Verdovende middelen?

Het heeft even geduurd, maar inmiddels durf ik gewoon openlijk toe te geven dat ik medicijnen slik. Naast wat medicijnen om m’n bloedwaarden op orde te houden, slik ik antidepressiva. Van die eerste medicijnen heb ik nooit een geheim gemaakt. Van die antidepressiva wel. En waarom? Dat heeft een lange historie.

Ik begon ooit met antidepressiva op het moment dat mijn psycholoog op vakantie was. Ik kende zijn mening erover. Hij vond antidepressiva verdovende middelen en weglopen voor het probleem. Maar ja, hij was op vakantie en ik werd gek. Ik zat bij de huisarts te vertellen dat ik het niet meer trok en die had gelijk door dat dat waar was: “Er moet nu iets gebeuren.” En na het afstrepen van wat andere opties, kwamen we uit op medicijnen. Ik wist niet wat ik moest zeggen en vertelde nog wel dat mijn psycholoog dat een stom plan vond. Ik moest zeggen wat ik er zelf van vond, maar ik had geen idee. Ik wist alleen maar dat ik gek werd. En dus vond mijn huisarts: “Jij wilt dat ik een besluit voor je neem. Dan gaan we ’t doen,” en schreef een recept uit.

Ik slikte mijn pilletjes. Ik werd er misselijk van, maar merkte er uiteraard de eerste week verder nog niets van.

Na een paar dagen was mijn psycholoog terug van vakantie. Ik biechtte hem op dat ik pillen slikte. Hij was not amused. “Wat kom je hier dan nog doen?” Ik stond perplex. Hij wilde dat ik ermee zou stoppen, want volgens hem had psychotherapie geen enkele zin als ik ook antidepressiva slikte. Ik moest me niet laten verdoven. Dat er die week daarvoor iets moest gebeuren, was hij met me eens. Maar de dokter had met me moeten praten, geen pillen voor moeten schrijven. Door de medicatie zou ik nooit het dieptepunt bereiken en dus niet herstellen, was zijn mening.

Met dat verhaal zat ik, een week na de start met medicatie, bij de huisarts. We besloten te stoppen. Een week voor niks misselijk geweest. Jammer dan.

Ruim een jaar later besefte diezelfde psycholoog* dat we er niet zouden komen. Ik klapte voortdurend dicht als het spannend werd. En ineens kwam er een plan voor antidepressiva op tafel. Ik was vervolgens de kluts kwijt. Nu mocht ’t opeens wel. Maar dat was volgens hem omdat het de eerste keer een impuls was en nu zou het een weloverwogen besluit zijn. Oké dan. Maar ja, nu wilde ik zelf niet meer. In mijn hoofd hoorde ik hem nog al die keren praten over mezelf verdoven met pillen en dat ik dat niet moest doen.

Toch ging ik met het voorstel naar de huisarts. Die ging akkoord en schreef me medicatie voor. De eerste dagen was ik vanwege de bijwerkingen helemaal versuft. Ik wilde stoppen, na een paar dagen, maar zette door. En toen, na een poosje, kwam de werking. Op een dag werd ik wakker en had ik het gevoel dat ik de dag die voor me lag aan zou kunnen. Ik kon me dat gevoel niet eens meer herinneren. Ik stond ’s morgens op, zonder me eerst af te vragen of ik me ziek zou melden. Ik ruimde mijn aanrecht elke dag leeg. De afwasmachine werd gelijk leeggeruimd na een vaat en de was hing niet meer een week op het droogrek, maar lag weer gewoon in de kasten. Het waren kleine veranderingen, maar ik was er heel erg blij mee. Er kwam weer wat structuur terug in mijn leven. De dagen waren weer te overzien.

En inmiddels, nu ik ruim anderhalf jaar antidepressiva slik, schaam ik me er niet meer voor. Ik begon in een periode dat de kranten bol stonden van negatieve verhalen over medicijnen. Toch zette ik door. En nu mag iedereen het van mij weten: Ik slik antidepressiva. Deze medicijnen hebben me helpen overleven. Ze hebben het allerzwartste randje iets minder donker gemaakt. Ze nemen iets van de chaos in mijn hoofd weg. En daarom ben ik blij dat ik nu deze medicijnen slik. Of ik er ooit nog mee ga stoppen? Ergens hoop ik dat. Ergens anders wil ik nooit, maar dan ook nooit meer terug naar dat allerdiepste zwart. En als ik daar m’n hele leven pillen voor nodig heb, dan zal ik die slikken en me daar niet voor schamen. Ik bedoel…ooit iemand gezien die zich schaamt voor zijn dagelijkse pilletje om de bloedwaarden op orde te houden? Nou dan.

*Hij heeft het effect van de medicatie gemist, omdat hij kort daarna zijn vertrek aankondigde.

De omgekeerde wereld

Nadat ik bij EMDR een sessie bij elkaar had zitten fantaseren, besloot ik er de volgende keer toch maar even op terug te komen. Dat vond ik spannend, want zou mijn behandelaar dat niet persoonlijk opvatten?

Bij binnenkomst vroeg ze me hoe het ging. “Slecht. Te slecht om te komen eigenlijk, maar ik dacht, ik ga toch maar.” Daar ging ze volledig aan voorbij: “Laten we dan maar snel beginnen.” Ik wilde helemaal niet beginnen, ik wilde nog even de vorige sessie bespreken. Ik legde haar uit wat ik had gedaan, dat ik een beeld bij elkaar had zitten fantaseren en dat ik een dag later naar de huisarts was gegaan. Dat vond ze niet leuk. Ik was heel bang en gefrustreerd en boos op iedereen en het hele leven. Normaal communiceren vond ik daarom wat lastig en dus kwam alles er in een stortvloed van tranen uit.

Dat nam ze nogal persoonlijk: “Ik heb dit niet verdiend.” Dat wist ik en dus legde ik het uit: “Ik ben helemaal niet boos op je, maar ik ben gewoon boos op het leven.” We dreigden volledig vast te lopen. Ze stelde een opname voor. Dat deed voor mij alle deuren dicht. Ik was een keer overstuur, ik was een keer écht eerlijk, ik had een keer geen masker op en ineens was ik klaar voor opname? Dat ging er bij mij even niet in. Omdat ik wel voelde dat ik zelf veel te veel overstuur was om nog normaal na te denken, vroeg ik haar om de huisarts te bellen. “Hij kan ’t wel uitleggen,” snikte ik. Opnieuw was ze boos. “Je kijkt me niet aan. Is dit een vraag?” Ik werd alleen maar nóg bozer. Ik ben compleet de weg kwijt, natuurlijk kijk ik je niet aan! Maar dat zei ik niet, ik zei maar gewoon soort van beleefd dat het echt een vraag was. Ze wilde niet, maar ik zei dat ik het dan zelf wel zou doen. Dat wilde ze nog minder. En weer begon ze met te zeggen dat ze haar best voor me had gedaan, dat ze wilde dat het goed ging en dat ze vond dat ze niet had verdiend dat ik zo deed. Ik legde nóg maar eens uit dat ik helemaal niet boos was op haar, maar dat ik boos was op het leven en dat ik op iedereen zou schelden nu, maar dat zij het net even trof. Eigenlijk was ik zelf wel blij dat ik dit eindelijk eens bij een hulpverlener deed in plaats van op verkeerde plekken, maar ze vond het echt niet leuk. “Ik vind dit ook geen leuk gesprek. Ik heb m’n best gedaan.” En ja, dat vond ik stiekem onprofessioneel.

Uiteindelijk liet ze me, na drie kwartier, volledig overstuur de behandelkamer uit. Op straat, op weg naar de auto, keken mensen me meewarig aan. Ik stapte in de auto en had géén idee hoe ik thuis zou moeten komen. Ik vond mezelf een gevaar op de weg. Eerst zette ik de auto dus maar eens stil en nam contact op met een vriendin. Die vroeg me alsjeblieft heel voorzichtig te doen en nam contact op met mijn andere psycholoog, zodat die me bij thuiskomst zou kunnen bellen.

Zo geschiedde. Mijn psycholoog wist me duidelijk te maken wat er was gebeurd, zette een stappenplan uit en benadrukte dat de paniek weer zou zakken.

Een week later zat ik bij de huisarts. Het eerste wat ik vroeg was of mijn EMDR-behandelaar al gebeld had. Hij had haar nog niet gesproken en was blij dat hij mij eerst sprak. “O,” begon ik, “doe echt lief tegen haar hoor, want ik denk dat ze in een hoekje heeft zitten huilen toen ik vorige week wegging, het was echt heel zielig. Ze vond dat ik vervelend deed en ze vond het geen fijn gesprek en ik maak me gewoon écht zorgen om haar nu.” Dat laatste was waar. Ik maakte me zorgen. Ik was bang dat ik haar gekwetst had. De huisarts trok een snelle, rake conclusie: “Dit gaat niet. Dit is de omgekeerde wereld. Jij moet je geen zorgen maken om je hulpverlener. Deze behandelrelatie is stuk. Die gaan we beëindigen.” En dat deden we. Het was voor mij eigenlijk al fout gegaan op het moment dat mijn EMDR-behandelaar huilde. Dát was het moment dat ik mezelf niet meer durfde te geven. En nu besloot de huisarts voor mij deze omgekeerde wereld weer recht te zetten. Behalve een gevoel van falen, gaf me dat een gevoel van opluchting. Ik kon nog verder bij mijn andere psycholoog en om de EMDR-behandelaar zou ik me geen zorgen meer hoeven maken. Wel zo veilig.

*Kleine disclaimer: Ik wil hier niemand verwijten maken, want uiteraard lag het (voor het grootste deel) ook aan mij, maar ik wil wel duidelijk maken wat een huilende en zich kwetsbaar opstellende hulpverlener met mij doet. Ik denk namelijk dat dat voor een hulpverlener best eens goed kan zijn om te lezen.

Is er een behandelaar in de online zaal?

Op deze blog ben ik open, maar ik probeer hier wel altijd met ieders privacy rekening te houden. Verhalen worden waar mogelijk geanonimiseerd en ik doe er alles aan om niemand te laten ontdekken wie mijn behandelaars zijn, voor de privacy van de behandelaars én mezelf.

Maar ja, dan zijn er mijn behandelaars zelf. Ik werd onderworpen aan urenlange psychologische onderzoeken. Ik was moe. Het huilen stond me nader dan het lachen. Er werd me gevraagd hoe het met me ging en of er nog ontwikkelingen waren wat betreft het starten met een nieuwe therapie. Ik was zó moe en de tranen zaten zó hoog dat ik eigenlijk geen zin had om te antwoorden. Ik hoorde mezelf praten en bedacht toen: Lees m’n blog, daar staat het op. Ik zei dat natuurlijk niet. Maar een stemmetje in mijn achterhoofd riep: Deze onderzoeker kent het adres van je blog. Wat als die blog al gelezen is?

Er is één hulpverlener van wie ik heel zeker weet dat hij af en toe even een kijkje op de blog neemt. Dat is mijn vaste huisarts. Dat voelt voor mij helemaal logisch en oké, gezien het feit dat diezelfde huisarts me al heel lang stimuleerde om iets met mijn passie voor schrijven te gaan doen. Bovendien startte ik de blog uiteindelijk na een behoorlijk pittig consult in de huisartsenpraktijk. Ik had het adres van de blog doorgegeven, maar wist niet of die ook werd gelezen. Tot ik op consult kwam. Ik had véél te vertellen, want voor deze mevrouw de hypochonder was het lang geleden dat ik de huisarts had gesproken. Ik vroeg me al af hoe ik dat in een (dubbel) consult ging proppen, maar het werd me makkelijk gemaakt. De eerste twee punten die ik wilde bespreken, bleken al bekend. “Ik wist het al; ik lees je blog.” Aha. Betrapt. Maar eerlijk is eerlijk, als hulpverleners mijn blog lezen, vind ik het prettig om dat gewoon te weten. Bovendien scheelde dat een hoop tijd. We konden over tot de dingen die de blog niet halen.

Uiteraard heb ik er goed over nagedacht of ik zou willen dat hulpverleners mee kunnen lezen. Wilde ik echt dat mijn blog voor hen bekend zou worden? Ja, dat wilde ik echt. Nooit zal ik hier een stiekeme boodschap aan hen plaatsen. Nooit zal ik een hulpverlener ‘verwijten’ dat hij of zij iets had moeten weten omdat het al op mijn blog heeft gestaan. Nooit zal mijn blog de spreekkamer vervangen. Andersom zullen er hier voor mijn hulpverleners waarschijnlijk weinig nieuwtjes te vinden zijn. Stiekem denk ik trouwens dat ze mijn blog alleen al af en toe checken om te zien wat ik over hen schrijf. Geen zorgen, zo verrassend is dat niet.

En eerlijk? Ik vind het eigenlijk wel prettig als hulpverleners mee blijken te lezen. Ik ben nu eenmaal op schrift beter te begrijpen dan in een spreekkamer. Bovendien vind ik het leuk om ook iets van mijn passie te laten zien, naast al mijn negativiteit. Dit ben ik ook. Ik kán nog wel iets! Dus hallo, meelezende hulpverleners. Welkom. Ook welkom aan alle hulpverleners die mij niet behandelen, maar anderen. Ik hoop dat ik iets kan bijdragen aan het begrip van jullie lijdende voorwerpen. In dat geval: Graag gedaan.

“Ze luistert naar me!”

“Ik wil je helpen,” zei de hulpverlener die een intake met me deed. Ze had nogal een achterstand wat betreft mijn vertrouwen. Ze werkte namelijk bij de instelling waar ik al eerder over schreef dat ze er graag de regeltjes volgen en dat ze qua communicatie nog wat konden leren.

De paniek over deze onzekere intake was dusdanig groot geworden dat ik de huisarts nodig had om wat rust in de tent te brengen. Hij was het slachtoffer geworden van mijn agressieve vorm van paniek. Ik vond dat hij was overgehaald door de instelling. “Ik weet niet wat dat mens gezegd heeft, maar nu moet ik ineens groepstherapie doen en twee weken geleden waren we het er nog over eens dat dat een slecht idee was.” Hij begon over de regeltjes en “dat het over het algemeen zo werkt bij jouw diagnose dat behandeling in een groep succesvol is.” Ik werd daar alleen maar bozer van. “Ik bén niet mijn label, ik ben een méns. En bij mij werkt het anders. Waarom snapt niemand dat?” Die woede en frustratie uitte ik telefonisch. Een dag later zat ik in de spreekkamer en hoorde ik wel wat ik wilde horen: “Ik heb gezegd dat ik het geen goed idee vind. Maar ik weet niet of je er echt onderuit komt. Het is een onderdeel. Er is ook individuele begeleiding. Ik heb die mevrouw gesproken met wie je de intake hebt en die weet er dus van.” Ik wist niet meer wat ik er allemaal van moest denken. De huisarts had nog wel een idee: “Je kunt ook gewoon naar die groep gaan en ze dan laten zien wat er gebeurt. Dan merken ze het snel genoeg.” Stiekem vond ik dat wel grappig. Ik zag namelijk voor me hoe ik daar die hele groep zou ontregelen. Want dat kan ik.

Ik ging naar de intake, met een groot gevoel van wantrouwen. Bij binnenkomst was ik al volledig overprikkeld. Er liepen véél cliënten door de gangen en er was véél herrie. Bestek dat werd opgeruimd, mensen die liepen te fluiten in de holle ruimtes en mensen die naar elkaar schreeuwden. Niet zo’n goed idee, vond mijn overprikkelde hoofd.

Ik werd uit de wachtkamer gehaald. De spanning was dusdanig hoog dat mijn grapjesmasker dienst weigerde. De hulpverlener dacht het gesprek te gaan voeren, maar ik niet. Ze legde me uit waarom ik er was en dat ze mijn huisarts had gesproken. Ik zei al heel snel: “Ik wil hier niet zijn.” Zo, dat was maar gezegd. Vervolgens las ik de twee blogs voor die ik had geschreven, omdat ik in geschreven woorden beter kan uitdrukken hoe het echt zit dan in gesproken woorden. Daar braken direct de tranen door alle maskers heen. En…ze wist haarscherp samen te vatten wat mijn problemen met deze instelling waren.

Ze legde me uit dat ze in deze intake met mij wilde kijken wat het beste voor me zou zijn. “We kijken wat jij nodig hebt.” Ik geloofde dat niet en dat was duidelijk te zien. “Dat geloof je niet? Je huisarts geloofde het ook al niet toen ik dat zei en hij zei dat je er zo doorheen zou prikken.” Oeps. Hier scoorde de huisarts honderd punten. En ik schaamde me voor alles wat ik in de laatste contacten tegen hem had gezegd. Hij had me dus wel degelijk begrepen en de boodschap heel helder overgebracht naar de GGZ-instelling. Terwijl de hulpverlener even wat te drinken haalde, appte ik snel een vriendin: “Ze luistert naar me!”

Aan het eind van de intake stelden we vast dat er echt nog wel iets te proberen viel vóór groepstherapie. Ze wilde me dus weer terugsturen naar de poliklinische, individuele behandeling. Maar…één en ander moest nog wel door het team. Daar zou ze me tien dagen later over bellen.

Drie dagen na de intake ging de telefoon. “Ik wil je vast laten weten dat het team akkoord is met ons voorstel. Volgende week hebben we een telefonische afspraak en dan hebben we het er uitgebreid over, maar ik wilde je niet zo lang laten wachten.” Zie je, ze snapt me.

Ik bedankte haar hartelijk en haalde opgelucht adem. Nog niet álle onzekerheid was weg, maar één ding was zeker: Ze had naar me gelúisterd. Ze had écht naar me geluisterd. Ze had gekeken naar het mens achter de standaardbehandeling. En…ze had me begrepen! Hulde aan deze hulpverlener, maar minstens net zoveel hulde aan de huisarts die haar had ingefluisterd hoe ik in elkaar zit.