Wat ik niet zeggen kon

Na heel veel jaren van stil verdriet gaf ik toe dat rouw nog een rol speelde in mijn leven. Daar is niets mis mee. Ik ben er namelijk van overtuigd dat rouw altijd een rol zal blijven spelen, zeker op bijzondere dagen, maar in mijn leven was de rol van rouw nog te groot.

Er waren een paar dingen die ik letterlijk niet kon zeggen. Ik kon niet zeggen wat mijn vader tegen me zei toen we afscheid van elkaar namen. Ik kon het woord kanker niet uitspreken. En zo waren er meer woorden en situaties die ik zorgvuldig vermeed. Sommige dingen kreeg ik echt mijn mond niet uit. Ik voelde ze liggen, op het puntje van mijn tong. Ik wilde wel, maar ik kon niet. Ik ging er soms letterlijk van stotteren en werd er een kei in om zinnen dusdanig om te bouwen dat ik geen dingen hoefde te zeggen die ik niet kon. Ik bedoel…zeggen dat iemand een tumor in de (vul maar in) heeft, kon ik wel; dan had ik kanker weer vermeden.

Toen ik de huisarts vertelde dat ik dit probleem had, vroeg hij me iets daarvan hardop uit te spreken. Ik keek wel uit. “Voegt dat iets toe voor het consult?” Hij moest toegeven dat het dat niet deed. Inmiddels moet ik toegeven dat het dat wel had gedaan. Maar ik wilde niet. Zó kwetsbaar ging ik me niet opstellen.

Toen volgde ik EMDR. De dingen die ik niet zeggen kon, bracht ik daar onder woorden. Dat ging niet vanzelf. Soms moest mijn therapeute aftellen en zou ik het bij drie zeggen. Dat deed ik dan niet altijd. Maar ik kwam er wel, na een poosje. Ik was zó verbaasd, dat ik thuis op de bank nog even de dingen herhaalde die ik nu had gezegd en die ik jaren niet had kunnen zeggen.

Niet veel later sprak ik mijn dominee. Ik vertelde hem over mijn vader. Ik vertelde hem de dingen die ik niet zeggen kon en was zelf verbaasd. Dat zei ik er dus ook maar gelijk bij. “Ik zei het!” Ja, ik zei het.

Ik was stomverbaasd over dit effect van EMDR. Ik had vooraf verhalen gelezen waarin mensen het succes van hun behandeling beschreven. Ik had filmpjes gezien. Mijn nuchterheid had zich voorgenomen: Daar trap ik niet in. Wat nou, een beetje dingen honderd keer zeggen en dan naar de vingers van de behandelaar kijken en dan zakt de spanning. Maar het gebeurde mij dus ook, op sommige gebieden.

Soms lukt het nog steeds niet, maar ik weet nu dat ik het wél kan, hoewel nog niet altijd (vanzelf). En om mezelf te bewijzen dat ik het écht kon en dat ik écht heel stoer was, deelde ik na een poosje ook bij de huisarts nog een keer de dingen die ik eerst niet zeggen kon. Om te laten zien: Er is een weg uit het dal. Ik ga er komen, op een dag! Ik kan het!

Dit was het vierde en (voorlopig?) laatste artikel over mijn ervaringen met EMDR. Via de linkjes hieronder zijn de andere artikelen te lezen:
1.
De spanning stijgt.
2.
Help, mijn hulpverlener huilt!
3.
De omgekeerde wereld.

Help, mijn hulpverlener huilt!

Om het verlies van mijn vader te verwerken, volgde ik EMDR. Het was de bedoeling dat ik zo toe zou komen aan rouw en dat zijn overlijden niet meer zo vreselijk veel spanning en angst bij me op zou roepen.*

Ik schreef al eerder dat de sessies niet altijd helemaal liepen zoals ik hoopte. Er was één sessie waar ik heel erg tegenop had gezien, maar waarvan ik ook wel wist dat die nodig was. Mijn hulpverlener had me gevraagd wat ik mijn vader zou zeggen als ik hem een brief zou schrijven. Ik vond dat een stomme opdracht, want eh…hij ging ‘m niet lezen, dus ik ging ‘m niet schrijven. Zij moedigde me aan die brief toch te schrijven, omdat ze dacht dat het me zou helpen in het proces.

Omdat ik het schrijven van de brief heel eng vond, stelde ik het eerst maar lekker lang uit. Toen ging ik er toch maar eens voor zitten en bleek het helemaal niet zo moeilijk te zijn als ik dacht. Ik schrijf nu eenmaal graag. Ik moest de brief ook voorlezen en dat vond ik spannend. Wilde ik echt zo’n brief delen? Ik besloot het maar een kans te geven.

De therapiesessie brak aan. Mijn hulpverlener vroeg me of ik de brief had geschreven. Dat had ik. “Wil je hem voorlezen?” Dat wilde ik ook. Het voelde héél eng en héél kwetsbaar. Ik deelde in de brief wat mijn vader voor mij betekend had en hoeveel hij van mij hield en ik van hem. Daar had ik een paar kantjes voor nodig gehad, maar ik was er tevreden over. Het schrijven had ik met droge ogen gedaan, maar ik wist dat ik zou gaan huilen als ik de brief zou voorlezen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vond het zó kwetsbaar en zó ‘van mij’ dat ik mijn hulpverlener, na het voorlezen van de brief, niet aan durfde te kijken. Ik bleef dus maar een beetje naar de grond kijken en naar de brief in mijn trillende handen.

Mijn hulpverlener nam het woord: “Dankjewel. Dankjewel dat je mij ook een beetje hebt laten huilen. Je kunt prachtig schrijven.” Dat laatste vond ik fijn om te horen, want ik vond zelf eigenlijk ook dat ik wel een mooi stuk had geschreven. Maar dat eerste liet me volledig blokkeren. Ze moest huilen? Kon ze het dan niet aan? Was het te heftig? Vanaf dat moment voelde de behandelrelatie met deze hulpverlener niet veilig meer. Ik vond het eng dat ik haar geraakt had en was bang dat nog een keer te doen. Ik snap het heel goed, maar voor mij als cliënt voelde het heel onveilig. Zij zag het als verbinding. Ik niet. Ik vond het alleen maar heel erg eng. Ze vroeg me hoe ik dat dan met vrienden doe. Ja, die huilen soms ook om en met mij en dat vind ik prima, want dat zijn mijn vrienden en niet mijn hulpverleners.

Ik verdiepte me thuis eens in hoe het zit met huilende hulpverleners. Ik las dat er mensen zijn die het prima vinden als hulpverleners huilen in het bijzijn van hun cliënten. En nogmaals, ik snap het hélemaal als je af en toe moet huilen. Maar voor mij werkt het niet en voelt het heel, heel onveilig. De volgende dag las ik de brief nog eens voor, aan mijn andere psycholoog. Ik stelde deze keer wel een voorwaarde: “Niet gaan huilen.”

*Met de kennis van nu weet ik dat de angst voor een groot deel ook voortkomt uit mijn autisme, maar dat was toen nog niet bekend.

Vaderskind in rouw

Vroeger was ik een vaderskindje. Ik vond het heerlijk om samen met hem een rondje te wandelen, na het eten even op zijn schoot te kletsen, uren bij hem in de auto te zitten en dagjes met hem mee naar zijn werk te gaan. Het meest heerlijk vond ik het misschien wel dat we samen konden zwijgen. We konden uren naast elkaar zitten met een boek (hij stiekem knikkebollend, ik lezend) en niets zeggen. Juist dát maakte het voor mij zo goed en vertrouwd.

Daarbij leek hij te kunnen ondertitelen wat ik zelf niet snapte of niet zeggen kon. Onderhuidse spanning die ik maskeerde met grapjes, wist hij zo achter het masker vandaan te halen. Altijd. En dan snotterde ik even uit op zijn schouder en kon ik weer verder.

Dingen die ik niet snapte, legde hij me geduldig uit. Dat ‘ruzie’ tussen Nederland en België bijvoorbeeld niet gelijk een Derde Wereldoorlog betekent, maar dat dat betekent dat de leiders van die landen het ergens niet helemaal over eens zijn. Dat het oké is om te huilen als je verdrietig bent. En humor, dat leerde ik ook van hem. Of eigenlijk leerde ik dat niet, dat erfde ik, denk ik.

Bij dikke paniek was hij degene die orde in de chaos wist te scheppen en uit kon leggen dat het niet zo ernstig was als het voor mij leek. Maar als het wél ernstig was, zei hij dat ook eerlijk. Eerlijk zijn, sorry zeggen, niet boos gaan slapen. Ook dat leerde ik.

Praktisch was hij er ook. Fiets kapot? De volgende dag kon ik op een gerepareerde fiets weer naar school. Bril scheef? Even wat verstellen was geen probleem.

En toen was ik vijftien. Ook mijn vader was nog jong. Hij werd ziek en stierf niet lang na de diagnose. Tijdens zijn ziekte kon hij nog voor me ‘ondertitelen’. Hij was eerlijk over dat hij het niet zou redden. Hij troostte me als ik het niet meer wist. Hij hield me vanuit zijn ziekenhuisbed nog in de gaten. “Had jij deze week geen tentamens?” Eh. Ja. Maar wat konden mij die tentamens schelen? Als hij in het ziekenhuis lag, belde ik hem. Totdat hij te ziek was om nog te bellen. Er ging iets kapot. Hij kon het niet maken. Ik was verdrietig. Hij kon me tóch nog troosten, mijn hoofd naast het zijne op zijn ziekenhuisbed.

Toen stierf hij. Ik was intens verdrietig, naast de ‘opluchting’ dat zijn lijden voorbij was. Als ik verdrietig was, was er één die dat altijd direct door had en die dat altijd zag. Die was er niet meer. Ik voelde me verloren in mijn gevoel. Hoe moest ik dat uiten nu degene die me het beste snapte me niet snappen kon? Inmiddels heb ik meer dan een half leven geen vader meer. Ik mis hem. Het is inmiddels zo ‘gewoon’ dat ik, als er iets kapot gaat, echt niet meer denk dat ik hem zou willen bellen. Als ik naar mijn ouderlijk huis ga, denk ik er echt niet meer over na dat hij daar zou moeten zijn. Toen ik mijn diploma’s tekende, ja, toen miste ik hem. Ik denk niet elke dag bewust aan hem. Ik mis hem niet elke dag bewust. Maar wat ik het meest mis, is de liefde, de vanzelfsprekende vertrouwdheid, de schouder om op te huilen én dat ik mijn maskertje af kon doen, met een steuntje in de rug van hem. Dat mis ik. Het is geen open wond meer. Het is een litteken. Het trekt zo nu en dan. Dat is pijnlijk en tegelijk prima. Zoals iemand wel eens tegen me zei: “Hij is je tranen waard.”