Alternatief recept: Naar buiten

Buiten zijn is voor mij een heel goed medicijn. Als mijn hoofd vol zit, lukt het me buiten vaak om weer wat orde op zaken te stellen. Sinds ruim een jaar was ik zelfs elke dag buiten en toch ging er ergens iets mis…

Buiten zijn is fijn
Ik woon echt op één van de beste plekken van Nederland, als het gaat om een goede uitvalsbasis voor wandelen of fietsen. Ik loop de deur uit, zo de polder in en kan dan perfect een uurtje wandelen. Dan kom ik bijna geen mensen tegen en ben ik na een uur weer opgefrist thuis. Sommige mensen vinden dat saai, steeds hetzelfde rondje, maar ik vind het heerlijk. Ik zie elke dag weer wat anders, op precies hetzelfde rondje. Ik kan er echt van genieten.

Buiten zijn doet pijn
Er zijn zat mogelijkheden om dat rondje wat uit te breiden en zo weet ik dus hoe ik tussen de zes en de dertien kilometer lekker kan wandelen, gewoon vanuit huis. Maar…ergens ging iets mis. Ik was altijd minstens een half uur per dag buiten, maar meestal echt wel een uur. Toen werd het februari. Ik kreeg stress en pijn. De pijn zorgde ervoor dat wandelen en fietsen even vrijwel onmogelijk werden. Mijn nek en mijn hoofd sprongen dan zo’n beetje van mijn lijf af. Ik ging nog wel elke dag naar buiten, maar vaak waren dat nog maar twintig minuten.

“Je hebt het zo nodig.”
Een poosje geleden zat ik bij mijn huisarts. Er was weer eens paniek. Dat bleek nog een gezellig staartje te zijn van het gesprek met de arbeidsdeskundige, maar wist ik veel. Ik was het zó zat. Daar zat ik dan: “Alle trucjes die ik normaal doe, helpen ook niet. Ik wil heus wel kleuren en naar buiten, maar dat doet te veel pijn.” Dat ik pijn had, was duidelijk. Dat dat verder niet ernstig was, was volgens de huisarts ook duidelijk.

Hij vond dat ik mijn conditie weer wat op moest gaan bouwen, zodat de pijn dan misschien ook minder zou worden. “Ja, hóe dan? Buiten zijn doet pijn!” Ik wist het allemaal even niet meer, die dag was álles stom tot de macht veel, dus zéker dat advies. Wat nou naar buiten? Dóe iets!

Aan het eind van het gesprek was ik de wanhoop nabij. Ik wilde húlp, wat moest ik?! Ook bij de huisarts zag ik een spoor van wanhoop op zijn gezicht. Hij had gedaan wat hij moest doen, maar kon niet meer doen dan dat om me gerust te stellen en dat was die dag dus niet voldoende. Bij de deur zei hij het nog een keer. De voorgeschreven medicatie was niet het belangrijkst, maar het alternatieve recept: “Ga nou lekker naar buiten; je hebt het zo nodig…”

Het drong niet meer tot me door, want ik dacht alleen maar: Hoe kom ik met mijn jankhoofd langs een volle wachtkamer en daarna naar huis?

Twee dagen later. De pijn was weer wat gezakt. De frustratie ook. Ik kon weer normaal nadenken. Ineens drong door wat er bij de deur tegen me gezegd was: “Je hebt het zo nodig…” Ik stippelde op knooppunten een fietsroute uit, sprong op de fiets, ontdekte nieuwe fietspaden, genoot van de natuur en was na bijna anderhalf uur fietsen weer thuis. En wat bleek? Ik had het nodig.  

Het beste medicijn

Even geduld a.u.b.

Even geduld heb ik soms. Maar niet heel veel. Het weinige geduld dat ik heb, wordt al heel lang op de proef gesteld. Ik waag maar weer eens een blogje aan de wachtlijstproblematiek in de GGZ, want de soap loopt ‘lekker’ lang door.

Wachten duurt lang
Wachten duurt lang, zeggen ze. Dat zal allemaal wel zo zijn, maar ik sta nu negen maanden op de wachtlijst voor een behandeling die gericht is op mijn hypochondrie. Ik had gehoopt (en oké, gedacht) dat ik inmiddels wel aan de beurt zou zijn, maar dat ben ik niet.

Ik schreef al eerder dat het allemaal wat vaag was en dat het lang duurde én dat men ook nog een partijtje moeilijk deed over privacy. Ik geloofde daar niet zo in; ik dacht meer dat ze gewoon niet wilden zeggen hoe vreselijk lang de wachtlijst nog was.

Actie
Het leek voor mij onmogelijk om antwoord te krijgen op mijn vragen en daarom waagde uiteindelijk de huisarts zich in het gangenstelsel van kastjes en muren. Hij hield standvastig vol, waar ik al was afgehaakt. Ik moest namelijk de administratie bellen en van de administratie de behandelaar en zo bleef ik dus maar in een cirkeltje ronddraaien en kwam ik nooit iets te weten. Mijn huisarts zocht het wat hogerop. Ook dat had geen effect, maar dat bleek vooral te komen omdat degene die hij moest hebben op vakantie was.

Er is beloofd dat de meneer-in-pak-met-veel-geld-op-de-bank-en-een-dure-auto na zijn vakantie mijn huisarts gaat bellen. Ik ben benieuwd of meneer dat ook gaat doen. In ieder geval is er tot die tijd nog een klein sprankje hoop.

Het duurt nog wel ‘even’
Mijn huisarts kreeg wél te horen wat ik al vermoedde, maar van niemand bevestigd kreeg. Het kan nog wel een jaar duren voor ik aan de beurt ben. Ja, dat is inderdaad in totaal ruim twintig maanden wachten dan. Bizar.

Ik was woest, toen ik dat hoorde. Mijn huisarts was de brenger van de boodschap en dus ook degene die mijn frustratie aan moest horen, ondanks dat hij er alles aan had gedaan.

Hij legde uit dat de instelling dit ook niet wil. “Zij zitten met te weinig mensen en met geld enzo, zij willen dit ook niet.” Dat kon mij allemaal niet schelen. “Ik ben een méns, geen instelling, dat is erger. Ik ben hier het slachtoffer van.” Dat was hij helemaal met me eens, maar veel meer dan wat er nu al was gedaan, kon er niet aan gedaan worden. We onderzochten nog de mogelijkheid van een andere instelling, maar concludeerden dat dat op dit moment niet kan. Wachten dus.

De gevolgen van de zieke ggz
Dit hele gedoe heeft nogal grote gevolgen. Die gevolgen zijn er voor mij, maar ook voor anderen. Dat ik me rot voel, is voor mij heel vervelend. Maar ook anderen hebben hier last van. Ik houd bijvoorbeeld plekken bij de huisarts bezet die beter naar anderen zouden kunnen gaan en mijn familie en vrienden maken zich stiekem soms meer zorgen om mij dan ik weet.

Een ander gevolg is dat ik niet kan werken voor ik mijn behandeling heb gehad. Dat betekent dat ik mijn twee jaar ziektewet vol ga maken en dat ik uiteindelijk heel stilletjes van de arbeidsmarkt dreig te verdwijnen. Dat wil ik niet. Dat had ik nooit gedacht. Dat doet pijn. Maar dat is wat het is.

En tot die tijd? Tot die tijd blijf ik hier af en toe over bloggen, tot er ein-de-lijk iets gedaan wordt. En ja, dan kijk ik naar de politiek. Die roepen namelijk allemaal heel hard iets over wachtlijsten inkorten enzo. Prachtige woorden, maar het wachten is op de daden.

De hobby van elke huisarts

Laat ik even vooropstellen dat ik geen diepgaand wetenschappelijk onderzoek heb gedaan voor ik dit artikel begon te schrijven. Ik denk echter dat ik, in mijn jarenlange status als hypochonder, genoeg huisartsen heb gezien om toch iets te kunnen zeggen over de hobby van elke huisarts. Ik verdenk ze er namelijk van dat ze allemaal delfde hobby hebben. Misschien zelfs wel meer dan één.

Dat doet pijn!
Als ik met pijnklachten bij een huisarts kom, willen ze dat altijd onderzoeken. Logisch, zou je denken. Dat is het ook, maar toch… Pas kwam ik bijvoorbeeld bij de huisarts met pijn in mijn nek. Dat had ik al uitgelegd. Zelfs al aangewezen. “Ik ga even kijken.” En terwijl hij me stond te pijnigen, concludeerde hij: “Hier doet het pijn hè.” Ja, daar deed het pijn. En niet veel later: “Hier denk ik dat het ook pijn doet.” Ja, daar deed het ook pijn.

Zo gaat het dus altijd met pijn. Last van een prikkelbare darm? Lekker, kneden we even die darm helemaal aan stukken. Pijn deed ie toch al, of niet dan?

Er komt een dag dat ik ga slaan als ze me pijn doen. Of wacht, die dag is eigenlijk al een keer geweest. Ik had last van het Syndroom van Tietze, een pijnlijk gebeuren op je borstbeen. Dat voelt een beetje als een hartaanval, maar is het niet. En ja, die pijn kunnen artsen erger maken door even een beetje te duwen enzo. Zou kunnen dat ik toen een keer mijn arm een beetje uit heb laten schieten, in een reflex.

Wat dat met hobby’s van huisartsen te maken heeft? Nou, ik heb dus stiekem het idee dat ze dat leuk vinden, als er iemand met dat soort dingen komt. Lekker een beetje iemand pijn doen. Want ja, ze weten precies waar het pijn doet en als ze dat dan in één keer aan kunnen wijzen, vinden ze dat volgens mij stiekem heerlijk. Ik heb er namelijk al diverse artsen op betrapt dat ze dit echt wel een leuk onderdeel van hun werk vinden.

Bloedbaden
Ik heb de indruk dat het afhandelen van bloedbaden niet van iedere huisarts een hobby is, maar dat er wel degelijk een paar tussen zitten die blij zijn als de spoedlijn gaat en er komt iemand met een half afgehakte hand binnen ofzo. Nouja, een huisarts liever dan ik, want ik moet er niet aan denken.

Tranentrekkers
Tot slot heb ik het sterke vermoeden dat er nog een andere gedeelde hobby van huisartsen is. Soms komt er iemand voor psychische problemen. Laat ik het makkelijk houden en het bij mezelf houden. Ik kom dus zeer geregeld voor psychische problemen. Het is alom bekend dat degene die mij aan het huilen kan krijgen een lintje verdient, want ik huil niet makkelijk. Ik lach wel. Of ik maak grapjes. En hoe harder de grap en hoe groter de glimlach, hoe erger het is.

Ik kan me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat sommige huisartsen er in mijn lange staat als hypochonder toch een beetje een hobby van hebben gemaakt om mij aan het huilen te krijgen. En nee, dat is niet iedereen gelukt. Jammer hoor.

Koffiepauze
Op een gegeven moment is het koffiepauze in de praktijk. De artsen verzamelen zich. Stiekem zou ik in die pauze wel even om een hoekje willen kijken. Zouden ze dan even vertellen hoeveel mensen ze pijn hebben gedaan en hoeveel zakdoekjes ze al hebben uitgedeeld?

Vast niet.

En om nog even terug te komen op dat gebrek aan onderzoek voor dit blogje: Ik heb het mijn huidige huisarts een keer verteld, dat ik artsen ervan verdenk dat ze het leuk vinden om mensen pijn te doen. Hij gaf toe, maar wel lachend. Dat telt vermoedelijk niet als onderzoek.

Dappere dame

Er kwam een arbeidsdeskundige bij me langs. Deze man zou gaan bepalen of ik weer aan het werk zou kunnen bij mijn eigen werkgever en zo niet, welk werk ik dan wel zou kunnen. Klinkt goed, in eerste instantie. Maar als je nog helemaal niet kunt werken, klinkt het net iets minder goed.

Dappere dame
De arbeidsdeskundige had wat voorkennis. Er was namelijk een arbeidsinzetbaarheidsprofiel opgesteld door de bedrijfsarts. Dat profiel was samen met mij opgesteld en ik stond er helemaal achter. In dit profiel stond namelijk heel duidelijk wie ik ben en vooral wat op dit moment mijn beperkingen zijn.

De arbeidsdeskundige had het profiel eens goed bestudeerd en was naar mijn huis gekomen met het idee dat ik weer (op termijn fulltime) aan de slag zou kunnen. Hij zag heel veel mogelijkheden.

Stel je even voor dat je met dat idee naar mijn huis komt en dat er dan ook nog eens een vrolijk lachende, vriendelijke, zelfstandige vrouw in dat huis blijkt te wonen. Eén en één is twee, toch? Dat leek het wel ja. Nadat ik had uitgelegd wat mijn functie was voor ik me ziek meldde, vroeg de arbeidsdeskundige wat ik dacht dat ik nu zou kunnen. Ik was daar nogal helder in: Op dit moment kan ik eigenlijk niets. Ik ben te overprikkeld, te moe en te labiel. Hij vond dat ik erg negatief was en zag heel veel mogelijkheden. Dat ik nooit meer fulltime zou kunnen werken, snapte hij ook niet.

Paniek!
Op dat moment raakte ik in paniek. Ik had net uitgelegd wat mijn beperkingen zijn, maar blijkbaar vond deze man dat niet geloofwaardig. Nu hij had gezegd dat ik (op termijn fulltime) zou moeten gaan re-integreren, was de paniek compleet.

De paniek was er eigenlijk al veel langer. Nog net voor de arbeidsdeskundige arriveerde, liep de stress hoog op. Ik had al wat nachten met nachtmerries over werk gehad. Op de dag dat de arbeidsdeskundige zou komen, ‘ontmantelde’ ik mijn huis. Alle persoonlijke spullen gingen weg. Ik gunde de man geen kijkje in mijn privéleven. Vervolgens appte ik mijn moeder: “Als er straks een ambulance naar Huize Naomi rijdt, ben ik onder de stress bezweken.” Uiteraard was deze zogenaamd dappere, maar vooral heel eigenwijze dame van plan om het gesprek alleen te doen, maar mijn moeder bood aan te komen. Dat bleek een goed plan.

Eerst zette ik de man met bibberende handen koffie voor. Ik zag het kopje trillen, maar hij niet. Het gesprek begon dus, zoals al eerder beschreven, vrij kalm. Tot de paniek toesloeg.

Op dat moment moest mijn moeder het gesprek af en toe overnemen. De arbeidsdeskundige zag in dat ik op dit moment niet belastbaar ben. Daar heeft hij ook gelijk in, maar ik vond het heel erg dat hij dat niet geloofde toen ik het zei. Waarom geloven mensen me niet? Omdat ik nog kan lachen? Dat is mijn grootste probleem en dat stond ook in het arbeidsinzetbaarheidsprofiel. Maar ja, de paniek had het van me overgenomen; mijn moeder legde uit dat dit precies het probleem is en de arbeidsdeskundige zei dat ik me geen zorgen moest maken. Dat soort uitspraken werken bij mij niet.

Uiteindelijk wilde hij het nog eens uitleggen. “Dat komt bij mij niet meer binnen, maar dan luistert mijn moeder wel.” Zo geschiedde. De arbeidsdeskundige concludeerde dat ik niet belastbaar ben en zou dat doorgeven aan de bedrijfsarts (die dat al láng wist). Hij zou nog aan mij terugkoppelen wat de uitkomst was. Die uitkomst kwam vrij snel, met grote, dikke, geel gearceerde letters: geen re-integratie op dit moment.

Hoe nu verder?
Na afloop was ik ‘blij’ dat deze man had gezien hoe het écht werkt bij mij. Dat is zeldzaam en kan ik niet bewust wel of niet oproepen. Maar ja, ik bleef ervan balen dat mensen me niet gewoon geloven als ik iets zég. Ja, ik kan lachen, maar ik zou willen dat ik iets minder goed toneel kan spelen.

Was ik opgelucht? Ja en nee. Nee, natuurlijk is het niet leuk dat ik nog niet kan werken, nu ik al een jaar thuis ben. Ik zou echt wel weer aan de slag willen. Ik weet echter dat ik op dit moment nog niet voldoende ben hersteld om dat te kunnen. Dus ja, ik was opgelucht. Ik kreeg nog extra tijd om aan mijn herstel te werken. En die tijd heb ik nodig.

Vervolgens was er medicatie nodig om de rust te herstellen en gingen er nog wat onrustige dagen en nachten voorbij. Het had me gesloopt. Nee, ik ben niet die dappere dame. Ik ben een heel erg overbelaste autist, die hersteltijd nodig heeft. Deze man begrijpt dat nu. Op naar de volgende hobbel dan maar…

Autisme en (mijn) geloof

Sinds ik de diagnose autisme kreeg, heb ik me in veel aspecten van autisme verdiept. Eén van de dingen waar ik over las, was geloven. Veel autisten hebben moeite om de abstracte dingen die in de Bijbel staan te geloven. Anderen vinden het moeilijk om naar de kerk te gaan. Weer anderen hebben juist heel veel steun aan hun geloof. Hoe zit dat bij mij?

Ik geloof
Vanaf mijn geboorte hebben mijn ouders me opgevoed vanuit christelijke waarden en normen en vanuit het geloof dat de Bijbel waar is en dat Jezus onze Redder is.

Toen ik ouder werd, bezocht ik christelijke scholen en ging ik met mijn ouders mee naar de kerk. Ik heb er nooit een seconde aan getwijfeld of wat ik in de Bijbel las en wat ik in de kerk hoorde waar zou zijn. Ik geloofde rotsvast dat dit de waarheid was.

Dat geloof ik nog steeds. Dat klinkt misschien vreemd, want het schijnt zo te zijn dat veel autisten het geloof maar moeilijk te begrijpen vinden. Hoe kan een God Die je verder niet kunt zien nu bestaan? Hoe kan Hij doen wat wij geloven dat Hij doet? Toch is júist de onzichtbaarheid van God en Zijn grootheid denk ik voor mij altijd een reden geweest dat ik zo rotsvast in Hem heb geloofd. God was voor mij zó bijzonder, dat zichtbaarheid iets van mijn geloof af zou hebben gedaan.

Daarnaast, toen er stormen kwamen in het leven, heb ik steeds ervaren hoe God me daar doorheen hielp met Zijn Woorden van steun in de Bijbel. En dat merk ik nog steeds. Ik zei pas tegen mijn dominee: “Stel dat ik niet had geloofd, ik zou echt niet weten of ik er dan zo bij had gezeten.” Hij zei dat ik dat wel wist. Ik had het geloof nodig. En dat is waar.

En ja, ook ik vind het soms moeilijk en ook ik twijfel soms of ik wel écht op de juiste manier geloof, maar in de basis is er altijd het geloof en het vertrouwen, ook al voel ik dat niet altijd. Dat voelen is ook zoiets. Ik vind voelen soms lastig. Als ik het niet voel, wéét ik echter dat God nog steeds voor me zorgt en dan houd ik me aan die wetenschap vast.

De kerk
Het is al vrij lang geleden dat ik een kerkdienst bezocht. Het lukt me niet. Er zijn in dat gebouw vreselijk veel prikkels en mensen en er wordt heel veel sociale interactie verwacht. Ik bedoel…voor de dienst begint, kan er zomaar een wildvreemde tegen je beginnen te praten. Ik vind dat ontzettend lastig. Wat zeg ik wel en niet? Wie is die ander eigenlijk? Mijn oplossing is om zo laat mogelijk binnen te komen, maar ja, tijdens de dienst kan het dan alsnog ‘fout’ gaan. Allemaal eng.

Een andere kwestie is dat wat ik zing en lees en hoor in een dienst me zó kan raken dat ik moet huilen. Dat wil ik dan natuurlijk weer niet tussen al die andere mensen.

Na de dienst is er dan soms gelegenheid om koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Mij zie je daar sowieso niet. Ik ben na een kerkdienst volkomen afgedraaid. Ik red het dan echt niet om ook nog gezellig te doen, zéker niet met mensen die ik maar zijdelings ken.

Ik mis het wel, om naar de kerk te gaan en ik werk aan een plan om er weer (in ieder geval één keer per zondag) heen te kunnen. Ik probeer wel verbonden te blijven. Ik luister elke zondag de diensten mee, terwijl ik thuis zit te kleuren. Contact met andere gemeenteleden en de dominee is er ook. Ik weet dat er mensen in de kerk zijn die voor me bidden en hun steun doet me goed.

Is er een hemel voor autisten?
Gekke vraag? Het is de titel van een boek van Alianna Dijkstra. Zij beschrijft daarin persoonlijke verhalen over autisme en het christelijk geloof. Ik las het boek met veel belangstelling. Niet alleen autisten komen aan het woord, maar ook christelijke hulpverleners. Ik vond het heel mooi hoe ik sommige dingen herkende. Andere dingen herkende ik juist helemaal niet, maar dat verbaast me niet. Iedereen is anders; iedere autist is anders, ook op dit vlak.

Autisme genezen
In het boek ‘Is er een hemel voor autisten?’ stelt Alianna Dijkstra de vraag of mensen bidden om genezing van hun autisme. Ik vond  dat een interessante vraag. Zelf heb ik dat nooit gedaan. Ik weet zelfs niet of ik ervan ‘genezen’ zou willen worden. Ik ben ik. Met autisme. Ik bid wel om genezing van de nadelige gevolgen van vele jaren overprikkeling, maar ik denk dat autisme op zichzelf ook een kracht kan zijn. Bovendien zie ik het niet als een ziekte en dus ook niet als iets dat genezen zou moeten of kunnen worden.

Ik geloof dat God me heeft geschapen. In mijn geval was dat met autisme. Dat kan ik heel goed accepteren. Omdat Hij, zoals dat in de Bijbel staat, me al kende voor ik geboren werd. Hij kan me dus ook door het leven met autisme leiden. En daar vertrouw ik op.  

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

Na een half jaar bloggen…

…ga ik nog minstens een half jaar door, om maar gelijk even de spoiler weg te geven. Mijn blog ging online op 30 januari. Ik had er al heel lang over nagedacht, nog veel langer over gedroomd en opeens was het die dag, na een pittig consult bij de huisarts, tijd om dromen waar te maken. Vandaag is het tijd om terug te blikken op een half jaar bloggen.

Gaat iemand het lezen?
Toen ik begon met mijn blog, wilde ik om te beginnen anoniemer dan anoniem blijven. Ik wist dat dat ook zou betekenen dat er wellicht weinig tot geen lezers zouden komen, maar ik wilde toch mijn droom eens achterna. En daarbij…mijn huisarts was veel te nieuwsgierig naar wat ik over hem te vertellen had, dus één lezer had ik vast ‘in the pocket’.

Ik gooide mijn eerste blogje online, dat ik al heel lang in de computer had staan, net als vele, vele andere verhalen. Voor ik het wist, kwamen via Twitter de eerste lezers binnen. Dit was leuk!

Vervolgens werd het hier elke dag gezelliger met bezoekers. Er zijn heus mensen die voor mijn lezersaantallen hun computer niet eens zouden opstarten, maar ik vind iedere lezer leuk.

In het begin was ik zoekend. Ga ik me echt binden aan één onderwerp? Ga ik breder schrijven? De tijd leert me dat ik overal wel iets in kan zien om over te schrijven. Hoofdonderwerp blijft de GGZ, maar ook onderwijs geef ik hier graag een plaats, net als mijn liefde voor boeken. Daarnaast zijn er genoeg andere dingen die soms om een blog roepen, dus inspiratie genoeg.

Bekende meelezers
Hulpverleners kenden het adres van mijn blog vanaf het begin. Ik vond het niet meer dan logisch dat zij mee zouden kunnen lezen, als ze dat zouden willen.
Na een paar maanden bloggen, durfde ik het aan om wat mensen in mijn omgeving in te lichten over mijn activiteiten. Zo kwam het dat langzaam maar zeker wat vriendinnen hier mee begonnen te lezen.

Toen volgde, heel recent, iets engs. Mijn familie wist niet van het bestaan van mijn blog. Ik wil best open zijn, maar anoniem open zijn voor onbekend publiek vind ik een stuk makkelijker dan voor familie of vrienden. Ik bedoel… ik wil ze ook niet ongerust maken en bovendien voelde mijn anonimiteit heerlijk veilig.
Toch brak het moment aan dat ook mijn familie op de hoogte werd gebracht van het bestaan van mijn blog. Het was spannend, maar tegelijk ook fijn om hen zo een inkijkje in mijn leven te geven. Ik schrijf nu eenmaal makkelijker dan dat ik praat, dus ja.

Hoe weet je dat?
Het bloggen zorgt soms ook voor wat vreemde momenten. Als mensen opeens iets weten waarvan ik zéker weet dat ik het ze niet heb verteld, vraag ik me af of ze misschien mijn blog lezen. Dat durf ik dan niet te vragen, want als ze het niet doen, wil ik zeker geen slapende honden wakker maken.

Aan de andere kant word ik steeds makkelijker. Ik ben ik. Dit is mijn blog. Ik vind het fijn om te schrijven. Wie het fijn vindt om te lezen, mag dat van mij doen.

Op naar veel meer
Ik had al járen overwogen om te bloggen, maar deed het nooit. Ik heb in de afgelopen zes maanden geen seconde spijt gehad van mijn blog. Ik vind het leuk in blogland en de inspiratie vind ik overal. Of nouja, vooral in wachtkamers, in supermarkten en gewoon op straat. Er komt dus nog veel meer!

Tot slot: Ik vind jullie lieve, eerlijke, spontane, open reacties zó leuk. Heel erg bedankt!

Hoe ik (over)leefde in het onderwijs

Mijn boodschappen doe ik graag op tijden dat er verder bijna niemand in de supermarkt is. Ik weet inmiddels precies wanneer ik dan in de supermarkt moet zijn, maar toch had ik een keer pech. Terwijl ik in de rustige supermarkt liep, kwam er ineens een groep kinderen binnen. Druk kwekkend over hun eindmusical kwamen ze snoep inslaan. En herrie maken. En rennen. Ik werd gék. Alles in mij wilde ze, al dan niet pedagogisch verantwoord, wijzen op het feit dat de speeltuin buiten was. Dat deed ik niet. Maar ik ging wel weer even nadenken over de vraag: Hoe (over)leefde ik negen jaar in het onderwijs?

Structuur
In mijn klas was structuur. Kinderen die werden overgedragen als ‘moeilijk’ deden het bij mij vaak heel goed. Ik was gewaarschuwd voor rondvliegende meubelstukken, maar dat gebeurde eigenlijk nooit. De kinderen liftten mee op de structuur die ik zelf zo hard nodig had.

Ik begon de dag met het doornemen van wat we zouden gaan doen. Het programma stond ook op het bord en eventuele bijzonderheden zette ik er altijd bij. Een ambulant begeleider die in de klas zou komen kijken? Op het bord stond dan ‘bezoek’ en niemand keek er meer vreemd van op. Structuur was mijn redding.

Juist omdat ik zo gestructureerd was, was ik ‘de klos’ voor combinatiegroepen. Dat ging prima, uiterlijk dan. Ik had de structuur er goed in zitten en er was rust in de klas. Maar niet in mijn hoofd. Daar hebben de kinderen niet onder geleden, maar ik leed er zelf helaas wel onder.

Herrie in de klas
Ik vond het belangrijk dat er tijdens het werken in de klas rust was. In een enkele groep was dat heel simpel. Ik zette de kinderen aan het werk, zei dat ze de eerste tien minuten zelfstandig moesten werken en tien minuten lang was het stil. In een combinatieklas was dat lastiger. Tijdens een uitleg bij de ene groep, mocht de andere groep van mij vaak fluisterend overleggen over hun werk. Dat konden ze meestal goed, dat fluisteren. Maar ik hoorde alles en het leidde me af. Ik kon me er niet voor afsluiten.

Er was één moment waarop herrie in mijn klas was toegestaan. Tijdens de leswissels mocht er van mij hardop gepraat worden. Kinderen liepen dan heen en weer om boeken te pakken, er werd gekletst en na een paar minuten werd het weer stil. In die paar minuten was ik ondertussen compleet overprikkeld geraakt, maar dat zakte in de stilte vrij snel weer af. Ik had soms leerlingen in de klas die de herrie tijdens de leswissel vreselijk vonden. Tegen kinderen die op mij leken, zei ik altijd: “Ik houd er ook niet van, maar het is maar een paar minuten. Straks is het weer stil.”

Zo (over)leefde ik het onderwijs
Er waren (steeds meer) dagen dat ik overprikkeld en moe was. Vaak slokten de afspraken die na schooltijd op me wachtten mijn gedachten op. Ik stond dan les te geven in de wetenschap dat ik nog twee oudergesprekken zou moeten voeren en dat leidde me dan af.

Omdat ik niet alleen leerkracht was, maar ook nog wat andere (leidinggevende) rollen had, kwam er ook geregeld iemand iets aan me vragen terwijl ik voor de klas stond. Dat vonden zowel mijn leerlingen als ik hoogst irritant.

Op dat soort dagen had ik soms echt even pauze nodig. Voor mijn leerlingen waren mijn ‘pauzes’ feest. Ik moest namelijk iets doen om te overleven en voor de leerlingen had dat alleen maar voordelen: “Jongens, we hebben zó hard gewerkt, ik heb een idee. Zullen we nog even lekker zingen?” Zingen is herrie, zul je misschien denken en dat klopt. Zingen is echter geregisseerde herrie. Mijn gitaar en ik bepaalden wat er wanneer gezongen werd en dat was voor mij fijn.

Maar het allerfijnst? Het allerfijnst vond ik voorlezen. Mijn leerlingen vonden dat ook. Alle leerlingen op hun eigen stoel, niemand die hoefde te lopen, geen andere herrie dan mijn eigen stem (en ja, ik gilde als er in mijn boek werd gegild) en alle leerlingen met hun hoofd bij hetzelfde. Ze mochten van mij dan ondertussen tekenen. Velen deden dat, maar vaak zag ik halverwege de potloden stil boven het papier hangen en de neuzen richting mij staan. Ik genoot. De leerlingen ook. Dat ik dit moest doen om te overleven, wisten zij niet. Dat geeft ook niet. Zij hadden het fijn en ik was weer even bijgekomen.

Voor mij geen onderwijs meer
Ik kom nog even terug op de herrie in de supermarkt. Een medewerker sprak de groep scholieren aan en het werd stil. Voor mij was het al te laat, want ik wilde alleen nog maar vluchten. Ik zag weer bevestigd wat ik al wist en wat de bedrijfsarts me ook al had verteld: Voor mij geen onderwijs meer. Ik mis het. Ik zal het altijd een beetje blijven missen, want ik vond het zó leuk. Het gaat echter niet. Het kost me te veel. Maar erover schrijven blijf ik zéker doen!

Boekenpraat: Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit (Bianca Toeps)

Het verhaal
In dit boek bespreekt Bianca Toeps vele aspecten van autisme. Ze beschrijft allereerst de DSM-criteria en rekent daarmee gelijk af met de (voor)oordelen over ‘de autist’. Ze legt uit wat autisme echt inhoudt.

Daarnaast vertelt Bianca Toeps over haar eigen traject voor en na de diagnose autisme, beschrijft ze verhalen van anderen en vertelt ze over de verschillende manieren van coaching die er voor autisten bestaan.

Tot slot beschrijft Toeps de vooroordelen die er bestaan over autisme en de meest gehoorde uitspraken van anderen tegen autisten. Ze legt uit wat autisten echt niet willen horen en hoe je beter wél kunt communiceren.
Autisme kun je (meestal) niet zien, maar het is er wel degelijk. Altijd. Dat legt Toeps in dit boek haarfijn uit.

Mening / herkenning
Met de diagnose autisme nu vier maanden op zak, verdiep ik me steeds meer in wat autisme nu eigenlijk inhoudt. Misschien zoek ik herkenning, maar ik zoek ook gewoon kennis. Dus zo werkt het. In dit boek vond ik opnieuw herkenning en deed ik weer wat kennis op.

Hoewel ik eerst wat huiverig was voor het delen van mijn diagnose, doe ik het nu heel makkelijk. Ik hoop altijd maar dat er voor de ander dan ook wat puzzelstukjes op hun plek vallen. En ja, ook ik hoor dan regelmatig: “Jij? Nee joh, maar jij…” En dan volgt er één of ander vooroordeel. Wat de ander dan vaak niet weet, is dat er áltijd chaos is in mijn hoofd en dat ik hypergevoelig ben voor allerlei prikkels, met name op het gebied van geluid.

Sommige mensen weten niet van mijn diagnose. Zo zat pas nog iemand te vertellen: “Nou, heeft die en die autisme…Dat kan niet hoor. Die ken ik nog van vroeger, daar was echt niks mis mee. Dan kun je blijkbaar autisme later in je leven ontwikkelen en daar geloof ik dus niet in.” Ik klapte bijna dicht, maar gaf toch tegengas: “Eh…je kunt autisme ook heel lang verbloemen hè… Zeker vrouwen kunnen dat goed.” Dat vond de ander onzin. Oké, dan niet. Ik besloot het er maar bij te laten zitten. Als je niet wilt geloven in (mijn) autisme, moet je het vooral niet doen. Ik blijf gewoon heel blij dat er nog steeds heel veel puzzelstukjes op hun plek blijven vallen.

De term autisme legt voor een deel uit waarom ik ben zoals ik ben. En ik voel me er goed bij om dat uit te leggen. Wie niet weet hoe er dan gereageerd moet worden of wie de diagnose in twijfel wil trekken, moet maar even dit boek van Bianca Toeps lezen. Ik stel me zo voor dat het dan ineens allemaal een stuk duidelijker wordt.

Dit boek ook lezen?
Je koopt ‘Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit’ bijvoorbeeld bij bol.com.

Boekgegevens
Titel: Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit
Auteur:
Bianca Toeps
Uitgeverij:
Blossom Books
Genre:
Non-fictie – autisme
Pagina’s:
220

Deze blog bevat een affiliate link. Als je via deze link iets koopt, krijg ik een klein percentage van het aankoopbedrag. Uiteraard betaal je daar zelf niets extra voor.

De apotheek

In het dorp waar ik woon, kent iedereen elkaar. Allemaal prima, maar ik heb graag nog wel wat privacy. Bij de apotheek vind ik het bijvoorbeeld prettig als niet het halve dorp op de hoogte is van wat ik kom halen, maar daarin lijk ik de enige te zijn…

Daar word je lekker rustig van
Het is al jaren geleden dat ik voor het eerst rustgevende medicatie kreeg. Ik werd geregeerd door angst, ik moest ergens tussen werk en angst door een studie afronden en ik trok het even niet meer. Ik stond inmiddels op een wachtlijst voor behandeling, maar ik wist niet wanneer ik aan de beurt zou zijn. En toen kwam dus het punt waarop ik tot dan toe altijd had geweigerd: De huisarts schreef medicijnen voor.

Met lood in mijn schoenen ging ik naar de apotheek. Ik ging mijn medicijnen halen, maar eigenlijk wilde ik ze niet. Dat was toch geen oplossing? Zoals altijd bij het betreden van de apotheek, keek ik eerst maar eens goed om me heen. Geen bekenden? Niet het halve dorp bij de apotheek? Ik dacht dat het redelijk veilig was, maar wist het niet zeker.

Ik noemde mijn naam en adres en wachtte op mijn medicijnen. Daar kwamen ze dan. Mijn naam werd nog even vragend herhaald. Ja hoor, dat was ik. “Kijk eens, hier zijn uw medicijnen. U neemt er één of twee keer per dag één of een halfje. Daar word je lekker rustig van.” En bedankt. Dan weet iedereen even dat ik iets kwam doen waar ik zélf nogal mijn twijfels over had.

Tactieken
Omdat ik nogal een trouwe bezoeker ben van de apotheek en er vaak velen met mij zijn, weet ik van veel mensen wat ze slikken. Dat wordt gewoon allemaal besproken, in een miniruimte. Prima hoor, zolang het om pijnstillers gaat. Maar er zijn zalfjes en pilletjes waarvan ik liever niet weet dat iemand die gebruikt.

Ik doe het inmiddels anders. Ik weet dat de apothekersassistente bij de eerste uitgifte een uitgebreide uitleg geeft bij de medicijnen. Ik heb overigens sterk de indruk dat dat vooral is omdat ze dan weer zes euro af kunnen tikken voor een eerste uitgifte gesprek, want die uitleg staat ook gewoon op de bijsluiter én die heeft mijn huisarts al gegeven.

Hoe dan ook, op een dag (lang na die eerste keer rustgevende medicatie) brak het moment aan waarop ik mijn allereerste doosje antidepressiva moest halen. Ik wilde niet dat iemand anders dan ik dat zou weten, dus ik was voorbereid. Op de toonbank legde de apothekersassistente een grote bijsluiter neer. Met vette, grote letters stond bovenaan: “Medicijnen bij angst en depressie.” Die bijsluiter legde ik héél snel op z’n kop. Vervolgens kwam het doosje pillen tevoorschijn. Nog voor de apothekersassistente iets kon zeggen, had ik het al uit haar handen gegrist: “De dokter heeft het al uitgelegd. Bedankt.” En weg was ik. Alleen ik wist wat ik in m’n handen had en dat was precies de bedoeling.

Het moet gezegd: Sinds de invoering van AVG gaat het beter. Als mensen zelf niet van alles zeggen, weet ik niet wat ze krijgen. Meestal. En ik doe niet meer zo moeilijk over wat ik slik, dat scheelt vast ook een stuk.