Sollicitatiecommissie nieuwe huisarts

De huisartsenpraktijk waar ik patiënt ben, zocht een nieuwe huisarts. Het eerste wat ik me afvroeg was wie er zou vertrekken en ik hoopte dat dat niet mijn vaste huisarts zou zijn. Toen ik daar eenmaal geruststelling over had, besloot ik dat ik als meest frequente bezoeker een prima lid van de sollicitatiecommissie zou zijn. Niet dat het mijn huisarts zou worden, maar ik heb wel een mening over de ideale arts. Bovendien zou ik deze arts moeten bezoeken op de vrije dagen van mijn vaste huisarts, in geval van nood.

De hypochonder op het spreekuur
Als je mijn huisarts bent, kom ik je regelmatig met een bezoekje vereren. Sowieso kom ik elke drie weken even langs, want dat is een afspraak waar al mijn hulpverleners mee kunnen leven. Daarbij kan het voorkomen dat ik tussendoor nog een paniekje doe, dus dan kom ik een keer extra.

Er is natuurlijk allereerst dat moment van eerste kennismaking. Zo’n nieuwe huisarts ziet dan een jonge, zelfstandige, dappere, vrolijke vrouw. De eerste indruk zou zijn dat ik snel naar huis gestuurd moet worden, want ik heb geen dokter nodig. De tweede indruk zou zijn dat ik ook nog eens een bak met humor mee heb genomen. Ik moet snel naar het theater, in plaats van naar de huisarts.

De volgende indruk ligt aan de arts die tegenover me zit. Als die niet door me heen kan prikken, blijf ik leuk doen. Als de arts wel door me heen kan prikken, is de volgende indruk dat ik een bang, klein wezentje ben. En ja, natuurlijk speel ik zelf ook een rol in die indruk, maar onder de spanning van zo’n nieuwe arts kan ik nu eenmaal niet helemaal normaal doen.

Dit bied ik
In een advertentie staat vaak wat de organisatie te bieden heeft. Ik heb als hypochonder een nieuwe huisarts te bieden:

  • Gegarandeerd een vol spreekuur
  • Op z’n tijd een beetje cabaret in de spreekkamer
  • Kunstig bij elkaar gezochte diagnoses
  • Een stortvloed aan woorden
  • Angst

Dit zoek ik
Uiteraard moet in een advertentie ook altijd staan wat er verwacht wordt van de sollicitant. Ik zou zeggen dat ik het volgende verwacht van een nieuwe huisarts:

  • Accepteer mijn overlevingsstrategie ‘humor’.
  • Neem iets mee om door mijn masker heen te prikken.
  • Luister naar me.
  • Geef mij nooit het gevoel dat ik aan het zeuren ben. Dat weet ik zelf wel, namelijk.
  • Geloof wat ik zeg, ook als dat in strijd is met wat mijn gezicht laat zien.
  • Maak af en toe zelf een grapje.
  • Snap mijn grapjes.
  • Heb geduld, want dan is er meer dan mijn masker.
  • Zorg dat er altijd tissues in de buurt zijn.
  • Af en toe mijn blog lezen is geen voorwaarde, wel een pluspunt.
  • Zet de zoutpot klaar als ik kom. Af en toe is er namelijk een korreltje nodig.

Zo. Iemand? Solliciteren hoeft niet hoor, want mijn eigen huisarts is er nog en die voldoet aan de meeste eisen. Maar voor ’t geval dát…Ik heb het profiel vast opgesteld!  

GGZ en privacy

Vorige week schreef ik al iets over de wachtlijstproblematiek in de GGZ. Ik hoor regelmatig om me heen dat de werkdruk voor mensen in de GGZ behoorlijk hoog is. Naar aanleiding van het verhaal met de wachtlijst snap ik dat wel. Hier en daar slaat men namelijk wat door met de regeltjes, bijvoorbeeld als het gaat om privacy.

De wachtlijst en ik
In eerste instantie was het de grote vraag of ik wel op de wachtlijst stond. Het is mijzelf én mijn zorgverzekeraar gelukt om die vraag te beantwoorden. Ik sta erop. Maar waar ik sta en hoe lang ik (na zeven maanden) nu nog moet wachten, dat kon niemand me vertellen. De zorgverzekering kreeg in verband met de privacy ook geen antwoord op die vraag.

Doorgeslagen privacy
Toen ik mijn huisarts vertelde over het doodlopende spoor van wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar besloot hij dat hij zelf nog wel een kans kon wagen. We waren het er samen over eens dat de instelling wél met de huisarts zou mogen praten, omdat die de verwijzing had gedaan en omdat het dan ging om een gesprek met een arts. Dat zou mogen, vonden we.

Diezelfde dag nog had ik contact met de doktersassistente. Ze had voor me naar de instelling gebeld om te vragen hoe het er nu voor stond met de wachtlijst. En wat wilde het geval? De instelling kon er geen uitspraken over doen in verband met de privacy.

Ik was echt verbaasd. Met wie mogen ze dan nog wel praten? Dat vroeg de assistente zich ook af, dus die had gevraagd of mijn huisarts moest bellen. Dat hoefde niet. De instelling zou mijn toekomstige behandelaar vragen om te bellen. Die zou namelijk wél iets mogen zeggen.

Al die verhalen over hoge werkdruk begon ik nu wel te snappen. Mijn huisarts had iets slims gedaan. Die had de assistente ingezet om de instelling te bellen. Lijkt me een prima manier van taken verdelen en de werkdruk wat verlagen. In de GGZ-instelling hadden ze blijkbaar nog niet begrepen dat iemand van de administratie ook iets kan zeggen over de wachtlijst. De assistente had dat nog benadrukt, dat er niet gevraagd werd om medische informatie, maar slechts om een wachttijd. Het mocht allemaal niet baten.

Laten we er maar over bloggen
Ik vond het hele gedoe met doorgeslagen privacy best bijzonder. De assistente noemde het lachwekkend. Gelukkig kon ze er de lol van inzien. Ze vond dat ik er wel een column over kon schrijven. En wacht eens, toen floepte er zomaar uit dat ik dat al gedaan had. Ik had het bericht dat vorige week online kwam toen namelijk al geschreven. We waren het er wel over eens dat dit nog wel een apart berichtje verdiende.

Restte me alleen nog één vraag, na dit gesprekje. Waar kwam het idee van die column vandaan? Wist ze dat ik deze blog heb? Leest de assistente hier dus mee? En wie o wie doet dat dan nog meer? Ach ja, zo houden we het bloggen een beetje spannend. Ik blijf schrijven. En wachten. Dat ook, want wachten is de trend van 2019.

Dank aan mijn bloeddonor

Vandaag is het 14 juni: Wereld Bloeddonordag. Een mooie dag om alle bloeddonors te bedanken. Vandaag vertel ik het verhaal over mijn bloedtransfusie. Het is een verhaal dat me nog regelmatig nare en angstige herinneringen bezorgt, maar ook een verhaal dat gelukkig goed afliep.

Complicaties
Het is inmiddels bekend dat ik een poliep (in mijn darm) heb gehad en dat die succesvol is verwijderd. Ik ging na het verwijderen van die poliep heel erg opgelucht naar huis. De tikkende tijdbom was mijn lijf uit.

Ruim anderhalve dag na het verwijderen van mijn poliep begon ik echter te bloeden. Geen paniek, dat stond in het boekje, dat dat kon en dat dat niet erg was. Het bleek echter te gaan om wel iets meer dan een beetje bloedverlies. Ik zocht dus contact met het ziekenhuis (de SEH, want het was nacht) en later, toen ik na een bezoek aan de SEH weer thuis was, met de huisarts.

De conclusie na de onderzoeken van de artsen was dat ik (te) veel bloed verloor, maar dat ik thuis mocht afwachten. Ik was jong en mijn lichaam kon wel wat hebben. Daarbij kreeg ik steeds de waarschuwing dat ik weer moest bellen als ik meer bloed zou verliezen. De uren verstreken en ik werd zwakker en zwakker. Waar ik ’s morgens nog zelf het ziekenhuis in was gewandeld, was ik ’s middags zó duizelig dat ik niet eens meer zelf naar de wc kon lopen. En ja, dat waren echt maar een paar stappen.

Ziekenhuisopname
Mijn broertje, die bij mij thuis was om ‘op te passen’, besloot dat het klaar was: “Ik bel de huisarts nog een keer. Dit is niet normaal.” De huisarts kwam langs en constateerde al op de drempel dat ik niet meer thuis kon blijven. Kon ik zelf naar het ziekenhuis of moest hij een ambulance bellen? Ik zei dat ik er zelf kon komen. Toen de huisarts weg was, keken mijn broertje en ik elkaar aan. Hoe zou ik daar dan zelf komen? Ik kon niet lopen… Goede vraag. Achteraf is het hilarisch om terug te blikken op die tocht naar het ziekenhuis. Ik moest letterlijk op mijn achterste van mijn appartement naar de lift kruipen en nam diverse keren een pauze, tijdens de paar meter kruipen naar de lift. Mijn broertje moest me vervolgens ondersteunen van de deur naar de auto. Ik liep het ziekenhuis ook niet meer zelf in, maar werd in een rolstoel naar binnen geduwd.

Tijdens mijn opname werd ik eerst volgestopt met infusen met zout en een goedje om het bloeden te stoppen. Het mocht allemaal niet baten. Ik werd alleen maar steeds zwakker.

Bloedtransfusie
En toen was het op. Mijn hb bleef zakken. Mijn hart begon op hol te slaan. Mijn huid was bleker dan de ziekenhuislakens. Mijn bloeddruk was schrikbarend laag. Er was nog één oplossing. Ik moest bloed krijgen.

Zo’n bloedtransfusie zou wonderen moeten doen. Je zou je dan daarna een stuk beter gaan voelen. Helaas gebeurde dat niet, omdat mijn bloeding nog altijd niet was gestopt. Wat ik kreeg, raakte ik dus ook weer kwijt. Maar ik realiseerde me wel dat ik me zónder dat donorbloed waarschijnlijk nóg ellendiger had gevoeld. Nu bleven de waarden, hoewel extreem laag, wel stabiel. De waarden zakten na de bloedtransfusie niet nóg verder.

Ik wil ook doneren
Terwijl ik daar met die zak bloed aan het infuus lag, besloot ik dat ik ook wilde doneren. Ik wilde me direct aanmelden. Het kan niet. Wie eenmaal bloed heeft ontvangen, mag nooit meer doneren. Ik heb nog gebeld om te vragen of ik wel plasma mocht doneren, maar dat mocht ook niet.

Dankjewel!
Ik kan dus zelf niets ‘terug doen’, terwijl ik dat wel graag had gewild. Daarom zeg ik sindsdien op 14 juni dankjewel, vanuit de grond van mijn hart. Dankjewel, jij bloeddonor, jij redt levens.

Meer informatie over bloed doneren en de mogelijkheid om je aan te melden als bloeddonor vind je op de website van Sanquin.

GGZ-wachtlijsten

Wachtlijsten in de GGZ. De meeste (voormalige) cliënten weten precies waar ik het dan over heb. Eerst wachten op een intake, dan wachten op een behandeling en ondertussen zie je maar wat je doet. Of wat je niet doet.

Wachten duurt lang
Wachten duurt altijd lang. Ik vind het volkomen logisch dat ik niet morgen terecht kan bij een GGZ-instelling als ik vandaag bel. Toch zijn er genoeg mensen die per direct hulp nodig hebben en dat is er dan niet altijd. Of moet ik het woordje altijd daar verwijderen?

Ik werd in november doorgestuurd naar een instelling waar ze me zouden helpen in de strijd tegen mijn hypochondrie. Ik mag in m’n handjes knijpen omdat ik al die tijd nog wel onder behandeling ben in een andere (vrijgevestigde) praktijk, maar daarnaast heb ik die gespecialiseerde behandeling nodig.

In januari had ik een intake. Dat klinkt allemaal vrij vlot. Daarna werd het stil. Ik kreeg een brief dat ik op de wachtlijst stond en dat was het.

Na maanden van wachten, besloot ik de website van de instelling eens te raadplegen om te kijken hoe lang de huidige wachttijd is. Wat zag ik tot mijn verbazing? De wachttijd stond op maximaal drie maanden. Ik had dus al lang aan de beurt moeten zijn, in mijn beleving.

Kastjes en muren
Ik startte een belronde langs diverse kastjes en muren. De één zag mijn naam niet staan, de ander kon de wachtlijst niet openen, de volgende zou binnen een week terugbellen. Niemand kon me echter vertellen of mijn naam op de lijst stond en zo ja, hoe lang ik nog zou moeten wachten.

Dat ze me geen startdatum kunnen geven, dat snap ik. Maar iets meer dan ‘het kan nog wel even duren,’ zou toch wel prettig zijn. Moet ik denken aan weken, maanden, misschien zelfs een jaar?

En ondertussen, in mijn gang van kastje naar muur en terug, nam de wanhoop toe. Maar daar hebben zij geen boodschap aan.

Wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraar
Mijn zorgverzekeraar biedt wachtlijstbemiddeling. Ten einde raad besloot ik dat maar eens te proberen, want ja, ik werd zelf door de instelling niet meer heel serieus te woord gestaan, had ik het idee. De zorgverzekeraar herhaalde mijn gang van kastje naar muur en terug en belde me met de uitkomst: “De instelling doet er tegenover ons geen uitspraken over in verband met de privacy.” Oké, dat kon dus ook nog. Ik besloot het er dan maar bij te laten zitten en weer verder af te wachten.

Stilstand
Ondertussen ben ik af en toe de wanhoop nabij. Het ergste vind ik de onzekerheid en het feit dat ik stil lijk te staan. Ik kan niet vooruit. Hoe kan ik een stap zetten met het oog op de toekomst (zoals een baan) als ik vervolgens een intensieve behandeling moet gaan doen? Ik kan dus even geen kant op. Ik wil vooruit, maar de kans is er niet. Bovendien heb ik eerst die behandeling nodig, om vooruit te kunnen. Ik verveel me absoluut niet; ik vermaak me prima, maar het is wel de hoogste tijd voor een vervolgstap.

De GGZ is ziek
Daar schreef ik het dan toch. De GGZ is ziek. Ik had me voorgenomen dat nooit te zeggen of te schrijven. Het was echter mijn huisarts die deze conclusie trok, na mijn verhaal over het eindeloze wachten. Zodra ik ‘wachtlijst’ zei, zag ik de moed al in zijn schoenen zinken. Wachtlijsten zijn stom. En ja, toen hij concludeerde dat de GGZ een beetje ziek is, kon ik het alleen maar beamen. Dat, en er een blog over schrijven.

Kan iemand alsjeblieft de GGZ genezen van de wachtlijsten?

Boekenpraat: Zondagskind (Judith Visser)

Het verhaal
Jasmijn Vink groeit op in Rotterdam. Ze woont daar met haar ouders en haar oudere broer en met haar beste vriendin Senta. Senta is een hond, maar dat vraagt nooit iemand. Senta is gewoon Jasmijns vriendin. Veel mensen vinden dat Jasmijn te vaak alleen is, maar daar snapt Jasmijn niets van. Ze is nooit alleen; ze is altijd met Senta.

Als Jasmijn vier is, moet ze naar school. Ze voelt zich daar opgesloten. Hoe houden al die andere kinderen het daar hele dagen uit? Waarom horen ze de herrie die ze maken niet?

Jasmijn besluit haar eigen leven te leiden, maar dat wordt door de omgeving niet altijd geaccepteerd. Jasmijns moeder accepteert haar wel zoals ze is: “Zo is ze nu eenmaal.” Maar wat is dat ‘zo’ eigenlijk? Jasmijn komt er pas op veel latere leeftijd achter dat dat ‘zo’ autisme heet. Dit boek beschrijft haar zoektocht naar een ‘normaal’ leven. Alsof opgroeien nog niet lastig genoeg is.

Mening
Eerlijk gezegd heb ik even getwijfeld of ik wel een recensie zou schrijven over dit boek. Ik was bang dat ik niet heel veel verder zou komen dan ‘wauw’ en een oproep om allemaal dit boek te lezen. Dat komt vooral door de herkenning die ik, recent gediagnosticeerd met autisme, in dit boek vond. Daarom gaat dit niet over mijn mening, maar over herkenning.

Herkenning
Ik las dit boek vorig jaar al een keer. Ik herkende heel veel, maar dat kon niet, want ik was niet autistisch. Ik stopte het weg. Ik ben dus wél autistisch. Ik herkende lang niet alles, maar dit zijn de dingen waarin ik het meeste herkenning vond:
*Bellen is echt drama. Jasmijn neemt gewoon niet op. Ik neem meestal wel op, omdat ’t moet, maar liever niet.
*De enorme verlegenheid van de jonge Jasmijn. Ik was ook ‘schattig verlegen’.
*Jasmijn staat stil bij de dingen waar een ander niet over nadenkt. Ik ook.
*Jasmijn kan zich elke seconde van alles wat er ooit is gebeurd nog herinneren. Ik snapte heel lang niet waarom anderen dat niet konden, net als Jasmijn. Inmiddels snap ik dat die anderen het ook niet ‘expres’ doen als ze dingen vergeten.
*Jasmijn wil niet mee op schoolkamp. Ze houdt het tot kwart over drie al nauwelijks uit. Herkenbaar als leerling én als leerkracht.
*Jasmijn heeft veel last van bijgeluiden. Bijgeluiden zijn als ballen die raak zijn. Haar hoofd is een doel zonder keeper. Ik zeg altijd dat ik geen filter heb, maar deze klinkt ook prima.
*Jasmijn zegt op een gegeven moment als ze verdriet heeft: “Mijn hart was bont en blauw, maar aan de buitenkant zie je dat niet.” Precies dat is wat zo vaak voor onbegrip heeft gezorgd. Ik zie er zo vrolijk uit.
*Iemand zegt tegen Jasmijn: “Jij voelt je ‘normaal’ zolang alles gaat hoe het volgens jou hoort te gaan.” Hier nog één.

Maar het meeste herkenning vond ik toch wel in wat Jasmijn denkt over haar vriendin Colette: “Colette kon haar ziel een schildje omdoen. Ik niet.”

Het missen van dat schild is precies wat het leven soms zo overweldigend voor me maakt. Het leven met al zijn prikkels en geluiden. Prikkels en geluiden die een ander niet opmerkt, maar ik wel.

Dus ja, ik zeg het toch nog maar een keer tegen iedereen die wat meer van autisme wil snappen: Dit boek is een aanrader!  

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Zondagskind’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Zondagskind
Auteur:
Judith Visser
Uitgeverij:
HarperCollins
Genre:
Roman
Pagina’s:
478

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Altijd bereikbaar

In onze huidige maatschappij lijken we altijd maar bereikbaar te moeten zijn. Even snel een vraag beantwoorden via de app, je telefoon altijd bij je hebben en denk erom dat je je mail direct beantwoordt. Ik merkte dat die eeuwige bereikbaarheid me veel onrust bracht en zocht naar oplossingen.

Bereikbaar voor iedereen?
Voor mezelf zie ik wel een verschil tussen bereikbaar zijn voor collega’s of voor anderen. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk dat mijn familie en vrienden me in geval van nood kunnen bereiken. Dat kan ook, want ze kennen het nummer van mijn vaste telefoon. Als mijn mobiele telefoon dus even op stil staat, kunnen ze me gewoon bereiken.

Als collega’s me wilden bereiken, had ik daar in mijn vrije tijd behoorlijk wat moeite mee. Ik zou het liefst na een werkdag naar huis gaan en dan niet meer na hoeven denken over werk, tenzij ik daar zelf voor kies.

Op vrijdagmiddag was ik vrij. Ik leerde mezelf dat ik mijn werkmail niet meer thuis zou lezen, tenzij dat een bewuste keuze was. Als ik nog even thuis wilde werken, vond ik de werkmail lezen prima, maar niet ‘even tussendoor’. Als iemand me op vrijdagmiddag mailde, las ik dat soms pas op maandagochtend. Ik vond dat fijn, want dan had ik er in ieder geval in het weekend niet over na hoeven denken. Het werd me echter door mijn werkgever verweten: “Het is nu maandagochtend en je hebt het net pas gelezen? Het is vrijdagmiddag al verstuurd. Je kan thuis toch ook je mail lezen?” Ja, dat klopt, maar stiekem was ik er trots op dat ik de mail pas op maandagmorgen had gezien.

Ik ben (even) onbereikbaar
Thuis ben ik heel makkelijk met onbereikbaar zijn. Mijn mobiele telefoon staat vaak op stil en mijn deurbel staat vrijwel altijd uit. Geen gedoe. Appjes lees ik wel als ik daar zelf zin in heb en niet als er van alles begint te bliepen.

Sinds kort komen er op mijn telefoon alleen nog meldingen binnen van appjes in privégesprekken. De rest piept niet en geeft geen icoontjes. Die rust vind ik heerlijk.

Op mijn werk vond ik het moeilijker. Mijn werk bracht veel mails en telefoontjes met zich mee. Als ik dan met iets bezig was, zag ik op mijn scherm nieuwe mails verschijnen. Ik zette dus de pop-ups uit. Dat bleek echter niet genoeg, want ik keek toch steeds even tussendoor of er mail was. Ik beantwoordde die mails dan ook maar gelijk, als dat kon.

Effectief werken en je mailbox
Al die mailtjes die ik ‘even tussendoor’ deed, haalden me steeds uit mijn concentratie en kostten daarom best wat tijd. Ik stuitte ergens in een wachtkamer op een artikel over effectief werken en over stress en burn-out. In het artikel werd geadviseerd om je mail niet de hele dag open te zetten, maar om die twee keer per dag te controleren.

De eerstvolgende werkdag besloot ik de mail te sluiten. Aan het begin van de dag keek ik en beantwoordde ik urgente mails. Verder plande ik mails beantwoorden echt in en een uur voor ik naar huis ging, keek ik nog even naar urgente zaken.

Het bracht mij rust. Het was in het begin even wennen om mensen langer dan vijf minuten op antwoord te laten wachten, maar het bleek uiteraard (voor de meesten!) geen probleem te zijn. De belangrijkste les voor mij was dat het prima is om even onbereikbaar te zijn. Mensen kunnen best even wachten op antwoord.

Verlangen

Op de ruïnes van angst
bouw ik een leven vol dwang.

Slecht één ding is er
dat ik met heel mijn hart verlang.

Ik wil een lege kavel;
één waarop ik kan bouwen.

Een kavel vol vruchtbare grond;
een basis van hoop en vertrouwen.

Wat als mijn huisarts zou bloggen?

Het artikel over de huisarts en de handpop leek nogal wat los te maken. De statistieken gingen volgens de melding van WordPress door het plafond en er zijn wat gemengde reacties. Er was uiteraard meer dan Harry de handpop. Dat is voer voor dit artikel. En hoewel ik in mijn ‘kennismaking’ op deze blog al schrijf dat je alles bij mij met een korreltje zout moet nemen, voelt dit toch als een soort ter verantwoording komen. Maar deze blog was er sowieso gekomen. Het werd echter te lang om alles in één blog te doen.  

Bloggende patiënten
Er zijn in blogland veel patiënten te vinden. Veel ervaringen over ziekenhuizen, artsen en de GGZ worden in blogland beschreven en gelezen. En tja, de artsen moeten het maar laten gebeuren.

Wat er gebeurt als ik naar de huisarts ga, is dat ik stress heb. Ik blijf het elke keer spannend vinden, want ik vind het bijzonder moeilijk om mezelf écht te laten zien. Ik zet graag mijn lollige masker op en breek daar niet altijd doorheen.

Tijdens zo’n consult met masker op blijf ik maar grappen maken en druk doen. Als iets niet werkt, roep ik altijd heel hard dat het een blog wordt. Als mijn huisarts dat zou ‘verbieden’, zou ik dat respecteren. Meestal is de sfeer gemoedelijk en worden er over en weer grapjes gemaakt. Op mijn opmerking dat er een blog ontstaat, is de reactie meestal de vraag wat er dan verkeerd gaat. Blogjes ontstaan namelijk meestal uit frustratie.

De aanloop naar Harry
Hier en daar moet er een korreltje zout aan mijn blogs worden toegevoegd, maar toch zijn mijn blogs altijd eerlijk en waar. Dus ja, ook de blog over Harry de handpop is waar.

Harry had echter wel een aanloop. Om duidelijk te maken wat negatieve gedachten zijn, moest ik een naam zeggen. Een naam van een leerling die ik irritant vond. En dat weigerde ik. Ik wist heus wel waar het naartoe zou gaan, maar ik weigerde een naam van een leerling te noemen. Ten eerste moest ik namelijk vrij diep graven voor zo’n naam. Kinderen die ‘irritant’ zijn, zijn dat namelijk met een reden, dus echt irritant vind ik ze nooit. Ten tweede vond ik dat het noemen van een naam niet gepast was in het kader van de privacy.

Uiteindelijk kwamen we op een naam van iemand anders die ik wél echt irritant vind. Iemand die me zachtjes uitgedrukt getraumatiseerd heeft. Maar omdat ik nogal wachtte met een naam, kwam handpop tevoorschijn. Handpop kreeg dus een naam, maar dat neemt niet weg dat ik wel graag de echte naam van handpop had geweten en daarom doopte ik hem thuis al heel snel Harry.

Bloggende artsen?
Eenmaal thuis ging ik aan het schrijven, want er was weer voldoende inspiratie. Maar nu komt de grap. Ik vroeg me opeens af wat mijn huisarts zou schrijven als hij zou bloggen. Ik zet hier wel ‘alles’ gezellig online, maar wat als hij dat zou doen? Ik zou het stiekem grappig vinden om zijn blogs over mij te lezen. Ik vrees namelijk dat ik zo’n irritante patiënt ben. Zo iemand waarvan je de handpop die naam zou geven. En nee, dat is niet grappig. Dat is irritant.

Ik zou namelijk veel liever niet grappig zijn. Ik zou liever gewoon kunnen zeggen wat er in me leeft. En het lukt me niet. Ook niet met Harry. Dat lijkt me voor artsen behoorlijk frustrerend én blogwaardig. En hé, ik houd niemand tegen, zolang (net als bij mij) de anonimiteit maar gewaarborgd is.

De huisarts en de handpop

Een bang kind wordt bij een arts wel eens afgeleid met een pop of beer. Een zieke pop of een in verband gewikkeld beertje kan zo’n kind soms helpen. Prima idee wat mij betreft, maar bij dertigers werkt de tactiek niet, heb ik ondervonden.

Negatieve stemmetjes
Tijdens een consult bij de huisarts vertelde ik over mijn negatieve gedachten. Ik was zo vreselijk moe en mijn hypochondrie kon daar allerlei enge ziektes bij verzinnen. Hypochondrie en angst vertelden me dat ik echt heel erg ziek was, dat ik nooit meer een normaal leven op ging bouwen en dat ik nooit meer normaal zou kunnen werken.

De negatieve stemmetjes doen altijd hard hun best. De hypochonder laat zich in mijn leven niet negeren en krijgt graag wat aandacht. Ik ging ‘m even uitlaten bij de huisarts ter geruststelling, maar het liep nogal anders dan ik had bedacht.

De handpop
Handpop kijkt me al jaren tijdens ieder consult vrolijk aan. Handpop zit vrolijk in een hoekje, want ondanks een dikke pleister op het gezicht kan Handpop echt nog wel lachen. Ja, ik ben vergeten te vragen hoe Handpop heet. Laten we hem Harry noemen. Of misschien Hanny, want Handpop is vrij genderneutraal, maar ik ga voor Harry.

De huisarts stond op, haalde Harry en legde me met Harry op de hand uit dat ik die negatieve stemmetjes niet moest geloven. Ik vereenzelvigde me met de negatieve gedachten en dat was niet de bedoeling. Ik moest bedenken dat het de negatieve stemmetjes waren.

Harry demonstreerde even hoe het werkt met negatieve stemmetjes. Met vreemde stemmetjes begon de huisarts mijn negativiteit na te bootsen en vertelde er dan bij dat het Harry was die dat zei. Dat was ik niet, dat was Harry. Harry reisde mee op mijn schouder en zat me de hele dag negatieve dingen in te fluisteren. Uiteraard demonstreerden Harry en de huisarts dat even samen. Zie je het voor je? De rest van het consult kreeg Harry een plekje tegenover me, op de tafel.

De handpop en de autist
Harry had bij mij geen succes. Vroeger las mijn moeder de verhaaltjes met pratende beren al niet voor. Die vond ik namelijk stom (één van de weinige zichtbare autistische trekjes als kind). Misschien had ik dat even moeten vermelden in mijn blog over mijn voorlezende moeder, want dan had de huisarts dat geweten.

Hoe dan ook, Harry en de huisarts deden nogal hun best. Ik haakte af. “Ik ben dertig. Doe eens normaal. Doe dat ding weg. Bij mij werkt het zo niet ook, met negatieve gedachten.” Ik geef overigens toe dat ik het zó idioot vond dat het grappig werd, maar hallo, ik ben altijd de entertainer in die spreekkamer en nu waren de rollen ineens omgedraaid.

Harry krijgt een blog
Ik waarschuwde dat dit gedoe met Harry een blog ging worden. Toen Harry na die waarschuwing niet direct terug naar zijn plekje in de hoek ging, dreigde ik er zelfs een vlog van te maken. Maar ja, een blog over Harry en hem vond de (hier af en toe meelezende) huisarts geen enkel probleem. Blogjes maken was namelijk goed voor me. Deze blog is dus mede mogelijk gemaakt door Harry. Zo zie je maar dat Harry toch nog ergens goed voor is. Moet ik ‘m nog van iemand de groeten doen de volgende keer?

Meer lezen over de context? In de blog ‘Wat als mijn huisarts zou bloggen?’ leg ik het uit.

Kleur je kalm

Mijn gebrek aan creativiteit
Creativiteit is nooit mijn sterkste kant geweest. Ik had er het geduld en de vaardigheden niet voor. Ik denk niet dat ik als kind ooit een kleurboek vol heb gemaakt. Ik kan me zelfs nog herinneren dat ik als kleutertje een keer een kleurplaat af moest maken. De rest zat in de kring, ik zat daar nog aan mijn tafeltje. Mijn kleurplaat moest af, maar mijn hand deed zeer van het veel te krampachtig vasthouden van het potlood en ik wilde gewoon bij de anderen in de kring zitten.

Op de basisschool moest er elk jaar een surprise gemaakt worden voor Sinterklaas. Dat was ieder jaar een klein drama, dus schakelde ik altijd een hulplijn in. Toen die hulplijn een jaartje niet beschikbaar was, kreeg ik van de leerkracht een negatieve opmerking over de kwaliteit van mijn surprise. Ik zou me er nóg kwaad over kunnen maken. Meer dan dat kon ik gewoon niet! Zeker niet in een tijd dat we nog nooit van Pinterest hadden gehoord.

Op de middelbare school volgde ik het vak tekenen. Ik ging heel snel over op abstract werken. Dat kon ik namelijk wél. Lekker simplistisch, maar de boodschap erachter sprak altijd boekdelen. Stiekem vond ik dat zelfs leuk.

Creativiteit en het onderwijs
Na de middelbare school ging ik naar de PABO. Juist ja, geen beste plek als je niet zo creatief bent aangelegd. Ik geef eerlijk toe dat ik regelmatig werk van mezelf inleverde als zijnde werk van een leerling. Er was nooit een leraar die dat zag. Mijn niveau lag duidelijk niet hoger dan dat van een basisschoolleerling.

Als gediplomeerd juf moest ik zelf tekenen gaan geven. Eh…probleempje. Ik loste dat probleem op door te werken met leskaarten. Ik haalde mijn inspiratie van internet en maakte leskaarten voor de kinderen. Stap voor stap legde ik op die leskaarten alles uit, met voorbeelden (uiteraard ook van internet). Veel kinderen waren veel creatiever dan ik en dat durfde ik rustig toe te geven.

Zit het er dan toch in?
Een paar maanden geleden kwam ik thuis te zitten. Ik begon aan mijn surprise voor Sinterklaas. Ik kwam bij het deel waarbij ik aan het verven sloeg en ik maakte iets unieks mee: Ik vond het leuk! Ik merkte dat ik avonden kon gaan zitten met m’n verf en m’n kwasten en dat ik dat heel ontspannend vond. Ik genoot er echt van.

Ik besloot mijn creativiteit nog eens een kans te geven en kocht een kleurboek. In eerste instantie ging ik maar voor zo goedkoop mogelijk, want ja, ik zou dit waarschijnlijk hooguit één dag leuk gaan vinden. Het ging heel anders. We zijn inmiddels vele maanden verder; ik heb stapels kleurboeken en kleurdozen in huis en ik kleur bijna dagelijks. Ik vind het heerlijk.

Kleur je kalm
Als ik ga zitten met een kleurplaat, voel ik dat ik ontspan. Soms zet ik een muziekje op, soms staat de TV aan op de achtergrond, maar heel vaak is het ook gewoon stil.
Er is me vaak verteld dat ik gevoel ‘er moeten laten zijn’. Ik kan niks met zo’n uitspraak. Hoe moet dat dan? Het lukt me niet. Ik denk dat kleuren mijn manier is van gevoel er laten zijn. Al kleurend komt de ene na de andere gedachte voorbij. En ja, gedachten zijn geen gevoelens, maar toch vind ik dat dit mijn invulling is van gevoel er laten zijn. Ik word heel rustig van kleuren en er kunnen soms zomaar ineens uren verstreken zijn als ik weer op de klok kijk.

Mijn ‘werk’ tonen blijft spannend, maar inmiddels durf ik het, met enige aarzeling, wel aan.

Hoe volwassen ben ik?
Tot slot vraag ik mezelf al kleurend soms af hoe volwassen ik ben. Mwa, volwassen genoeg, constateer ik dan. Ik denk niet dat het kleuren nog gaat stoppen, ook niet als ik ‘beter’ ben. Heel stiekem hoop ik gewoon dat ik op een dag een kleurende bejaarde word. Lijkt me heerlijk!