie scoort bovengemiddeld. Omdat je weet dat het belangrijk is dat alle leerlingen voldoende uitgedaagd worden, ga je eens met dit kind, de ouders en je intern begeleider in gesprek om te kijken of er wellicht meer uitdaging nodig is. Vervolgens neem je dit kind apart en neemt de extra uitdaging door. Tijdens dat momentje heb je ook mooi even de tijd om het kind wat beter te leren kennen. Jij blij, kind blij.

En dan is er leerling vier. Deze leerling scoort gemiddeld, heeft een goede concentratie, geen enkel probleem met jouw gezag, ligt goed in de groep en vraagt nooit om extra aandacht. Juist dít kind zijn we in het onderwijs wel eens geneigd te vergeten. Soms zeggen we tegen elkaar: “Daar zou ik een klas vol van kunnen hebben. Echt, die is toch zó makkelijk!” Ik vind dat een gevaarlijke uitspraak. Ja, het is prima dat leerling één, twee en drie de extra aandacht krijgen die ze nodig hebben en die ze waard zijn. Dat is zelfs noodzakelijk. Maar kijken we ook naar het ‘gemiddelde’ kind? Kijken we ook naar leerling vier? Leerling vier praat nooit voor zijn of haar beurt, maar je beloont dit kind er ook nooit voor. Ondertussen zit een ander een spelletje te doen voor dezelfde prestatie en dat ontgaat leerling vier echt niet. Leerling vier heeft nooit extra uitleg nodig, maar mist daarmee ook het momentje van even één op één met de leerkracht of onderwijsassistent. Juist deze leerling moet je dus soms even weer in je blikveld zetten. Zodat dit kind weet: Jij hoort hier ook. Ik zie jou. Je mag hier zijn. Ik wil jou in deze groep. Ik hou van jou. Jij blij, kind blij.