Alternatief recept: Naar buiten

Buiten zijn is voor mij een heel goed medicijn. Als mijn hoofd vol zit, lukt het me buiten vaak om weer wat orde op zaken te stellen. Sinds ruim een jaar was ik zelfs elke dag buiten en toch ging er ergens iets mis…

Buiten zijn is fijn
Ik woon echt op één van de beste plekken van Nederland, als het gaat om een goede uitvalsbasis voor wandelen of fietsen. Ik loop de deur uit, zo de polder in en kan dan perfect een uurtje wandelen. Dan kom ik bijna geen mensen tegen en ben ik na een uur weer opgefrist thuis. Sommige mensen vinden dat saai, steeds hetzelfde rondje, maar ik vind het heerlijk. Ik zie elke dag weer wat anders, op precies hetzelfde rondje. Ik kan er echt van genieten.

Buiten zijn doet pijn
Er zijn zat mogelijkheden om dat rondje wat uit te breiden en zo weet ik dus hoe ik tussen de zes en de dertien kilometer lekker kan wandelen, gewoon vanuit huis. Maar…ergens ging iets mis. Ik was altijd minstens een half uur per dag buiten, maar meestal echt wel een uur. Toen werd het februari. Ik kreeg stress en pijn. De pijn zorgde ervoor dat wandelen en fietsen even vrijwel onmogelijk werden. Mijn nek en mijn hoofd sprongen dan zo’n beetje van mijn lijf af. Ik ging nog wel elke dag naar buiten, maar vaak waren dat nog maar twintig minuten.

“Je hebt het zo nodig.”
Een poosje geleden zat ik bij mijn huisarts. Er was weer eens paniek. Dat bleek nog een gezellig staartje te zijn van het gesprek met de arbeidsdeskundige, maar wist ik veel. Ik was het zó zat. Daar zat ik dan: “Alle trucjes die ik normaal doe, helpen ook niet. Ik wil heus wel kleuren en naar buiten, maar dat doet te veel pijn.” Dat ik pijn had, was duidelijk. Dat dat verder niet ernstig was, was volgens de huisarts ook duidelijk.

Hij vond dat ik mijn conditie weer wat op moest gaan bouwen, zodat de pijn dan misschien ook minder zou worden. “Ja, hóe dan? Buiten zijn doet pijn!” Ik wist het allemaal even niet meer, die dag was álles stom tot de macht veel, dus zéker dat advies. Wat nou naar buiten? Dóe iets!

Aan het eind van het gesprek was ik de wanhoop nabij. Ik wilde húlp, wat moest ik?! Ook bij de huisarts zag ik een spoor van wanhoop op zijn gezicht. Hij had gedaan wat hij moest doen, maar kon niet meer doen dan dat om me gerust te stellen en dat was die dag dus niet voldoende. Bij de deur zei hij het nog een keer. De voorgeschreven medicatie was niet het belangrijkst, maar het alternatieve recept: “Ga nou lekker naar buiten; je hebt het zo nodig…”

Het drong niet meer tot me door, want ik dacht alleen maar: Hoe kom ik met mijn jankhoofd langs een volle wachtkamer en daarna naar huis?

Twee dagen later. De pijn was weer wat gezakt. De frustratie ook. Ik kon weer normaal nadenken. Ineens drong door wat er bij de deur tegen me gezegd was: “Je hebt het zo nodig…” Ik stippelde op knooppunten een fietsroute uit, sprong op de fiets, ontdekte nieuwe fietspaden, genoot van de natuur en was na bijna anderhalf uur fietsen weer thuis. En wat bleek? Ik had het nodig.  

Het beste medicijn

Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Keuzestress

Er stond een week in mijn agenda met vier dagen achter elkaar één of meerdere afspraken. Dat was voor mijn doen een beetje veel, want dat kan ik op dit moment niet overzien. Maar ja, ik kon toch niets afzeggen? Of kon ik dat wel?

Plannen
Ik ben een enorme structuurjunk. Ik ga het allerbeste op een strakke planning, waarbij er ruim voldoende tijd is ‘ingepland’ voor boeken lezen, kleuren, handletteren en dat soort dingen.

In het verleden is het me regelmatig verboden om lijstjes te maken. Tegenwoordig, met de diagnose autisme op zak, begrijpt iedereen dat lijstjes voor mij wel handig zijn en dus zijn ze nu ‘legaal’ en daar maak ik gebruik van. Ik plan bijna alles in. Van douchen tot koken tot slapen. Ik plan het niet op tijd, maar wel op volgorde en dat bevalt me goed.

In de week die kwam, zag ik veel dagen met energievretende afspraken. Soms ook dagen met twee of meer van die afspraken. Dat kon niet goed gaan, maar ik zag ook niet in waar ik kon schrappen.

Energieslurpers
Eén van de energievretende afspraken in die week was een gesprek met de huisarts. Hij vond zelf dat hij mijn energievoorraad voor vijftig procent leeg zat te halen, maar ik maakte daar negentig van. Dat vond hij een hele eer.

Ik had natuurlijk die afspraak met de huisarts af kunnen zeggen, want ja, zo’n afspraak kost bakken energie, maar ik had ‘m ook nodig. Er moest weer even wat rust worden aangebracht in de chaos in mijn hoofd. Verder stond er die week, verdeeld over vier dagen, op de planning:
– Ontmoeting met bevriende collega’s.
– Bedrijfsarts.
– Fysiotherapeut.
– Lunch bij mijn moeder.
– Psycholoog.
– Verjaardag van een familielid.

Ik zat de huisarts te vertellen dat overprikkeling mijn grootste probleem is en dat ik nog steeds de week soms niet kan overzien, zelfs niet met zo weinig afspraken als dit. Hij kon zo even opnoemen hoeveel energie al die afspraken slurpten.

Ik kan niet kiezen
Om ervoor te zorgen dat ik de week goed door zou komen, moest ik keuzes maken, vond de huisarts. Dat was ik wel met hem eens, maar ik zag niet in hoe ik dat kon doen. “Ik ga echt die verjaardag niet afzeggen. Die jarige betekent veel voor me.” Dat kon allemaal wel zijn, maar de verjaardag stond die avond gepland en hij zat dus mijn energievoorraad al leeg te trekken. Ik moest dan aan het begin van de avond nog maar even rusten en daarna naar die verjaardag en niet te lang blijven. Niet te lang blijven was ook mijn plan, maar daar ben ik meestal niet zo goed in. Het mag dan energie vreten, gezellig is het namelijk ook…

Ik begon uit te leggen dat ik vond dat er niet echt keuzes vielen te maken. “De arbo kost het meeste angst en energie, maar ja, die kan ik niet echt afzeggen, hè?” Dat kon inderdaad niet. Ik moest verstandige, slimme keuzes maken. “Nou, die lunch bij m’n moeder was ook belangrijk voor me. Ga ik toch niet afzeggen?” Bovendien was die lunch toen al achter de rug. Ik was ‘maar’ twee uur geweest, vond ik. Hij vond dat érg lang. “Twéé uur met prikkels en een beetje vrolijk zitten doen. Dat vreet energie.” O, oké dan. De afspraak met mijn psycholoog zou ik dan wel afzeggen, maar dat was uiteraard ook een heel slecht plan. Ik zag zijn haren spontaan grijs worden en de rimpels in zijn voorhoofd schieten. Ik was namelijk weer een partij eigenwijs aan het doen.

Uiteindelijk vond ik dat hij beter door kon gaan naar het volgende punt op mijn lijstje (jep, structuurjunk, ik maak lijstjes als ik naar de huisarts ga). Dat deed hij, maar hij kon het toch niet laten: “Ik heb er genoeg over gezegd, denk ik. Volgens mij is het punt duidelijk.” Het punt was zeker duidelijk. Ik luister ook heus wel en heb al vaker op zijn aanraden afspraken laten schieten. Maar ik vind het zó moeilijk om voor mijn idee ‘op halve kracht’ of eigenlijk nog veel minder te leven. Die avond lag ik dus eerst een poos op de bank. Daarna ging ik naar de verjaardag en keurig op tijd lag ik weer in bed. Ik leer het wel hoor, maar ik weet nog niet of ik het ook leuk vind. In ieder geval was ik blij dat de week die volgde een stuk rustiger was, zodat ik geen keuzestress hoefde te hebben.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.