De hypochonder en het verstand

De hypochonder in mij is altijd in voor een nieuw onderzoek en voor een beetje geruststelling. Het verstand weet vaak wel beter, dus die twee voeren nogal eens strijd. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een bezoek aan de bedrijfsarts.

De bezoeken aan de bedrijfsarts vond ik één van de spannendste dingen na mijn ziekmelding. Ik was in het begin bang dat ze me terug naar mijn werk zou sturen, terwijl ik aan alles voelde dat ik daar nog lang niet aan toe was.

Ik trof gelukkig een bedrijfsarts die misschien nog wel beter dan ik in de gaten had hoe ik in elkaar zat. Deze arts prikte door me heen, betrapte me gelijk op toneelspel, kreeg me aan het huilen en stelde me gerust. Ze luisterde naar me, vroeg de juiste dingen en concludeerde dat ik vooral eerst maar eens beter moest worden. “Het belangrijkste is dat jij hier weer uit komt.” Opgelucht verliet ik na die eerste ontmoeting het gebouw. Deze arts begreep het en zette mijn herstel voorop.

Toch bleven de ontmoetingen spannend voor mij, ook al zei ze steeds dat dat niet nodig was. En het heeft even geduurd, maar inmiddels zie ik wel in dat ze écht het goede voor me aan het zoeken is.

Ik vertelde de bedrijfsarts dat ik zo vreselijk veel slaap. Zeker toen ik net thuis was, sliep ik ’s nachts vaak minstens tien uur. Ook ’s middags sliep ik dan nog minstens anderhalf uur. Ze concludeerde dat ik dus vaak meer dan de helft van de dag aan het slapen was.

Die vermoeidheid was iets waar ik al jaren last van had. Toen ik nog werkte, kon ik er alleen niet aan toegeven en dus ging ik maar door en door en door.

Omdat de vermoeidheid me al jaren zo bang maakte, had de hypochonder in mij al honderd keer aan de huisarts gevraagd wat er toch met me aan de hand was. Dat was volgens alle artsen die er al eens onderzoek naar hadden gedaan niet duidelijk. Nouja, lichamelijk was er niets aan te tonen, dus was het voor hen wél duidelijk: Ik was oververmoeid. Mijn psychische problemen zorgden voor mijn extreme vermoeidheid. Ik wilde dat nooit accepteren en vroeg keer op keer om nieuw bloedonderzoek. Dat kreeg ik uiteraard lang niet altijd, want ja, alles was al heel vaak gecheckt en nooit verklaarden de uitslagen mijn vermoeidheid.

Toen zat ik dus op een dag bij de bedrijfsarts. Ik had inmiddels zelf geaccepteerd dat mijn vermoeidheid toch echt veroorzaakt werd door mijn psychische problemen. Zij dacht er echter anders over. “Ik wil lichamelijke oorzaken uitsluiten. Kun je je huisarts vragen om bloedonderzoek bij je te doen?” Jaaaaa! Dat wil ik! Lekker weer prikken, riep de hypochonder in mij. Lichamelijke oorzaken uitsluiten is míjn tekst, vond de hypochonder ook. Maar ik zei iets heel anders. Nu iemand anders mijn denkbeelden aan het verwoorden was, was ik opeens één en al verstandigheid: “Nou, dat is allemaal al uitgezocht hoor,” zei ik. Maar ze wilde het graag toch nog een keer laten doen.

Ik ging naar de huisarts en vroeg om bloedonderzoek, maar gaf aan dat ik zelf dacht dat het niet echt nodig was. “Dat zijn mijn teksten hè, die van de arbo.” Dat was grappig. De huisarts zag het ook gebeuren. Normaal maak ik me zorgen en wil ik onderzoek. Nu wilde een ander onderzoek en werd ineens het verstand sterker dan de hypochondrie. Toch stemde de huisarts in met onderzoek. En ik? Stiekem baalde ik. Ik vond mezelf namelijk net zo vreselijk stoer dat ik het niet nodig vond. Tja, ik heb het geloof ik eerder gezegd, maar die hypochonder in mij is een ingewikkelde patiënt.

Goedbedoeld advies

Soms drijft mijn hypochondrie me tot waanzin. Angst beheerst me dan en dat is behoorlijk heftig. Ik weet dat ik dan afleiding moet zoeken, door bijvoorbeeld te wandelen, een boek te lezen of een kleurplaat te pakken.

Die afleiding is de eerste stap. Daarnaast staat er altijd nog een consult met de huisarts gepland. Ik kan mijn klachten dus opschrijven en ze vervolgens ‘parkeren’ tot dat volgende consult.

Soms is afleiding niet genoeg. Dan blijft de angst me beheersen en kan ik aan niets anders meer denken. Ja, ik loop dan wel een rondje, maar ik kan tijdens dat rondje alleen maar bedenken dat ik doodziek ben. En ja, ik pak dan wel een kleurplaat, maar ik kan alleen maar bedenken dat dat de oplossing niet is. In zo’n geval breekt er paniek uit. Dan is er nog één laatste, tijdelijke oplossing. Die laatste oplossing heet geruststelling. Ik weet ook wel dat dat niet altijd handig is, maar ja, als angst je tot waanzin drijft, is het soms nog de enige optie.

Mezelf geruststellen kan ik niet. Een ander kan dat ook niet. Een vriendin kan heus wel zeggen dat er niets aan de hand is, maar dat weet ik zelf met mijn verstand ook. Ik geloof het pas als een arts dat heeft bevestigd, want die heeft er verstand van.

Pas had ik zo’n geval. Ik had een paar drukke weken achter de rug en mijn hypochondrie reageerde er nogal op. Opeens werd álles wat ik voelde eng. Er stond nog een afspraak met de huisarts. Ik had al bijna twee weken mezelf verteld dat ik niet eerder zou bellen en dat ik de angst kon verdragen. Ik kon het niet. Twee dagen voor de geplande afspraak hielp niets meer. Ik wist dat er nog één oplossing was: Hulp zoeken.

Dat deed ik. Ik mailde mijn psycholoog. Dat bleek echter niet genoeg. Ik had een arts nodig, merkte ik en dus belde ik de huisartsenpraktijk. Ik legde uit dat het niet meer ging en dat ik graag een arts zou zien. Moeilijk, moeilijk, druk, druk. Daar schoot ik al op slot. Ik wil niemand tot last zijn, dus ja, dan maar niet. De assistente zou het met de huisarts overleggen en me dan terugbellen. Niet veel later ging de telefoon. “Hij zegt dat je afleiding moet zoeken. Een rondje wandelen, even iemand bellen, kun je niet naar iemand toe?” Serieus?! Die fase was ik dus al láng voorbij. En nee, ik kon niet naar iemand toe. Dat was op dat moment echt geen optie meer. De angst was al veel te groot geworden. Ik was inmiddels aan de grote schoonmaak begonnen en dat vond de assistente een heel goed idee. Ik niet. Ik heb een dokter nodig. Ze legde uit dat ik het nog maar even aan moest kijken en tot de geplande afspraak vol moest proberen te houden. Ik kon wel komen, maar dan moesten anderen worden afgezegd, dus liever niet. Mijn autisme liet me op dat moment mijn tong verliezen. Ik stemde in, terwijl ik heus wel wist dat ik het niet zou redden.

Vervolgens belde mijn psycholoog me, naar aanleiding van mijn mail. Zijn conclusie was al heel snel helder. Ik had een dokter nodig. Hij adviseerde me dan ook om wél die anderen af te laten bellen. Ik legde uit dat ik echt niet nog een keer zou bellen, want ik had gezegd dat ik het tot de geplande afspraak uit zou houden. Hij adviseerde me dringend daar nu op terug te komen. Ik was eigenwijs en deed het niet.

Mijn vriendin was gelukkig ook (eigen)wijs. Ik voelde me zó stom dat ik eigenlijk geen bezoek wilde ontvangen. Maar zij begreep dat ik wél iemand nodig had en ze kwam. Dat was fijn. Geruststellen kon ze me niet. Wel uitleggen dat deze angst een reactie was op de volle laatste weken en me even afleiden.

Ik wachtte op de geplande afspraak met de huisarts. Ik poetste me een berg spierpijn, wandelde, kleurde en was verdrietig. Het ging niet. Ik had, zoals mijn crisisplan dat voorschrijft, de huisarts gebeld. Ik háát bellen. Dus áls ik bel, is er echt wel iets aan de hand. Met een goedbedoeld advies als wandelen kon ik even niks. Maar ja, dat kon ik aan de telefoon niet zeggen. Bellen vind ik namelijk drama, omdat ik dan de sociale interactie niet goed in kan schatten. Conclusie 1: Soms zou het fijn zijn als ik geen toneelschooldiploma op zak heb. Conclusie 2: Het zou fijn zijn als mensen me geloven als ik zeg dat het niet gaat.

De slotconclusie trok de huisarts, toen ik ein-de-lijk op het geplande consult kwam. “Als jij belt, moet er gezorgd worden dat je contact hebt met een arts. Als het niet op het spreekuur kan, moet een arts je even terugbellen.” Prima plan, maar ik geef toe dat ik eerst wil zien, voor ik ga geloven.

“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.

De zieke hypochonder

Ieder signaal van mijn lichaam neem ik heel serieus. Als mijn lichaam hapert, ben ik er altijd van overtuigd dat de oorzaak ook in m’n lichaam ligt. Artsen zijn dat niet met me eens. Als ik met een lichamelijke klacht bij de huisarts kom, lijkt de eerste gedachte te zijn: O, oké, stress, te druk gemaakt, ze is er bang over, valt wel mee. In het verleden heeft dat erin geresulteerd dat een arts me lang liet lopen met een klacht die wel degelijk serieus genomen moest worden. Er groeide in mijn lichaam een poliep die, zoals me na weefselonderzoek werd verteld, kwaadaardig zou worden. Dat zou niet heel lang meer geduurd hebben. De ziekenhuisarts vertelde me na het verwijderen van de poliep dat ik er niet nog een paar jaar mee had moeten lopen, want dan was ik te laat geweest. Het bevestigde alleen maar wat ik al die jaren al dacht: Zie je wel! Ik was heel blij dat ik was blijven ‘zeuren’ en uiteindelijk mijn verwijzing naar het ziekenhuis had gekregen.

Ik bezocht vervolgens de huisarts die me heel vaak had gezien en nooit serieus genomen. Alles kwam zogenaamd door stress. Ik verweet hem dat. Hij nam dat niet zo heel serieus. “Ik kan ook wel een poliep hebben, nou, prima toch?” Prima toch? Hallo, hoor je wat ik zeg? Dat ding zou kwaadaardig worden! Denk eens na! Wat een klein beetje hielp, was dat hij vervolgens uitlegde: “Juist bij een hypochonder moeten we extra alert zijn dat we niet iets over het hoofd zien.” Ik geloofde dat wel, maar had niet de indruk dat hij dat ook in de praktijk bracht. Weg vertrouwen.
Een paar weken later kwam ik bij een andere huisarts. Die had verder niks te maken met de ‘gemiste’ diagnose, dus ik verweet hem niets. Toch begon hij er zelf over: “Je had dus toch een poliep…” En alleen die ene zin gaf mij rust. Ja, ik had een poliep en die krijg je niet van stress. Die kreeg ik door foute genen. Dat was déze huisarts helemaal met me eens.

Na dat avontuur liet ik me uiteraard nóg minder wegsturen. Ik zou me nooit meer naar huis laten sturen met de boodschap dat dingen tussen m’n oren zitten of dat alles veroorzaakt wordt door stress. Dat heeft me gemaakt tot de enorme ‘zeur’ die ik nu ben. Ja, ik kan drammen. Dat doe ik omdat ik bang ben. Omdat ik alle controle over mijn gezondheid ben verloren. Omdat ik destijds niet gehoord ben. Omdat ik heb gezien wat er kan gebeuren als een diagnose gemist wordt.

Heb ik me daarna dan nooit meer weg laten sturen? Dat heb ik wel. Heel vaak. De huisarts die destijds nogal laconiek deed, is (hoera!) vertrokken. Zijn vervanger is mijn tegenwoordige vaste huisarts. Mijn eerste consult bij hem was een feestje: “We moeten je lichaam ook serieus nemen.” Oké, deze huisarts is top. Maar ja, eh…Na bijna drie jaar weet ook deze huisarts het soms niet meer. Ik zeur nog steeds. Ik ben nog steeds bang. En ja, we moeten mijn lichaam serieus nemen. Maar mijn angst ook. En daarom volgen we een twee-sporen-beleid. Ik mag elke drie weken naar de huisarts. Maar er is meer. Ik ga een behandeling volgen voor mijn angst, nog specifieker dan de behandelingen die ik al heb (gevolgd), in de hoop dat ik voortaan signalen van mijn lichaam serieus kan nemen zónder enorme paniek. En in de hoop dat mijn bezoeken aan de huisarts sterk verminderd kunnen worden. Dat is voor de huisarts fijn en stiekem voor mij ook, want, schreeuwt mijn hypochondrie, dan nemen ze me misschien weer eens serieus als ik kom.

Achter het masker

Al heel lang draag ik een masker. Soms bewust, maar meestal onbewust. Mijn masker is zó bij me gaan horen, dat ik vaak niet eens door heb dat ik het draag.

Met mijn masker op ben ik altijd vrolijk en gezellig. Zelfs bij hulpverleners en mensen die me goed kennen, zet ik meestal dat masker op. Mijn masker heeft me in die zin iets gebracht, dat het ervoor heeft gezorgd dat ik lang ‘normaal’ heb kunnen functioneren. Totdat het echt niet meer ging.

Niemand had dat aan zien komen. Mijn masker, dat altijd mijn redding was geweest, zat me nu behoorlijk in de weg. Want ja, ik zag er toch niet ziek uit? Ik deed mijn werk toch goed? Ik had toch een leuk leven? Waarom had ik dan depressieve klachten en kon ik niet meer werken?

Mijn masker heeft ervoor gezorgd dat ik ook zelf soms niet meer weet wat ik echt voel. Daarbij vind ik het eng om anderen mijn gevoel te laten zien en dus zet ik dan maar snel mijn vrolijke masker op. Voor ik er eerlijk voor uit was gekomen dat ik het allemaal niet redde, keek er heel af en toe iemand achter het masker. De huisarts zei toen: “Als je iemand een keer een klein kijkje achter je muur gunt, schrikt die.” Daar schrok ik dan weer van. “Waarom schrikt die dan?” “Omdat daar zo heel veel zit waar je aan de buitenkant niks van merkt.” O. Oké. Au.

Het lukt niet alle hulpverleners om (altijd) achter het masker te komen. Toen ik me net ziek had gemeld, vond één van mijn hulpverleners: “Als ik je nu zie zitten, zou ik je zo terug naar je werk sturen.” Later voegde ze toe dat ze wist dat dat alleen buitenkant was en tóch vond ik het vervelend. Het helpt mij juist als hulpverleners mijn masker (h)erkennen.

Mijn huisarts liep pas weer keihard tegen mijn masker aan. Ik kwam met een lichamelijke klacht, waarvan ik vond dat die nooit serieus wordt genomen en had er een aparte afspraak voor gemaakt. Ik wilde niet verzanden in een gesprek over mijn psychische gezondheid. Mijn masker, dat mijn spanning moest verbergen, meldde bij binnenkomst: “Ik moet nog twee blogs schrijven voor volgende week en ik had nog wat inspiratie nodig…” Ik vervolgde, serieus: “Als ik het gevoel heb dat ik niet serieus word genomen, ga ik naar een andere arts.” De hypochonder in mij wilde natuurlijk horen dat ik wel serieus werd genomen, maar de huisarts vond het geen probleem als ik naar een andere arts zou gaan. Hm. Wacht even. Ik wel, stiekem. Dit soort uitspraken zijn een test. Toen legde hij het uit: “Ik moet ook even schakelen; jij zit met een glimlach te vertellen dat je je zorgen maakt. Dan moet ik in m’n hoofd even omdraaien dat hoe harder je lacht, hoe groter je zorgen zijn.” Ja, dat dus. Ik geef toe dat mijn masker het ook niet zo eenvoudig maakt om mij serieus te nemen. Hij nam me wel serieus. Denk ik, roept de hypochonder dan. Tussen neus en lippen door kreeg ik nog wat blogtips. Dat ook.

De arbo maakte ook kennis met mijn masker en adviseerde me na een paar contacten: “Je moet stoppen met je anders voordoen dan je je voelt.” Ja, goed idee. Iemand de knop al gevonden? Ik doe echt mijn best, maar het is een lange weg. Uiteindelijk ben ik zonder masker leuker dan met masker, maar ik ben mezelf na al die jaren weer aan het herontdekken. En dat kost tijd.

Hoofdpijndossier

Hoewel ik een enorme hypochonder ben, ga ik eigenlijk nooit met heel concrete klachten naar een arts. Als iemand mij vertelt dat hij naar de huisarts gaat met een verkoudheid, snap ik daar niks van. Dat gaat in mijn beleving vanzelf wel over. Ik ga altijd met vage klachten.

Totdat ook ik op een dag iets heel concreets had. Ik had hoofdpijn. Al drie weken. Af en toe was het een paar uur weg, maar over het algemeen werd ik dag en nacht gekweld door hoofdpijn. Ik lag er letterlijk van wakker. Ik had eerst niet zo door dat het heel hardnekkig was, want ach, hoofdpijn heb ik wel vaker en iedereen heeft daar toch wel eens last van? Het is zoiets als spierpijn en gaat vanzelf wel over. Toen gooide ik een lege verpakking pijnstillers weg. In de papierbak lag bovenop het voorgaande lege doosje pijnstillers. Oeps. Was dit misschien dan toch iets om even na te laten kijken? Ik besloot van niet. En toch wel. En toch niet. Ik zette een wekker om naar de dokter te kunnen gaan, zette die toch weer uit, zette die midden in de nacht weer aan en toch weer uit en ging uiteindelijk niet.

Zodra ik mijn bed uit was, had ik spijt van mijn besluit. Mijn hoofd moest weer recht op mijn nek staan en dat deed pijn. Veel pijn. Al drie weken. Ik was er opeens klaar mee. En vooruit, de hypochonder had er ook een zeer duidelijke mening over. Maar ja, er zijn afspraken over wanneer ik wel en niet naar de dokter mag en dit was niet een dag waarop ik zou mogen. Of toch wel? Ooit zei een huisarts tegen me: “Een hypochonder kan ook een blindedarmontsteking krijgen en dan moet je wél bellen.” Viel dit in die categorie? Ik wist het oprecht niet.

Ik ging voor een tussenoplossing en belde de assistente. Ze adviseerde me zwaardere pijnstillers, maar die waren me ooit verboden. Was fysiotherapie dan misschien een optie? Ook dat was me ooit verboden, want dat was symptoombestrijding en niet het oplossen van het probleem. Ik vind pijnstillers ook symptoombestrijding, maar blijkbaar zag mijn toenmalige psycholoog dat anders. Ik maakte het dus een beetje een ingewikkeld hoofdpijndossier, die hoofdpijn van mij. De assistente zou overleggen met de huisarts.

Niet veel later kreeg ik concrete tips:
– Neem de komende week rust; vermijd drukte.
– Slik vier keer per dag twee Paracetamol.
– Neem je slaapmedicatie, want goed slapen is belangrijk.
– Ga elke dag even naar buiten.

Stiekem vond ik dat grappig. Dit was precies waarom ik niet naar de dokter was gegaan. Ik dacht dat er een keer iets echt lichamelijks was. De tips doen vermoeden dat hij daar anders over dacht. Ja, de pijn is lichamelijk, maar de oorzaak blijkbaar niet. De rust, tja, stiekem was er veel spanning ja. De pijnstillers, eh…daar had ik dus al twee doosjes van verorberd. De slaapmedicatie had ik nog, maar slikte ik niet. Iets met eigenwijs. Naar buiten ging ik al elke dag.

Ik besloot het toch een kans te geven en vulde mijn pillendoosje aan met de tijdelijk toegevoegde medicatie. Ik ging naar buiten. Ik huilde. En met name dat laatste bracht heel even een beetje verlichting. Ik geef niet graag andere mensen gelijk, maar het zal toch weer niet? Laat ik er mijn hoofd maar niet over breken en trouw de adviezen opvolgen*, in de hoop dat dit hoofdpijndossier snel gesloten kan worden.

*Mijn blogjes worden meestal een paar weken eerder geschreven dan gepubliceerd. Dit hielp allemaal niet en na alleen maar meer pijn, mocht ik naar een fysiotherapeut. Dat doet tijdens de behandeling ook pijn, maar het helpt wel!

Communiceren kun je leren?

Al eerder schreef ik een blog over de regeltjes in de GGZ. In deze blog gaat het verhaal verder.

Nadat bleek dat ik niet aan alle regeltjes voldeed, vroeg ik de instantie waar ik mijn laatste hoop op had gevestigd om contact op te nemen met de huisarts. Dat deden ze. Hij vertelde ze precies dezelfde dingen als ik. Hij legde uit dat ik een toneelschooldiploma op zak heb en dat het daarom wel líjkt alsof alles prima gaat, maar dat het er vanbinnen heel anders uitziet. En ik vond stiekem dat ik van iemand in de GGZ had kunnen verwachten dat ze daar rekening mee zouden houden.

Een week later ging de telefoon. Na contact met de huisarts en één van mijn vorige behandelaren, zag men in dat er wel degelijk sprake was van een behoorlijk probleem en dat er nu echt hulp nodig was. Er werd een voorstel gedaan voor groepstherapie. Ik schoot direct in dikke paniek. Het eerste voorstel was een individuele therapie geweest. Dat vond ik eng, maar ik had me voorgenomen daar helemaal voor te gaan. En nu kwam er ineens een groep om de hoek kijken? Ik had al gezegd dat ik een groep geen optie vond. Een groep voelt voor mij niet veilig. Ik zou grappen maken. De rest zou zich óf kostelijk vermaken met mij erbij óf zich vreselijk ergeren aan mij, maar zelf zou ik er niks aan hebben. Ik zou constant om de echte problemen heen blijven draaien. En omdat ik mijn toneelschooldiploma op zak heb, zou niemand dat merken. Dat heb ik bij een eerdere therapie ook al bewezen. Ik wist wat ik moest antwoorden op de vragen, gaf die antwoorden en ziezo, probleem opgelost. En ja, dat deed ik zelf, maar ik deed dat omdat er geen vertrouwen was. Vertrouwen is een kernwoord.

Na overleg met diverse hulpverleners besloot ik het gesprek over de groepsbehandeling aan te gaan. Ik zou uitleggen waarom ik denk dat ik niet in een groep behandeld kan worden. Daarna zouden we verder kijken.

Ik kreeg een telefoontje met een datum voor de intake.
Een dag later kwam de brief met de afspraakbevestiging. In de bijgevoegde folder was enkel informatie te vinden over een opname. Opnieuw paniek. Ik pakte direct de telefoon en vroeg of de intake zou gaan over opname of dagbehandeling in een groep. Het secretariaat wist het niet en begreep ook niet waarom ik daar zo’n punt van maakte. Ik legde uit dat ik niet zou komen als het een gesprek zou worden over opname. Dat viel niet helemaal lekker. Ik belde vervolgens maar even naar degene die de intake had gedaan en had gezegd dat het om een dagbehandeling ging. Die was vrij. In pure paniek greep ik toen de laatste strohalm, genaamd de huisarts. Daar adviseerden ze me om zelf nog een keer met de instelling te bellen. En daar kwam de aap uit de mouw: “Dat heeft geen zin. Wat ik zeg, geloven ze niet. Ze geloven het pas als de dokter het zegt, want ik ben gek.” Au, au, au. Dat deed pijn. Maar het was waar. Ik belde opnieuw de instelling en vroeg hen voor de komende intake contact op te nemen met de huisarts. Daar deden ze moeilijk over. Ik legde uit dat ik me niet serieus genomen voel en dat ik weet dat ze de huisarts wel serieus nemen. Ze zou het verzoek doorgeven.

En ik? Ik voelde me onbegrepen. Als je in de GGZ werkt, zou je toch moeten snappen dat iemand schrikt als er onaangekondigd ineens een folder over opname in de brievenbus ligt? En als iemand dan belt, kun je toch even aangeven waar de intake om gaat? Blijkbaar niet. Mijn vertrouwen in de instelling was nul. Inmiddels is het vertrouwen ver onder het nulpunt gezakt. Maar iemand moet me helpen, dus ik laat nog heel even met me sollen.

Disclaimer: Ik begrijp heel goed dat één en ander ook aan mij ligt en dat niet iedereen in paniek raakt van alleen een folder in de bus. Maar ik wil hiermee laten zien hoe het in mijn hoofd werkt.

Ode aan de doktersassistente

Mijn hypochondrie heeft met grote regelmaat een beetje geruststelling van de huisarts nodig. Ik ben dan ook een trouwe bezoeker van de huisartsenpraktijk. Bellen doe ik liever niet, want in mijn beleving sta ik in de telefoon als ‘Mevrouw De Hypochonder’. Als ik bel, ben ik altijd bang dat ze denken: O, die weer. Wat nu weer? Die gaan we niet inplannen, want die stelt zich toch aan.

Omdat ik een veel geziene gast ben in de huisartsenpraktijk, ben ik inmiddels ook voor de doktersassistente een bekende. Vandaag breng ik een ode aan haar*.

De doktersassistente is de vrouw die de hele dag met veel geduld de telefoon opneemt. Ze beoordeelt de ernst van de klachten aan de andere kant van de lijn en plant de beller in voor het spreekuur. Tussendoor verwijdert ze wat hechtingen, stuurt dossiers door, werkt de administratie bij, maakt een uitstrijkje, stipt wratten aan en spuit wat oren uit.

En dan, tussen alle telefoontjes en andere taken door, sta ik weer voor haar balie. Ik huil, want ik ben net bij de huisarts geweest en had een nogal heftig gesprek. Ze doet niet moeilijk. Het is eigenlijk al pauze, maar ze neemt de tijd en maakt een vervolgafspraak voor me. Ze maakt een lange afspraak, want ze weet inmiddels dat ik dat nodig heb, zonder dat ik dat nog hoef te vragen. Erom vragen vind ik niet fijn en dus ben ik haar in stilte dankbaar. Ze wenst me sterkte en knikt me ten afscheid vriendelijk toe. Vriendelijke mensen zijn trouwens ook een beetje eng, want daar moet ik van huilen.

Soms durf ik, ondanks dat ik denk dat ze daar van alles van vindt, de doktersassistente te bellen. Op een dag ontdekte de hypochonder dat ik dood zou gaan. Ik had dus een dokter nodig, liefst die dag nog. Ik repeteerde wat ik zou zeggen en pakte de telefoon. Aan de andere kant van de lijn werd me gevraagd of ik die afspraak vandaag nog wilde. “Dat zou wel fijn zijn, maar ik denk dat dat niet kan?” Dat zou inderdaad lastig worden en ze zocht een plekje voor me wat later in de week. Ze vroeg me wat er aan de hand was. “O, paniek. Gaat wel weer over.” Ik had mezelf onder controle. Maar toen werd ze heel vriendelijk: “Ja, je weet dat dat weer over gaat, maar dat kan ook heel heftig zijn, dus als het niet lukt, moet je vandaag nog een keer bellen.” Snikkend door al dat lieve begrip hing ik op. Ik droogde mijn tranen en ging naar mijn werk. Alleen al haar begrip had voor rust gezorgd.

Ik belde ook een keer nét voor het weekend. De paniek kreeg de overhand en de hypochonder was druk. Ik twijfelde of ik wel of niet zou bellen. Als ik bel, wat denken ze dan van me? Als ik niet bel, wordt het dan een paniekweekend? Ik besloot de gok te wagen. Met trillende handen belde ik. Ik legde de assistente mijn probleem voor. Paniek, waarschijnlijk niks ergs, maar wel iets waarvan ik het eng vond om er het weekend mee in te gaan. Ik dacht natuurlijk dat ze zou zeggen dat ik me niet aan moest stellen en dat het wel over zou gaan. Maar ze luisterde, bleef rustig, legde uit dat mijn vaste huisarts vrij was, maar dat ik bij een andere arts ingepland kon worden. Ik was haar diep dankbaar. Toen vroeg ze nog iets engs: “Lukt het om die twee uurtjes nog te wachten?” Ja, dat kon ik. En dat was vriendelijk, dus de tranen begonnen al te branden.
Ik ging naar de huisarts. Na vijf minuten stond ik, gepijnigd en gerustgesteld, weer buiten. Toen ik langs de assistente liep, knikte ze me vriendelijk toe. En ik haar. Dankjewel, betekende dat. Dankjewel dat je altijd zoveel geduld hebt, nooit zegt dat ik zeur en altijd probeert om als ik dat nodig heb een plekje voor me te vinden op het spreekuur.

*Voor zover ik weet, leest ze niet mee, maar laat dit dan een ode aan de doktersassistente in het algemeen zijn. Wie de schoen past…En voor mij wel zo veilig en anoniem als ze niet reageert.