‘Gezelligheid’ bij de tandarts

Bezoekjes aan de tandarts zijn niet echt mijn favoriete bezigheid. Ik weet dat het noodzakelijk is enzo, maar toch zie ik mijn tandarts het liefst zo min mogelijk. Mijn tandarts is een leuk mens hoor, echt waar. Ze had alleen een ander vak moeten kiezen om haar écht aardig te kunnen vinden, want het lukt me nu niet om haar los te zien van al haar martelwerktuigen.

Zja, whel heuj
Nee, ik ben niet dronken ofzo, ik probeer mijn conversaties met de tandarts op te schrijven. Het valt me namelijk op dat de tandarts er altijd alles aan doet om een consult nog een beetje gezelligheid mee te geven. “Heb je vakantie? Wat doe je voor werk?” Allemaal leuk en aardig en ik snap het wel, maar hóe kan ik ooit antwoord geven met minstens zeven apparaten en slangen in mijn mond? Ik heb een poosje geleden besloten dat ik gewoon nog alleen met “ah” reageer. Dat kan zowel ja als nee betekenen, maar betekent eigenlijk vooral: Schiet op en houd je mond!

Lekker comformtabel…
Ik weet wel zeker dat er ergens in mijn dossier iets staat over dat ik doodsangsten uitsta voor de tandarts. Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik houd er gewoon niet van. Ze doen je altijd pijn, je ligt nógal oncomfortabel en als je pech hebt, heb je een jaar na je behandeling ook nog pijn vanwege een door de tandarts gemaakt foutje.

Want even serieus, die houding met je hoofd lager dan je benen en je mond open, dat ligt toch niet lekker? Tegen de tijd dat je weer rechtop mag gaan zitten, is de eerst zo spierwitte kamer veranderd in een hok vol sterretjes, omdat je te lang met je hoofd omlaag hebt gelegen. “Nou, tot de volgende keer.” Ik denk dan alleen maar: Wacht even, ik zie sterretjes, laat me even bijkomen! Als ik dan heel langzaam mijn benen op de grond durf te zetten en op durf te staan, stamel ik ook nog wel een groet, maar na drie kwartier met open mond liggen, zijn mijn kaken echt niet meer zo heel gewillig.

Muziekje erbij?
Een paar jaar geleden ging ik, na een verhuizing, over naar een andere praktijk. De martelwerktuigen zijn hetzelfde, de oncomfortabele houding en de zogenaamde gezelligheid ook. Maar er was nóg iets. Ik kreeg een tandarts die hield van zingen. In de wachtkamer hingen al allerlei flyers van concerten enzo. Dat leek me nog gezellig, totdat ik op de stoel lag. De beste man begon te neuriën. En niet even, maar nee, gewoon het hele consult lang. Het is dat ik dus met een mond vol martelwerktuigen lag, want anders had ik geloof ik enige agressie vertoond.

De neuriënde tandarts is gelukkig vertrokken en is opgevolgd door iemand die de muziek gewoon uit de radio laat komen. Klinkt al een stuk beter. Gezelligheid probeert ze ook wel, maar daar doe ik dus niet aan mee. De oncomfortabele houding lijkt bovendien elk half jaar wel oncomfortabeler te worden. Verder is mijn tandarts heel aardig hoor, zoals ik al zei. Maar nogmaals, ze had een ander beroep moeten kiezen. Ik weet zeker dat ik haar dan écht aardig had gevonden.

Toppunt van Hollandse gezelligheid: We zijn er bijna

Met vijfendertig mensen samen op vakantie, met camper en caravan. Zie je het voor je? Zo’n hele sliert van campers en caravans met Hollandse kentekens, slingerend door de bergen van een willekeurig Europees land. Ik zie dat dus wel voor me, op maandagavond in de zomer. Ik kijk dan namelijk We zijn er bijna en ik val zeker niet in de leeftijdscategorie van Omroep Max, maar ik vind het echt zo’n geweldig programma!

Het concept
Een groep Hollanders trekt met camper of caravan door een deel van Europa. Omroep Max is er, met presentatrice Martine van Os, bij om alles vast te leggen.

Ergens op een camping verzamelt de groep en dan kan het feest beginnen. De reisleider legt de routes uit, er is natuurlijk een welkomstborrel en er wordt uitgebreid met iedereen gesproken. De kennismaking is een feit. Op naar vijf weken gezelligheid.

Hollandse gezelligheid en nieuwsgierigheid
Op reisdagen is het al vroeg druk op de camping. Alles moet klaar worden gemaakt voor vertrek én er is vaak nog een routewijziging. Eenmaal op een nieuwe camping aangekomen, worden de caravans en campers geïnstalleerd. Mat buiten, tuinstoel voor de deur, schotel goed gericht voor ontvangst van Hollandse televisie en de campingklompen aan. Hier en daar kost dat bijna een huwelijk, maar uiteindelijk staat alles op zijn plaats.

De vrouw maakt vervolgens een maaltijd klaar. Meestal iets met aardappels, bij hoge uitzondering wel eens rijst of iets anders zeer buitenlands. Aardappels zijn natuurlijk uit Holland meegenomen, genoeg voor vijf weken.

Na zo’n dag reizen, is je caravan uiteraard vies. Net als je auto. Op ‘vrije dagen’ zijn de mannen daar druk mee. Niks heerlijker en rustgevender dan kijken naar bejaarde mannen die vol zorg hun auto en caravan of camper poetsen. Moeder de vrouw draait ondertussen een handwasje. Samen met manlief wordt vervolgens de was uitgewrongen en op het rek gehangen.

De volgende morgen word je weer wakker op de camping. Wat je dan doet? Wit brood met Hollandse hagelslag eten als ontbijt. Of een zure haring, want dat is goed voor je cholesterol. Ondertussen kijk je natuurlijk naar wat de buren eten bij het ontbijt en groet je iedereen die in badjas voorbij komt wandelen. En je kent ook nog eens iedereen bij naam.

Op stap
Vaak is er een excursie gepland, waarbij de hele groep op stap gaat. Een stad bezoeken, een rondvaart of bergwandeling maken, noem maar op. Dat alles vaak onder leiding van een gids, die in het Duits (want dat verstaan wij Hollanders prima) uitlegt wat er allemaal te zien is. De camera’s komen tevoorschijn en eenmaal terug in de caravan worden de foto’s via telefoon of tablet gedeeld met het thuisfront.

Soms zit ik overigens met samengeknepen billen te kijken. Oude mensen die niet zo heel goed ter been zijn en dan toch een berg gaan beklimmen en bejaarden die met hun caravan door haarspeldbochten sjezen…soms slaak ik echt even een gilletje.

Vertedering
Ik kijk vooral met vertedering naar We zijn er bijna. Ik zie hoe kwiek sommige oude mensen nog zijn. Als je toch zo oud mag worden…Ik teken ervoor. Of wat te denken van de weduwnaars die alleen reizen en die vol liefde, soms met tranen in hun ogen, vertellen hoe ze hun vrouw missen tijdens de reis? Zó lief!

Tijdens een uitstapje zie ik de bejaarden een poging doen tot het spreken van een andere taal. “Wat is de sjortste weg?” Daarbij wordt ‘weg’ op z’n Duits uitgesproken. Ik vind dat heerlijk! Ik kijk het liefst nog zes keer de aflevering terug, omdat ik elke keer weer iets anders leuks zie.

Ga ik ook?
Eén van de reizigers is dit jaar op stap met zijn broer. Dat lijkt me wel wat, als ik bejaard ben lekker met m’n zusje op stap. Er is alleen één probleem. Ik vind het dus allemaal heel leuk en kneuterig en gezellig en dat soort dingen, maar vijf weken met zo’n groep op stap? Nee, mij niet gezien. Ik zou blij zijn als ik me ’s avonds weer veilig in mijn caravan op zou kunnen sluiten en even niet gezellig zou hoeven doen. De excursies zou ik ook overslaan en ik zou mooi in m’n eentje ergens een wandeling gaan maken.

Dat neemt echter niet weg dat ik met heel veel genoegen kijk. Zó leuk. Voor anderen dan. En om naar te kijken. Wat mij betreft maken ze er een dagelijks programma van en mag dat het hele jaar uitgezonden worden.

Voor wie denkt: Waar heeft ze het over? Maandagavond, begintijd meestal tussen 21.00 en 21.30 uur op NPO 1. We zijn er bijna van Omroep Max.

Open brief aan de burgemeester van Muggendorp

Geachte mevrouw Mug,

Graag richt ik me in deze brief even tot u, als vertegenwoordiger van alle muggen op aarde en vooral alle muggen in mijn dorp. Ja, u ja, de burgemeester van de muggen hier. Heb ik uw aandacht?

Uw onderdanen zijn, ondanks de strenge wetgeving rond privacy, achter mijn adres gekomen. Ze hebben zich voor mijn deur gevestigd en zodra ik de deur open, worstelen ze zich naar binnen. Dat doen ze altijd met minstens twee tegelijk. Nu hoor ik u bijna hardop denken: Wat is het probleem? Nou, mevrouw Mug, het probleem is dat ik uw soort echt wel wil accepteren en waarderen, maar dan moet uw soort zich toch wat mensvriendelijker gaan gedragen.

Ik ben heus niet vergeten hoe een paar jaar geleden een ware invasie van uw soort de weg naar mijn huis vond. Meer dan veertig keer moest ik die nacht mijn bed uit om op jacht te gaan. Mag ik gelijk even vermelden dat ik nog altijd trots ben op het feit dat het aantal lijken hoger lag dan het aantal muggenbulten?

Na die invasie nam ik maatregelen. Ik investeerde een ribje uit mijn lijf in horren voor de ramen. En dáár zit het probleem, mevrouw Mug. Uw soort is niet goed opgevoed. Iemand met horren voor de ramen is niet gediend van uw bezoek. Ik waardeer het dus niet als uw onderdanen even snel door mijn voordeur naar binnen glippen.

Nu denkt u misschien dat ik de zoveelste ben die begint te klagen, maar dat is ’t niet. Ik ga graag de dialoog met u aan. Kunnen we niet wat spelregels opstellen?
Ik dacht aan het volgende:

  1. Mijn buren hebben ook lijven. En bloed. Die zijn dus zéker een bezoekje waard. Ze hebben trouwens ook geen horren. Makkelijker dan dat kan het niet, toch?
  2. Als uw onderdanen dan toch graag bij mij willen komen eten, mag het dan in het vervolg zonder gezoem? Dan word ik in ieder geval niet wakker van ze.
  3. Een lijf is vrij groot. Waarom moet er dan altijd rond de ogen geprikt worden? Kunnen we afspreken dat we bijvoorbeeld alleen nog voor de armen gaan?
  4. Kleine kanttekening bij de armen: Als u of uw onderdanen iets van een arm of een been willen eten, lijkt één keer me ruim voldoende. Waarom moet er dan altijd van boven naar onder overheen worden gewalst? Kan best anders, zou ik denken. Eerlijk zullen we alles delen en dat soort dingen.
  5. Na het vullen van de maag zou het fijn zijn als uw onderdanen weer verdwijnen. Dat scheelt mij weer wat jachtwerk.

En, vindt u het wat? Mede namens vele anderen die zich vast in deze brief herkennen hartelijk dank voor uw aandacht. Ik reken op uw begrip en op maatregelen.

Met hatelijke groet,

Naomi

P.S: Bij positieve veranderingen naar aanleiding van deze brief kan er wellicht weer een haRtelijke groet ter afsluiting worden geschreven.

Na een half jaar bloggen…

…ga ik nog minstens een half jaar door, om maar gelijk even de spoiler weg te geven. Mijn blog ging online op 30 januari. Ik had er al heel lang over nagedacht, nog veel langer over gedroomd en opeens was het die dag, na een pittig consult bij de huisarts, tijd om dromen waar te maken. Vandaag is het tijd om terug te blikken op een half jaar bloggen.

Gaat iemand het lezen?
Toen ik begon met mijn blog, wilde ik om te beginnen anoniemer dan anoniem blijven. Ik wist dat dat ook zou betekenen dat er wellicht weinig tot geen lezers zouden komen, maar ik wilde toch mijn droom eens achterna. En daarbij…mijn huisarts was veel te nieuwsgierig naar wat ik over hem te vertellen had, dus één lezer had ik vast ‘in the pocket’.

Ik gooide mijn eerste blogje online, dat ik al heel lang in de computer had staan, net als vele, vele andere verhalen. Voor ik het wist, kwamen via Twitter de eerste lezers binnen. Dit was leuk!

Vervolgens werd het hier elke dag gezelliger met bezoekers. Er zijn heus mensen die voor mijn lezersaantallen hun computer niet eens zouden opstarten, maar ik vind iedere lezer leuk.

In het begin was ik zoekend. Ga ik me echt binden aan één onderwerp? Ga ik breder schrijven? De tijd leert me dat ik overal wel iets in kan zien om over te schrijven. Hoofdonderwerp blijft de GGZ, maar ook onderwijs geef ik hier graag een plaats, net als mijn liefde voor boeken. Daarnaast zijn er genoeg andere dingen die soms om een blog roepen, dus inspiratie genoeg.

Bekende meelezers
Hulpverleners kenden het adres van mijn blog vanaf het begin. Ik vond het niet meer dan logisch dat zij mee zouden kunnen lezen, als ze dat zouden willen.
Na een paar maanden bloggen, durfde ik het aan om wat mensen in mijn omgeving in te lichten over mijn activiteiten. Zo kwam het dat langzaam maar zeker wat vriendinnen hier mee begonnen te lezen.

Toen volgde, heel recent, iets engs. Mijn familie wist niet van het bestaan van mijn blog. Ik wil best open zijn, maar anoniem open zijn voor onbekend publiek vind ik een stuk makkelijker dan voor familie of vrienden. Ik bedoel… ik wil ze ook niet ongerust maken en bovendien voelde mijn anonimiteit heerlijk veilig.
Toch brak het moment aan dat ook mijn familie op de hoogte werd gebracht van het bestaan van mijn blog. Het was spannend, maar tegelijk ook fijn om hen zo een inkijkje in mijn leven te geven. Ik schrijf nu eenmaal makkelijker dan dat ik praat, dus ja.

Hoe weet je dat?
Het bloggen zorgt soms ook voor wat vreemde momenten. Als mensen opeens iets weten waarvan ik zéker weet dat ik het ze niet heb verteld, vraag ik me af of ze misschien mijn blog lezen. Dat durf ik dan niet te vragen, want als ze het niet doen, wil ik zeker geen slapende honden wakker maken.

Aan de andere kant word ik steeds makkelijker. Ik ben ik. Dit is mijn blog. Ik vind het fijn om te schrijven. Wie het fijn vindt om te lezen, mag dat van mij doen.

Op naar veel meer
Ik had al járen overwogen om te bloggen, maar deed het nooit. Ik heb in de afgelopen zes maanden geen seconde spijt gehad van mijn blog. Ik vind het leuk in blogland en de inspiratie vind ik overal. Of nouja, vooral in wachtkamers, in supermarkten en gewoon op straat. Er komt dus nog veel meer!

Tot slot: Ik vind jullie lieve, eerlijke, spontane, open reacties zó leuk. Heel erg bedankt!

De puzzelstukken van het leven

Heel af en toe maak ik een legpuzzel. Lekker een muziekje op of stilte om me heen en maar zoeken naar passende stukjes. Recent maakte ik ook weer een puzzel en spontaan bedacht ik wat filosofische levenslessen.

Puzzelen
Volgens mij heb ik als kind nooit een legpuzzel met meer dan honderd stukjes voltooid. Ik begon altijd dapper met de rand, maar vervolgens ontbrak het aan geduld om de rest van de puzzel af te maken.

Een paar jaar geleden ontdekte ik de heerlijkheid van puzzelen. Ik had een ontzettende rotdag en had afleiding nodig. Ik kleurde in die tijd nog niet en dacht opeens aan legpuzzels. Dat vond ik een goed idee en dus klikte ik er daar snel één van mijn huis binnen.

Ik begon vol goede moed. De rand lag zo, maar ja, toen moest de rest nog. Dat duurde geloof ik nog anderhalf jaar. Ik puzzel namelijk met tussenpozen. Als hij op tafel ligt, kan ik niet stoppen. Als de puzzel weer opgerold op de mat om de koker zit, kan ik er zo een half jaar niet naar kijken.

Ook toen ik een paar jaar geleden na mijn ziekenhuisopname thuis moest herstellen, vond ik het heerlijk om te puzzelen. Er konden zomaar uren voorbijgaan met stukjes leggen. Zo brak dus het moment aan dat ik mijn eerste puzzel ooit voltooide. En inmiddels volgden er nog een paar. Mijn meest recente puzzel was een fijn plaatje van Rien Poortvliet en maakte me een beetje filosofisch.

Rien Poortvliet – At the forest with the Gnomes (puzzel van Jumbo, 1000 stukjes)

Het leven is een puzzel
Terwijl ik zat te puzzelen, liep ik af en toe helemaal vast. Als ik dan even wat anders deed, kon ik daarna meestal weer een heleboel stukjes op de juiste plek leggen.
Er lag een stukje op de verkeerde plaats, waardoor ik niet meer verder kon. Soms paste een stukje bijna, maar moest het nog even omgedraaid worden. Op het laatst, bij de lucht, was het gewoon passen en meten op vorm, want alle stukjes hadden dezelfde kleur. Die dingen deden me denken aan mijn weg naar psychisch herstel.

Soms overzie ik het allemaal niet. Een gesprek met een hulpverlener en een dutje geven me dan weer inzicht of rust en daarna snap ik het allemaal een stuk beter. Soms lag er een puzzelstukje in mijn leven op de verkeerde plaats. Zo werd ik heel lang behandeld vanuit het idee dat rouw mijn grootste probleem was. Zelf twijfelde ik daar altijd aan, maar ik kon het niet bewijzen. Totdat dus bleek dat autisme de bron was van de moeilijkheden.

Het stukje hypochondrie paste me bijna, maar werd na de diagnose autisme toch weer even omgedraaid. Nu past het een stuk beter. En tja, het is ook een beetje passen en meten op vorm, de weg naar herstel. In mijn behandeling ben ik zoekend naar oplossingen, naar een manier om het leven in te richten. Soms lijkt alles op elkaar, maar ik kom er wel. En tot slot ligt de puzzel er dan compleet.

De legpuzzel werd vijf minuten na voltooiing weer uit elkaar gehaald. En dáár zit hoop ik een verschil. Als de meeste psychische puzzelstukjes op hun plaats liggen, hoop ik op een poosje rust. Gewoon genieten en ernaar kijken. Lijkt me heerlijk.

Het gevoel van thuis

Thuis is voor mij echt mijn eigen plek. De plek waar mijn boeken staan, de plek waar ik helemaal mezelf kan zijn en de plek waar ik me kan ontspannen. Voor mij hoort daar ook zéker het geluid van de kerkklok bij.

Nieuwbouwhuis
Toen ik mijn appartement kocht, was het complex nog in aanbouw. Na een paar maanden mocht ik gaan kijken in het stuk beton dat mijn appartement zou worden. Dat voelde duidelijk niet als thuis.

Vanaf het moment dat ik de sleutel kreeg, veranderde dat. Ik las mijn eerste boek in het huis (terwijl ik wachtte tot de geschilderde ramen gesloten mochten worden), ik verfde de muren en langzaam maar zeker werd het huis een thuis.

Verhuizen
Mijn bed verhuisde als laatste en maakte mijn thuis compleet. Ik veranderde niet alleen van huis, maar ook van woonsituatie en woonplaats. Ik kwam uit een vrij druk gezin en ging alleen wonen. Dat wende heel snel. Als ik herrie wilde, ging ik wel even terug naar de gezelligheid van het ouderlijk huis. Mijn nieuwe woonplaats wende ook vrij snel.

Ik had gedacht dat ik de eerste nacht in mijn eigen huis geen oog dicht zou doen. Niets bleek echter minder waar. Ik sliep heerlijk. De volgende morgen werd ik wakker van…de kerkklok. Niet zo gek, als je bedenkt dat de kerk zich bijna recht tegenover mijn huis bevindt.  

De kerkklok
De kerkklok luidt op het hele en het halve uur. Op het halve uur slaat de klok één keer en op de hele uren geeft de klok met zijn slagen aan hoe laat het is. De eerste dagen hoorde ik iedere keer de klok luiden en werd ik er soms wakker van, maar dat wende al heel snel. Inmiddels hoor ik de klok niet meer bewust.

Een poosje geleden werd de kerk gerenoveerd. De klok was een paar weken niet in gebruik. Toen pas merkte ik hoe de klok mij het gevoel van thuis geeft. Ik hoor de klok niet meer bewust, maar toen hij niet luidde, miste ik hem. Ik miste vooral het lange luiden om twaalf uur ’s middags.

Tijdens slechte nachten moest ik wat langer aan de klok wennen. Als ik niet kan slapen, wil ik eigenlijk niet weten hoe laat het is. De klok blijft het echter onverbiddelijk aan me vertellen. Alleen tussen twaalf en twee uur is het lastig. Dan slaat hij natuurlijk drie keer maar één keer, dus dan raak ik het wel eens kwijt. Maar zodra het twee uur is, weet ik het weer. En ach, inmiddels vind ik dat prima. De klok hoort ook bij de slechte nachten.

Ik ben thuis!
Als ik op vakantie ben, mis ik de klok niet. En toch…na mijn laatste vakantie hoorde ik heel bewust de kerkklok slaan toen ik weer thuis was. Mijn koffer was nog niet uitgepakt, maar ik ging er even voor stilstaan. Ik was thuis! Mijn ‘eigen’ klok sloeg weer. Datzelfde gevoel kan me bekruipen als ik rond de middag thuis aan kom rijden en de klok net begint te luiden. Heerlijk vind ik dat.

Eén van de appartementen in het complex stond pas te koop. Er kwam een kijker. Op het moment dat de kijker buiten stond, luidde de klok. Ik was me daar eigenlijk niet van bewust, maar de kijker wel. De kijker vond het maar irritant. “Daar heb je toch last van?” vroeg de kijker aan de makelaar. Ik zat buiten en hoorde dat, maar ja, ik wilde me er niet mee bemoeien. Had ik dat wel gedaan, zou ik hebben geroepen: “Nee, dat hoor je niet meer, daar slaap je snel genoeg doorheen en het geeft je het heerlijke gevoel van thuis.”

Dank aan mijn bloeddonor

Vandaag is het 14 juni: Wereld Bloeddonordag. Een mooie dag om alle bloeddonors te bedanken. Vandaag vertel ik het verhaal over mijn bloedtransfusie. Het is een verhaal dat me nog regelmatig nare en angstige herinneringen bezorgt, maar ook een verhaal dat gelukkig goed afliep.

Complicaties
Het is inmiddels bekend dat ik een poliep (in mijn darm) heb gehad en dat die succesvol is verwijderd. Ik ging na het verwijderen van die poliep heel erg opgelucht naar huis. De tikkende tijdbom was mijn lijf uit.

Ruim anderhalve dag na het verwijderen van mijn poliep begon ik echter te bloeden. Geen paniek, dat stond in het boekje, dat dat kon en dat dat niet erg was. Het bleek echter te gaan om wel iets meer dan een beetje bloedverlies. Ik zocht dus contact met het ziekenhuis (de SEH, want het was nacht) en later, toen ik na een bezoek aan de SEH weer thuis was, met de huisarts.

De conclusie na de onderzoeken van de artsen was dat ik (te) veel bloed verloor, maar dat ik thuis mocht afwachten. Ik was jong en mijn lichaam kon wel wat hebben. Daarbij kreeg ik steeds de waarschuwing dat ik weer moest bellen als ik meer bloed zou verliezen. De uren verstreken en ik werd zwakker en zwakker. Waar ik ’s morgens nog zelf het ziekenhuis in was gewandeld, was ik ’s middags zó duizelig dat ik niet eens meer zelf naar de wc kon lopen. En ja, dat waren echt maar een paar stappen.

Ziekenhuisopname
Mijn broertje, die bij mij thuis was om ‘op te passen’, besloot dat het klaar was: “Ik bel de huisarts nog een keer. Dit is niet normaal.” De huisarts kwam langs en constateerde al op de drempel dat ik niet meer thuis kon blijven. Kon ik zelf naar het ziekenhuis of moest hij een ambulance bellen? Ik zei dat ik er zelf kon komen. Toen de huisarts weg was, keken mijn broertje en ik elkaar aan. Hoe zou ik daar dan zelf komen? Ik kon niet lopen… Goede vraag. Achteraf is het hilarisch om terug te blikken op die tocht naar het ziekenhuis. Ik moest letterlijk op mijn achterste van mijn appartement naar de lift kruipen en nam diverse keren een pauze, tijdens de paar meter kruipen naar de lift. Mijn broertje moest me vervolgens ondersteunen van de deur naar de auto. Ik liep het ziekenhuis ook niet meer zelf in, maar werd in een rolstoel naar binnen geduwd.

Tijdens mijn opname werd ik eerst volgestopt met infusen met zout en een goedje om het bloeden te stoppen. Het mocht allemaal niet baten. Ik werd alleen maar steeds zwakker.

Bloedtransfusie
En toen was het op. Mijn hb bleef zakken. Mijn hart begon op hol te slaan. Mijn huid was bleker dan de ziekenhuislakens. Mijn bloeddruk was schrikbarend laag. Er was nog één oplossing. Ik moest bloed krijgen.

Zo’n bloedtransfusie zou wonderen moeten doen. Je zou je dan daarna een stuk beter gaan voelen. Helaas gebeurde dat niet, omdat mijn bloeding nog altijd niet was gestopt. Wat ik kreeg, raakte ik dus ook weer kwijt. Maar ik realiseerde me wel dat ik me zónder dat donorbloed waarschijnlijk nóg ellendiger had gevoeld. Nu bleven de waarden, hoewel extreem laag, wel stabiel. De waarden zakten na de bloedtransfusie niet nóg verder.

Ik wil ook doneren
Terwijl ik daar met die zak bloed aan het infuus lag, besloot ik dat ik ook wilde doneren. Ik wilde me direct aanmelden. Het kan niet. Wie eenmaal bloed heeft ontvangen, mag nooit meer doneren. Ik heb nog gebeld om te vragen of ik wel plasma mocht doneren, maar dat mocht ook niet.

Dankjewel!
Ik kan dus zelf niets ‘terug doen’, terwijl ik dat wel graag had gewild. Daarom zeg ik sindsdien op 14 juni dankjewel, vanuit de grond van mijn hart. Dankjewel, jij bloeddonor, jij redt levens.

Meer informatie over bloed doneren en de mogelijkheid om je aan te melden als bloeddonor vind je op de website van Sanquin.

Open brief aan wielrenners

Beste wielrenner,

Laat ik deze brief positief beginnen. Ik heb namelijk heel veel respect voor wat je doet. Jij als echte wielerliefhebber fietst door weer en wind over de Nederlandse wegen. Ik heb er respect voor dat je jezelf keer op keer in dat pakje hijst, want dat kan gewoon niet lekker zitten. Maar je doet ‘t. En jij, verstandige wielrenner, draagt een helm.

Kilometer na kilometer glijd je over de wegen. Je fiets is misschien wel duurder dan je auto en is je grootste trots. Je zorgt er dan ook goed voor.

Al die dingen, beste wielrenner, ik heb er respect voor, echt waar. Ik snap er de lol ook van, zeker weten. Ik heb het zelf nooit gedaan, maar dat komt vooral omdat ik mezelf niet in zo’n pakje durf te vertonen enzo. Mijn familie bestaat voor een groot deel uit wielrenners, maar hoe graag ik soms ook zou willen, mij hebben ze nog niet over kunnen halen.

Toch moet me ook iets van het hart. Op zo’n wielrenfiets zit je gewoon in de buitenlucht. Geen dichte ramen en een airco. Waarom moeten jullie wielrenners altijd zo vréselijk hard praten? Ik hoor jullie altijd al van verre. Dan hoor ik een hoop geschreeuw en weet ik dat er wielrenners in aantocht zijn.

Als jullie in een groep fietsen, waarschuwen jullie elkaar voor paaltjes en wandelaars en dat vind ik dan wel weer positief. Maar gewoon dat gesprek over die promotie op je werk, dat kan toch misschien wel wat zachter?

Dan richt ik me nu even tot jou, de wielrenner die me nog niet zo lang geleden passeerde. Je was goed bezig. Je had mijn respect. Je had je helm en je zonnebril op en jezelf in zo’n pakje gehesen en hoewel je daarmee mijn respect verdiende, zorgde dat er ook voor dat ik je niet herkende. Jij herkende mij wel. Er is daar geen voetpad, dus sorry, ik moest een beetje op jouw route lopen. Maar beste wielrenner, ik herkende je niet met helm en zonnebril en gek pakje, maar ik hoorde je wel. En als jij dan na het passeren van mij aan je maten verkondigt: “Dat was juf Naomi, die zag er ook niet vrolijk uit,” dan hoor ik dat dus.

Zal ik het je even uitleggen? Nogmaals, je zit niet in een auto met dichte ramen en airco. En ik ben niet doof en had in tegenstelling tot jou géén zonnebril op. Ik keek dus tegen de zon in en chagrijnig staat m’n hoofd ’t lekkerst. Maar eerlijk? Zo’n opmerking van jou helpt dan niet echt, vooral niet omdat ik me maar blijf afvragen wie je was (het is duidelijk dat ik oudergesprekken met je gevoerd moet hebben). Voortaan dus toch misschien een beetje nadenken voor je wat roept?

Kom je bij me eten? (2)

Naar aanleiding van mijn blog over stress als er mensen bij me komen eten, kreeg ik een appje. Iemand die een paar keer per jaar bij me komt eten, miste namelijk bij de oplossingen de optie Airfryer. Ze had helemaal gelijk en direct voelde ik een ode aan mijn Airfryer opkomen.

No stress
Wat wil het geval? Ik krijg niet van iederéén die komt eten stress. Er zijn ook mensen die ik al zo’n beetje mijn hele leven ken en waarvan ik weet waar ik ze blij mee maak. Met pizza, patat en ijs, voornamelijk. Ideaal vind ik dat.

Als deze mensen komen eten, gaat de Airfryer aan. De stekker gaat in het stopcontact op het moment dat de bel gaat en na een minuutje of twintig kunnen we (lekker op de bank) eten. Ik vraag na de eerste ronde of er nog meer patat gebakken moet worden of niet. Er komen wat snacks en op een gegeven moment zijn de magen gevuld. Tenminste, bijna dan.

Dit van pizza en patat houdende stel gaat bij mij niet weg voor er ook ijs is gegeten. Ik ben gek op ijs. Ik heb het niet altijd in huis, maar als zij komen eten wel. We nemen dus een toetje. Of twee. Want ja, ijs is echt heel erg lekker. Vervolgens is er dan gedurende de avond ook nog genoeg lekkers. Ik zorg er graag voor dat mensen niet nog langs de grote gele M. moeten als ze bij mij zijn geweest.

De luie huisvrouw
Na dat appje over de optie Airfryer kwam er dus een ode aan die Airfryer boven. Ik kocht de mijne drie jaar geleden en ik heb hem vanaf het begin intensief gebruikt.

In eerste instantie was de aanschaf een idee dat voortkwam uit luiheid. Ik had een hartgrondige hekel aan het schoonmaken van de frituurpan en toen dat op een dag écht weer moest gebeuren, heb ik de pan met vet en al weggegooid (ja, milieu, ik weet het…) en ben ik een Airfryer gaan halen. In eerste instantie gebruikte ik hem alleen voor patat, maar al heel snel ging ik hem voor meer gebruiken.

Snel recept voor de Airfryer
Ik ontdekte dat je met dit apparaat heel snel en heel makkelijk een gezond en lekker maaltje op tafel kunt zetten. Na een lange werkdag vond ik dat heel fijn.

Ik vond een recept dat binnen twintig minuten na thuiskomst op mijn bord kon liggen. Bij thuiskomst gelijk de Airfryer aan op 180 graden en vervolgens aardappels schillen en in blokjes snijden. Als dat gedaan is, is de Airfryer warm en kunnen de aardappelblokjes er dus in. Timer op tien minuten instellen. Ondertussen een courgette en twee tomaten schoonmaken en in blokjes snijden. Kruiden met paprikapoeder (Italiaanse kruiden kan ook, maar ik ben er niet zo’n fan van) en na tien minuten toevoegen aan de aardappelblokjes. Airfryer nog even vijf minuten aan en piep-piep…Heerlijke maaltijd! En oja, ondertussen in een andere pan nog even een vleesje braden. Kan allemaal precies.

Aardappels zijn vies?
’s Zomers eet ik graag sla met gebakken aardappels. De aardappels maak ik tegenwoordig ook in de Airfryer. Ik ben stiekem helemaal geen fan van gekookte aardappels en at daarom veel pasta en rijst. Buikpijn was daar vaak het gevolg van. Mijn huisarts adviseerde me aardappels te gaan eten en ik deed het, met een hoop tegenzin. Tót ik aan mijn Airfryer dacht. Sindsdien gebruik ik hem bijna dagelijks. Aardappels uit de Airfryer vind ik namelijk heerlijk. Het voelt alsof ik lekker aan de friet zit.

Conclusie: ik heb geen spijt van mijn aankoop. Ik koester hem, bijna dagelijks. En dat er mensen zijn die daar ook zo van kunnen genieten, maakt dat die rustig bij me mogen komen eten. Zonder stress.

Oja, en voor het geval iemand argwaan kreeg bij het lezen: Geen gesponsord artikel ofzo, puur enthousiasme.

Kleur je kalm

Mijn gebrek aan creativiteit
Creativiteit is nooit mijn sterkste kant geweest. Ik had er het geduld en de vaardigheden niet voor. Ik denk niet dat ik als kind ooit een kleurboek vol heb gemaakt. Ik kan me zelfs nog herinneren dat ik als kleutertje een keer een kleurplaat af moest maken. De rest zat in de kring, ik zat daar nog aan mijn tafeltje. Mijn kleurplaat moest af, maar mijn hand deed zeer van het veel te krampachtig vasthouden van het potlood en ik wilde gewoon bij de anderen in de kring zitten.

Op de basisschool moest er elk jaar een surprise gemaakt worden voor Sinterklaas. Dat was ieder jaar een klein drama, dus schakelde ik altijd een hulplijn in. Toen die hulplijn een jaartje niet beschikbaar was, kreeg ik van de leerkracht een negatieve opmerking over de kwaliteit van mijn surprise. Ik zou me er nóg kwaad over kunnen maken. Meer dan dat kon ik gewoon niet! Zeker niet in een tijd dat we nog nooit van Pinterest hadden gehoord.

Op de middelbare school volgde ik het vak tekenen. Ik ging heel snel over op abstract werken. Dat kon ik namelijk wél. Lekker simplistisch, maar de boodschap erachter sprak altijd boekdelen. Stiekem vond ik dat zelfs leuk.

Creativiteit en het onderwijs
Na de middelbare school ging ik naar de PABO. Juist ja, geen beste plek als je niet zo creatief bent aangelegd. Ik geef eerlijk toe dat ik regelmatig werk van mezelf inleverde als zijnde werk van een leerling. Er was nooit een leraar die dat zag. Mijn niveau lag duidelijk niet hoger dan dat van een basisschoolleerling.

Als gediplomeerd juf moest ik zelf tekenen gaan geven. Eh…probleempje. Ik loste dat probleem op door te werken met leskaarten. Ik haalde mijn inspiratie van internet en maakte leskaarten voor de kinderen. Stap voor stap legde ik op die leskaarten alles uit, met voorbeelden (uiteraard ook van internet). Veel kinderen waren veel creatiever dan ik en dat durfde ik rustig toe te geven.

Zit het er dan toch in?
Een paar maanden geleden kwam ik thuis te zitten. Ik begon aan mijn surprise voor Sinterklaas. Ik kwam bij het deel waarbij ik aan het verven sloeg en ik maakte iets unieks mee: Ik vond het leuk! Ik merkte dat ik avonden kon gaan zitten met m’n verf en m’n kwasten en dat ik dat heel ontspannend vond. Ik genoot er echt van.

Ik besloot mijn creativiteit nog eens een kans te geven en kocht een kleurboek. In eerste instantie ging ik maar voor zo goedkoop mogelijk, want ja, ik zou dit waarschijnlijk hooguit één dag leuk gaan vinden. Het ging heel anders. We zijn inmiddels vele maanden verder; ik heb stapels kleurboeken en kleurdozen in huis en ik kleur bijna dagelijks. Ik vind het heerlijk.

Kleur je kalm
Als ik ga zitten met een kleurplaat, voel ik dat ik ontspan. Soms zet ik een muziekje op, soms staat de TV aan op de achtergrond, maar heel vaak is het ook gewoon stil.
Er is me vaak verteld dat ik gevoel ‘er moeten laten zijn’. Ik kan niks met zo’n uitspraak. Hoe moet dat dan? Het lukt me niet. Ik denk dat kleuren mijn manier is van gevoel er laten zijn. Al kleurend komt de ene na de andere gedachte voorbij. En ja, gedachten zijn geen gevoelens, maar toch vind ik dat dit mijn invulling is van gevoel er laten zijn. Ik word heel rustig van kleuren en er kunnen soms zomaar ineens uren verstreken zijn als ik weer op de klok kijk.

Mijn ‘werk’ tonen blijft spannend, maar inmiddels durf ik het, met enige aarzeling, wel aan.

Hoe volwassen ben ik?
Tot slot vraag ik mezelf al kleurend soms af hoe volwassen ik ben. Mwa, volwassen genoeg, constateer ik dan. Ik denk niet dat het kleuren nog gaat stoppen, ook niet als ik ‘beter’ ben. Heel stiekem hoop ik gewoon dat ik op een dag een kleurende bejaarde word. Lijkt me heerlijk!