Lastige leerling

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: Dit gaat over mezelf. Ik ben een lastige leerling. Als kind was ik dat niet. Ik was de braafheid zelve en ik kon iets leuk vinden of niet; ik deed het braaf. Ik kon iets makkelijk vinden of moeilijk; ik deed het, zonder te mopperen.

Dat is ergens in de loop der jaren veranderd. Als ik iets saai vind, vind ik het heel moeilijk om dat te verbergen. Het allerergste vind ik het wanneer ik een cursus of opleiding volg en ik het idee heb dat ik zelf meer weet dan de docent.

Wat me ook uitermate frustreert, zijn cursusdagen waarop ik van alles zelf moet doen. Ik kom om iets te leren, ik hoop dat de docent me iets te vertellen heeft en ik hoor het graag. Af en toe even overleggen? Prima, maar mijn ervaring is dat je altijd minstens drie keer meer tijd krijgt om iets te overleggen dan je nodig hebt. En dát is het moment waarop ik gegarandeerd vervelend ga doen. Ik ga grapjes maken, tussendoor ander werk doen en al mijn sociale media worden weer eens goed bijgewerkt.
Tijdens nascholingen pak ik ook graag met enige regelmaat wat te eten. Totdat ik dus iemand trof die dat verbood. Die arme cursusleidster had waarschijnlijk niet in de gaten dat ze daarmee voor zichzelf de middagen met mij extra moeilijk maakte.
Tekeningetjes maak ik ook veelvuldig. Daar ben ik wel eens voor ‘bestraft’. Dat snap ik, maar is niet terecht, want hoe meer ik teken, hoe beter ik oplet. Dan heb ik de focus op de tekening en kan ik ondertussen luisteren. Als ik om me heen kijk, zie en hoor ik van alles en let ik totaal niet op.

Vaak volg ik nascholingen met collega’s. Ik weet van mezelf dat ik dan vervelend kan doen. Als ik vier uur lang met collega’s in een net iets te kleine ruimte moet luisteren naar dingen die ik al weet, dan moet ik oppassen. Ik weet dat sommige mensen zich aan mij storen tijdens nascholingen. Speciaal voor die mensen (en oké, een beetje voor de docent en mezelf) zoek ik een plek ver bij collega’s vandaan waarvan ik weet dat ik er een hele middag lol mee kan trappen.

Ik werd eens door een cursusleidster aangesproken op mijn gedrag. Dat is prima, maar dat het gebeurde om vier uur ’s middags, terwijl we om negen uur ’s morgens waren begonnen, viel bij mij niet helemaal lekker. Ik had de héle dag netjes op m’n stoel gezeten, keurig gedaan alsof ik oplette, geen enkele keer ongepaste grapjes gemaakt, niet één keer laten merken dat ik niets nieuws leerde en ik had de hele dag niets door de ruimte geroepen, maar nu ik vijf minuten voor tijd lollig werd, had ze er last van. Eh…ja. Vertel dan iets nieuws, alsjeblief, dan doe ik niet zo.

Want het kan dus ook anders. Ik volgde een scholing over het onderwijs aan kinderen met het Syndroom van Down. Ik was samen met een collega waar ik de hele dag mee zou kunnen lachen en grappen. Maar dat deed ik niet. De cursusleidster praatte, van ’s morgens tien tot ’s middags vier. Ik luisterde. Ik was geboeid. Om te voorkomen dat we af en toe een suikerdipje zouden krijgen, vulde de cursusleidster de hele dag onze bordjes met koek, snoep, chocola, enz. Ze vertelde me allemaal dingen die ik nog niet wist en ik schreef geconcentreerd alles op. Vol nieuwe ideeën en plannen reed ik vervolgens naar huis. Ik was deze keer geen vervelende leerling geweest. Maar lag dat aan die cursusleidster of aan mij? Het zal vast aan de combinatie van ons beiden hebben gelegen, maar ik zou bij haar nog zó tien dagen in de schoolbanken schuiven, als de makkelijke leerling die ik vroeger was.

Mijn hele leven op het wereldwijde web?

Een blog starten was al minstens tien jaar een droom van me, maar ik deed het nooit. Tot een paar weken geleden. Ik heb een blog. En waarom?

Mijn hele leven op het wereldwijde web?
Soms twijfel ik ontzettend. Moet ik echt mijn hele leven online zetten? Nee, dat moet ik niet. Wil ik dat? Nee, dat wil ik ook niet. Doe ik dat? Nee, zeker niet. Ja, ik ben heel open op deze blog, maar er zijn heel veel dingen die ik hier niet kan en wil plaatsen. Dingen die gaan over anderen, bijvoorbeeld. Dingen die gaan over mijn familie zal ik hier nooit plaatsen. Dingen die gaan over leerlingen en die niet zodanig geanonimiseerd kunnen worden dat iemand zich erin zou kunnen herkennen, zullen nooit geplaatst worden. Dat lijkt allemaal logisch. Maar dingen over mezelf dan? Over mezelf deel ik veel, maar ook niet alles. Als ik een gesprek met een hulpverlener heb gehad, maak ik daar altijd een verslagje van. Ik deel zo’n verslagje met een vriendin, maar zal dat nooit op de blog zetten. Ik zou wel dingen uit zo’n gesprek kunnen delen, maar nooit een volledig verslag. Want ook ik heb recht op en behoefte aan mijn privacy.

Is dat eerlijk?
Geeft deze blog dan een eerlijk beeld? Ik denk het wel. Ik denk dat op deze blog iets te lezen is over mijn strijd én iets te lezen is van de humor die ik gelukkig altijd heb kunnen behouden (en daar ben ik heel dankbaar voor, dat dat bleef). De nadruk ligt voor mij wel op het doorbreken van allerlei taboes rondom psychische gezondheid en daarom heeft dat tot nu toe de meeste aandacht, maar ik kan het ook niet laten om af en toe gewoon even een gezellig praatje de wereld in te gooien. En omdat ik zo vreselijk gek ben op boeken, hebben die ook een plekje op de blog gekregen.

Maar waarom dan die blog?
Ik startte dus een aantal weken geleden toch een blog. Ik had al een webadres aangemaakt en wilde me richten op boeken. Maar iets knaagde. Iets klopte niet. Ik had het er regelmatig over met de huisarts. Ik had al eens columns geschreven en als we het over schrijven hadden, zag hij een twinkeling in mijn ogen die op andere momenten maar al te vaak ontbrak. Toen kwam er een consult waarin ik behoorlijk overstuur was en opnieuw de vraag werd gesteld of er nog wat van me te lezen was online. Dat was er niet. En hoewel volledig in tranen, verliet ik de praktijk ook met de belofte dat ik er nog eens over na zou denken. Dat nadenken duurde niet lang. Ik maakte thuis direct een domein aan, zette de eerste blog (al láng daarvoor geschreven) online en vond dat heerlijk. Ik schreef weer! Ik schrijf weer! Ik vind het zó fijn om weer te schrijven. En waarom dan het geschrevene online publiceren? Omdat ik denk dat ik iets te vertellen heb. En omdat ik hoop dat ik er iemand, al is het er maar één, mee kan helpen. Omdat ik taboes wil doorbreken, want die zijn er nog veel te veel. En omdat schrijven mijn leven (heeft) verrijkt. Vind ik het dan nooit eng? Ja, ik vind het eng. De blog ‘Depressie is een cultuurverschijnsel’ heeft me bijvoorbeeld heel veel twijfel gekost. Kon ik dit publiceren? Wat als mijn gesprekspartner het zou lezen? Ik deed het toch. Het werd de best gelezen blog, binnen een dag al en dat vond ik veelzeggend. Dit was dus nodig. Het leverde mooie reacties op. En als mijn gesprekspartner het heeft gelezen, hoop ik maar dat diegene er iets van heeft geleerd. Datzelfde gold voor de blog ‘Christen en depressief’. Iemand die me ‘in het echte leven’ ook kent, vertelde me dat het lezen van mijn blog verduidelijkte hoe ik me voelde. Ik ga dus nog wel even door, voor anderen én voor mezelf, want er is nog zóveel te vertellen.

De auto voor de deur

Tijdens mijn jaren op de middelbare school zat ik elke schooldag op de fiets. Regen, wind, sneeuw, gladheid, storm, kou, bloedhitte, hagel, miezer, alles maakte ik wel mee. ’s Morgens keek ik zodra ik uit bed kwam even wat de temperatuur was. Zodra die onder de tien graden kwam, vond ik dat niet echt leuk, maar ach, het hoorde erbij. Bij een temperatuur onder het vriespunt baalde ik, maar ik kon er verder ook niks aan veranderen.

Wat het weer dus ook deed, hoe veel of hoe weinig zin ik ook had, ik stapte op de fiets. Iedere dag. Twee keer. In weer en wind. Een uur heen en een uur terug. Tegenwind was er elke dag wel. Meewind dus ook, maar ik dacht er niet over na.

Na de middelbare school ging ik studeren. Ik moest met de trein naar de Hogeschool en die trein leek warempel wel meer last te hebben van sneeuw, herfst, storm en regen en dat soort dingen dan mijn fiets. Zodra het kouder werd of de blaadjes gingen vallen, liet de trein me wel eens in de steek. Dat had mijn fiets nooit gedaan.

Ik werd achttien. Er kwam een roze pasje in mijn portemonnee. Er kwam een auto voor de deur te staan. En vanaf dat moment werd alles anders. Als ik even een boodschap moest doen, ook al was dat ongeveer naast de deur, begon ik na te denken over hoe ik dat zou doen. Voordat ik in bezit was van het roze pasje pakte ik altijd de fiets. Zonder na te denken. Bij heel erg extreme regenval was lopen met een paraplu ook nog een overweging. Nu is dat dus anders, sinds ik een auto voor de deur heb staan. Als ik denk dat het misschien gaat regenen, overweeg ik om de auto te pakken, ook al hoef ik maar een klein stukje. Als het hard waait, stap ik zéker niet op de fiets, want ja, tegenwind.

Lekker warm in mijn autootje zie ik dan de scholieren gaan. Ze hebben zich in hun regenpakken gewurmd en fietsen tegen de wind in. Ik vind ze zielig, echt vanuit het diepst van mijn hart. Die arme pubers, koud, nat en in de wind op de fiets. Ik ben dan ook nog eens extra blij met de auto waar ik droog en warm in zit.

En dan opeens dringt het tot me door: Deze pubers vinden zichzelf waarschijnlijk helemaal niet zielig. Die hebben er niet eens over nagedacht dat ze moesten fietsen, want een andere mogelijkheid was er niet. En daar zit ik dan, in mijn autootje. Droog en warm. Op een stukje dat ik ook had kunnen lopen met een paraplu. Dus wie is hier zielig? Die pubers of ik? Ik denk van ik. Maar ja, ik heb lang genoeg gebikkeld. Af en toe mag ik dan toch best even genieten van die auto die anders ook maar voor de deur staat?

Houd het vast op hout

Zomeravonden:
De ondergaande zon;
zingende vogels;
kwakende kikkers;
loeiende koeien;
blatende schapen;
een klein zuchtje wind;
het geluid van mijn voetstappen of mijn fietsbanden op het asfalt;
de dag die langzaam overgaat in de nacht.

Ik ben heel erg gek op buiten zijn. ’s Zomers ga ik graag als de zon aan het zakken is nog heel even naar buiten om de dag af te sluiten. En omdat ik graag samen met anderen geniet, maak ik dan foto’s. Op grauwe, grijze winterdagen kijk ik die foto’s met plezier terug. Ik heb inmiddels honderden foto’s van rustgevende landschappen in mijn bezit. Ik maak er elk jaar een fotoboek van, daar blader ik nog eens in en dat is het wel.

Tot nu. Ik kreeg van Foto op Hout de vraag of ik een foto wilde laten afdrukken. Ik had er al wel eens naar gekeken, maar ook steeds geaarzeld. Mijn meubels zijn van hout; zou een foto op hout dan niet zorgen voor een beetje té veel hout?

Nu ging ik aan de slag. Op de website kon ik kiezen uit diverse maten en houtsoorten. Ik keek nog even bij een Foto op Steigerhout, maar vond dat net te ‘houterig’ voor bij mij in huis.

Uiteindelijk koos ik dus voor een Foto op Hout op planken die geschikt zijn voor binnenshuis. Een whitewash-behandeling zou het product helemaal af moeten maken.

Ik ging nog eens door al mijn foto’s en stopte bij mijn favoriete zomeravond. Deze foto moest het worden. Via de website uploadde ik mijn foto en koos voor horizontale planken. Ik heb lang getwijfeld tussen horizontale en verticale planken en veel gekeken naar de voorbeelden op de website. Uiteindelijk besloot ik dat horizontale planken beter bij mijn foto pasten.

Binnen een week stond er een bezorger voor de deur met mijn foto. Vol verwachting maakte ik de doos open en ik was blij verrast. De kleuren waren nog mooier dan op het scherm en de horizontale planken bleken een goede keuze. Er was duidelijk sprake van een foto op hout, maar de foto straalde door de whitewash-behandeling toch rust uit en was zeker niet te druk voor mijn rustige interieur. De foto werd geleverd met een ophangsysteem, maar staat bij mij nog even tegen de muur geleund, wachtend op mijn vaste klusjesman.

Houd de zomeravond vast op hout.

Met deze foto houd ik de zomeravond vast op hout. Ik kan vanaf de bank nagenieten van die ene, prachtige avond. En deze foto zal me vaak aansporen om naar buiten te gaan, om van nog veel meer zomeravonden te kunnen genieten.

Het product in dit artikel heb ik gekregen in ruil voor een review, waarvoor dank. Dat beïnvloedt echter niet mijn mening, want die is oprecht als altijd.

De snooze-knop

De ochtenden zijn niet mijn ding. Ik ben het schoolvoorbeeld van een avondmens. ’s Morgens moet je mij vooral niets vragen of vertellen, want ik geef geen antwoord (ik deel liever een klap uit) en ik luister ook niet naar je.

Toch ging op werkdagen iedere keer weer die wekker. Ik was er geen vrienden mee. Meestal werd ik net voor de wekker begon te piepen wakker. Ik wierp een blik op de tijd en zag dan dat het moeilijkste moment van de dag, namelijk de stap het bed uit, bijna aanbrak.

Dan klonk het gepiep. Vol overtuiging duwde ik op de snooze-knop. Vier minuten later klonk weer gepiep. Hetzelfde gebaar. Dit herhaalde zich een paar keer, gemiddeld een uur lang. Ik had dan ook een groot probleem toen ik een nieuwe wekker kocht die na een half uur gewoon stopte. Ik versliep me hopeloos. Want laat ik vooropstellen dat snoozen bij mij gewoon slapen betekent en niet iets tussen slapen en waken in. Die vier minuten tussen het gepiep door slaap ik echt weer. Nu mijn wekker me na een half uur in de steek begon te laten, moest ik iets anders verzinnen. Behalve de wekker op mijn nachtkastje zette ik vanaf dat moment dus ook een wekker op mijn telefoon. Verstandig als ik ben, stelde ik die in op maximaal drie keer snoozen met tussenpozen van vijf minuten. En die wekker op de telefoon begon als de wekker op het nachtkastje stopte. Als mijn telefoon ging, wist ik dus dat het snoozen bijna voorbij was en ik echt de stap uit bed moest gaan wagen.

Zo ging het jaren. Maar nu dus niet meer.
Ja, ik zet nog steeds twee wekkers, maar dat komt omdat die ene op het nachtkastje op sommige tijden ineens niet meer piept. Mijn telefoon wekt me dan alsnog.

Waarom ik dan niet meer minstens een uur lekker lig te snoozen? Dat is de schuld van één van mijn vroegere huisartsen. Jaren geleden vertelde ik hoe moe ik was. Ik legde haar uit dat ik echt met geen mogelijkheid mijn bed uit kon komen. “Ik lig gewoon een uur te snoozen. Minstens.” Ik dacht daarmee uit te leggen hoe ‘ernstig’ het was. Ze luisterde. Mijn bloedwaarden verklaarden ook wel iets van de vermoeidheid, maar lang niet alles. Ik ging met een recept de deur uit, om die bloedwaarden weer wat op te krikken.
Maar toen, bij de deur, zei ze nog wat: “Als je zo moe bent, zou ik gewoon m’n wekker een uur later zetten. Dat is beter voor je dan een uur snoozen.” Ik vond dat grappig, maar ik geloofde haar niet. Ik deed het dan ook niet.

Pas jaren later nam ik haar advies ter harte. De wekker ging later en ik stond mezelf nog hooguit drie keer snoozen toe. Ik moest haar gelijk geven. Snoozen is fijn, maar gewoon je wekker een uur later zetten, werkt eigenlijk vele malen beter en maakt de stap uit bed een stuk minder dramatisch!