De puzzelstukken van het leven

Heel af en toe maak ik een legpuzzel. Lekker een muziekje op of stilte om me heen en maar zoeken naar passende stukjes. Recent maakte ik ook weer een puzzel en spontaan bedacht ik wat filosofische levenslessen.

Puzzelen
Volgens mij heb ik als kind nooit een legpuzzel met meer dan honderd stukjes voltooid. Ik begon altijd dapper met de rand, maar vervolgens ontbrak het aan geduld om de rest van de puzzel af te maken.

Een paar jaar geleden ontdekte ik de heerlijkheid van puzzelen. Ik had een ontzettende rotdag en had afleiding nodig. Ik kleurde in die tijd nog niet en dacht opeens aan legpuzzels. Dat vond ik een goed idee en dus klikte ik er daar snel één van mijn huis binnen.

Ik begon vol goede moed. De rand lag zo, maar ja, toen moest de rest nog. Dat duurde geloof ik nog anderhalf jaar. Ik puzzel namelijk met tussenpozen. Als hij op tafel ligt, kan ik niet stoppen. Als de puzzel weer opgerold op de mat om de koker zit, kan ik er zo een half jaar niet naar kijken.

Ook toen ik een paar jaar geleden na mijn ziekenhuisopname thuis moest herstellen, vond ik het heerlijk om te puzzelen. Er konden zomaar uren voorbijgaan met stukjes leggen. Zo brak dus het moment aan dat ik mijn eerste puzzel ooit voltooide. En inmiddels volgden er nog een paar. Mijn meest recente puzzel was een fijn plaatje van Rien Poortvliet en maakte me een beetje filosofisch.

Rien Poortvliet – At the forest with the Gnomes (puzzel van Jumbo, 1000 stukjes)

Het leven is een puzzel
Terwijl ik zat te puzzelen, liep ik af en toe helemaal vast. Als ik dan even wat anders deed, kon ik daarna meestal weer een heleboel stukjes op de juiste plek leggen.
Er lag een stukje op de verkeerde plaats, waardoor ik niet meer verder kon. Soms paste een stukje bijna, maar moest het nog even omgedraaid worden. Op het laatst, bij de lucht, was het gewoon passen en meten op vorm, want alle stukjes hadden dezelfde kleur. Die dingen deden me denken aan mijn weg naar psychisch herstel.

Soms overzie ik het allemaal niet. Een gesprek met een hulpverlener en een dutje geven me dan weer inzicht of rust en daarna snap ik het allemaal een stuk beter. Soms lag er een puzzelstukje in mijn leven op de verkeerde plaats. Zo werd ik heel lang behandeld vanuit het idee dat rouw mijn grootste probleem was. Zelf twijfelde ik daar altijd aan, maar ik kon het niet bewijzen. Totdat dus bleek dat autisme de bron was van de moeilijkheden.

Het stukje hypochondrie paste me bijna, maar werd na de diagnose autisme toch weer even omgedraaid. Nu past het een stuk beter. En tja, het is ook een beetje passen en meten op vorm, de weg naar herstel. In mijn behandeling ben ik zoekend naar oplossingen, naar een manier om het leven in te richten. Soms lijkt alles op elkaar, maar ik kom er wel. En tot slot ligt de puzzel er dan compleet.

De legpuzzel werd vijf minuten na voltooiing weer uit elkaar gehaald. En dáár zit hoop ik een verschil. Als de meeste psychische puzzelstukjes op hun plaats liggen, hoop ik op een poosje rust. Gewoon genieten en ernaar kijken. Lijkt me heerlijk.

Het gevoel van thuis

Thuis is voor mij echt mijn eigen plek. De plek waar mijn boeken staan, de plek waar ik helemaal mezelf kan zijn en de plek waar ik me kan ontspannen. Voor mij hoort daar ook zéker het geluid van de kerkklok bij.

Nieuwbouwhuis
Toen ik mijn appartement kocht, was het complex nog in aanbouw. Na een paar maanden mocht ik gaan kijken in het stuk beton dat mijn appartement zou worden. Dat voelde duidelijk niet als thuis.

Vanaf het moment dat ik de sleutel kreeg, veranderde dat. Ik las mijn eerste boek in het huis (terwijl ik wachtte tot de geschilderde ramen gesloten mochten worden), ik verfde de muren en langzaam maar zeker werd het huis een thuis.

Verhuizen
Mijn bed verhuisde als laatste en maakte mijn thuis compleet. Ik veranderde niet alleen van huis, maar ook van woonsituatie en woonplaats. Ik kwam uit een vrij druk gezin en ging alleen wonen. Dat wende heel snel. Als ik herrie wilde, ging ik wel even terug naar de gezelligheid van het ouderlijk huis. Mijn nieuwe woonplaats wende ook vrij snel.

Ik had gedacht dat ik de eerste nacht in mijn eigen huis geen oog dicht zou doen. Niets bleek echter minder waar. Ik sliep heerlijk. De volgende morgen werd ik wakker van…de kerkklok. Niet zo gek, als je bedenkt dat de kerk zich bijna recht tegenover mijn huis bevindt.  

De kerkklok
De kerkklok luidt op het hele en het halve uur. Op het halve uur slaat de klok één keer en op de hele uren geeft de klok met zijn slagen aan hoe laat het is. De eerste dagen hoorde ik iedere keer de klok luiden en werd ik er soms wakker van, maar dat wende al heel snel. Inmiddels hoor ik de klok niet meer bewust.

Een poosje geleden werd de kerk gerenoveerd. De klok was een paar weken niet in gebruik. Toen pas merkte ik hoe de klok mij het gevoel van thuis geeft. Ik hoor de klok niet meer bewust, maar toen hij niet luidde, miste ik hem. Ik miste vooral het lange luiden om twaalf uur ’s middags.

Tijdens slechte nachten moest ik wat langer aan de klok wennen. Als ik niet kan slapen, wil ik eigenlijk niet weten hoe laat het is. De klok blijft het echter onverbiddelijk aan me vertellen. Alleen tussen twaalf en twee uur is het lastig. Dan slaat hij natuurlijk drie keer maar één keer, dus dan raak ik het wel eens kwijt. Maar zodra het twee uur is, weet ik het weer. En ach, inmiddels vind ik dat prima. De klok hoort ook bij de slechte nachten.

Ik ben thuis!
Als ik op vakantie ben, mis ik de klok niet. En toch…na mijn laatste vakantie hoorde ik heel bewust de kerkklok slaan toen ik weer thuis was. Mijn koffer was nog niet uitgepakt, maar ik ging er even voor stilstaan. Ik was thuis! Mijn ‘eigen’ klok sloeg weer. Datzelfde gevoel kan me bekruipen als ik rond de middag thuis aan kom rijden en de klok net begint te luiden. Heerlijk vind ik dat.

Eén van de appartementen in het complex stond pas te koop. Er kwam een kijker. Op het moment dat de kijker buiten stond, luidde de klok. Ik was me daar eigenlijk niet van bewust, maar de kijker wel. De kijker vond het maar irritant. “Daar heb je toch last van?” vroeg de kijker aan de makelaar. Ik zat buiten en hoorde dat, maar ja, ik wilde me er niet mee bemoeien. Had ik dat wel gedaan, zou ik hebben geroepen: “Nee, dat hoor je niet meer, daar slaap je snel genoeg doorheen en het geeft je het heerlijke gevoel van thuis.”

Dank aan mijn bloeddonor

Vandaag is het 14 juni: Wereld Bloeddonordag. Een mooie dag om alle bloeddonors te bedanken. Vandaag vertel ik het verhaal over mijn bloedtransfusie. Het is een verhaal dat me nog regelmatig nare en angstige herinneringen bezorgt, maar ook een verhaal dat gelukkig goed afliep.

Complicaties
Het is inmiddels bekend dat ik een poliep (in mijn darm) heb gehad en dat die succesvol is verwijderd. Ik ging na het verwijderen van die poliep heel erg opgelucht naar huis. De tikkende tijdbom was mijn lijf uit.

Ruim anderhalve dag na het verwijderen van mijn poliep begon ik echter te bloeden. Geen paniek, dat stond in het boekje, dat dat kon en dat dat niet erg was. Het bleek echter te gaan om wel iets meer dan een beetje bloedverlies. Ik zocht dus contact met het ziekenhuis (de SEH, want het was nacht) en later, toen ik na een bezoek aan de SEH weer thuis was, met de huisarts.

De conclusie na de onderzoeken van de artsen was dat ik (te) veel bloed verloor, maar dat ik thuis mocht afwachten. Ik was jong en mijn lichaam kon wel wat hebben. Daarbij kreeg ik steeds de waarschuwing dat ik weer moest bellen als ik meer bloed zou verliezen. De uren verstreken en ik werd zwakker en zwakker. Waar ik ’s morgens nog zelf het ziekenhuis in was gewandeld, was ik ’s middags zó duizelig dat ik niet eens meer zelf naar de wc kon lopen. En ja, dat waren echt maar een paar stappen.

Ziekenhuisopname
Mijn broertje, die bij mij thuis was om ‘op te passen’, besloot dat het klaar was: “Ik bel de huisarts nog een keer. Dit is niet normaal.” De huisarts kwam langs en constateerde al op de drempel dat ik niet meer thuis kon blijven. Kon ik zelf naar het ziekenhuis of moest hij een ambulance bellen? Ik zei dat ik er zelf kon komen. Toen de huisarts weg was, keken mijn broertje en ik elkaar aan. Hoe zou ik daar dan zelf komen? Ik kon niet lopen… Goede vraag. Achteraf is het hilarisch om terug te blikken op die tocht naar het ziekenhuis. Ik moest letterlijk op mijn achterste van mijn appartement naar de lift kruipen en nam diverse keren een pauze, tijdens de paar meter kruipen naar de lift. Mijn broertje moest me vervolgens ondersteunen van de deur naar de auto. Ik liep het ziekenhuis ook niet meer zelf in, maar werd in een rolstoel naar binnen geduwd.

Tijdens mijn opname werd ik eerst volgestopt met infusen met zout en een goedje om het bloeden te stoppen. Het mocht allemaal niet baten. Ik werd alleen maar steeds zwakker.

Bloedtransfusie
En toen was het op. Mijn hb bleef zakken. Mijn hart begon op hol te slaan. Mijn huid was bleker dan de ziekenhuislakens. Mijn bloeddruk was schrikbarend laag. Er was nog één oplossing. Ik moest bloed krijgen.

Zo’n bloedtransfusie zou wonderen moeten doen. Je zou je dan daarna een stuk beter gaan voelen. Helaas gebeurde dat niet, omdat mijn bloeding nog altijd niet was gestopt. Wat ik kreeg, raakte ik dus ook weer kwijt. Maar ik realiseerde me wel dat ik me zónder dat donorbloed waarschijnlijk nóg ellendiger had gevoeld. Nu bleven de waarden, hoewel extreem laag, wel stabiel. De waarden zakten na de bloedtransfusie niet nóg verder.

Ik wil ook doneren
Terwijl ik daar met die zak bloed aan het infuus lag, besloot ik dat ik ook wilde doneren. Ik wilde me direct aanmelden. Het kan niet. Wie eenmaal bloed heeft ontvangen, mag nooit meer doneren. Ik heb nog gebeld om te vragen of ik wel plasma mocht doneren, maar dat mocht ook niet.

Dankjewel!
Ik kan dus zelf niets ‘terug doen’, terwijl ik dat wel graag had gewild. Daarom zeg ik sindsdien op 14 juni dankjewel, vanuit de grond van mijn hart. Dankjewel, jij bloeddonor, jij redt levens.

Meer informatie over bloed doneren en de mogelijkheid om je aan te melden als bloeddonor vind je op de website van Sanquin.

Open brief aan wielrenners

Beste wielrenner,

Laat ik deze brief positief beginnen. Ik heb namelijk heel veel respect voor wat je doet. Jij als echte wielerliefhebber fietst door weer en wind over de Nederlandse wegen. Ik heb er respect voor dat je jezelf keer op keer in dat pakje hijst, want dat kan gewoon niet lekker zitten. Maar je doet ‘t. En jij, verstandige wielrenner, draagt een helm.

Kilometer na kilometer glijd je over de wegen. Je fiets is misschien wel duurder dan je auto en is je grootste trots. Je zorgt er dan ook goed voor.

Al die dingen, beste wielrenner, ik heb er respect voor, echt waar. Ik snap er de lol ook van, zeker weten. Ik heb het zelf nooit gedaan, maar dat komt vooral omdat ik mezelf niet in zo’n pakje durf te vertonen enzo. Mijn familie bestaat voor een groot deel uit wielrenners, maar hoe graag ik soms ook zou willen, mij hebben ze nog niet over kunnen halen.

Toch moet me ook iets van het hart. Op zo’n wielrenfiets zit je gewoon in de buitenlucht. Geen dichte ramen en een airco. Waarom moeten jullie wielrenners altijd zo vréselijk hard praten? Ik hoor jullie altijd al van verre. Dan hoor ik een hoop geschreeuw en weet ik dat er wielrenners in aantocht zijn.

Als jullie in een groep fietsen, waarschuwen jullie elkaar voor paaltjes en wandelaars en dat vind ik dan wel weer positief. Maar gewoon dat gesprek over die promotie op je werk, dat kan toch misschien wel wat zachter?

Dan richt ik me nu even tot jou, de wielrenner die me nog niet zo lang geleden passeerde. Je was goed bezig. Je had mijn respect. Je had je helm en je zonnebril op en jezelf in zo’n pakje gehesen en hoewel je daarmee mijn respect verdiende, zorgde dat er ook voor dat ik je niet herkende. Jij herkende mij wel. Er is daar geen voetpad, dus sorry, ik moest een beetje op jouw route lopen. Maar beste wielrenner, ik herkende je niet met helm en zonnebril en gek pakje, maar ik hoorde je wel. En als jij dan na het passeren van mij aan je maten verkondigt: “Dat was juf Naomi, die zag er ook niet vrolijk uit,” dan hoor ik dat dus.

Zal ik het je even uitleggen? Nogmaals, je zit niet in een auto met dichte ramen en airco. En ik ben niet doof en had in tegenstelling tot jou géén zonnebril op. Ik keek dus tegen de zon in en chagrijnig staat m’n hoofd ’t lekkerst. Maar eerlijk? Zo’n opmerking van jou helpt dan niet echt, vooral niet omdat ik me maar blijf afvragen wie je was (het is duidelijk dat ik oudergesprekken met je gevoerd moet hebben). Voortaan dus toch misschien een beetje nadenken voor je wat roept?

Kom je bij me eten? (2)

Naar aanleiding van mijn blog over stress als er mensen bij me komen eten, kreeg ik een appje. Iemand die een paar keer per jaar bij me komt eten, miste namelijk bij de oplossingen de optie Airfryer. Ze had helemaal gelijk en direct voelde ik een ode aan mijn Airfryer opkomen.

No stress
Wat wil het geval? Ik krijg niet van iederéén die komt eten stress. Er zijn ook mensen die ik al zo’n beetje mijn hele leven ken en waarvan ik weet waar ik ze blij mee maak. Met pizza, patat en ijs, voornamelijk. Ideaal vind ik dat.

Als deze mensen komen eten, gaat de Airfryer aan. De stekker gaat in het stopcontact op het moment dat de bel gaat en na een minuutje of twintig kunnen we (lekker op de bank) eten. Ik vraag na de eerste ronde of er nog meer patat gebakken moet worden of niet. Er komen wat snacks en op een gegeven moment zijn de magen gevuld. Tenminste, bijna dan.

Dit van pizza en patat houdende stel gaat bij mij niet weg voor er ook ijs is gegeten. Ik ben gek op ijs. Ik heb het niet altijd in huis, maar als zij komen eten wel. We nemen dus een toetje. Of twee. Want ja, ijs is echt heel erg lekker. Vervolgens is er dan gedurende de avond ook nog genoeg lekkers. Ik zorg er graag voor dat mensen niet nog langs de grote gele M. moeten als ze bij mij zijn geweest.

De luie huisvrouw
Na dat appje over de optie Airfryer kwam er dus een ode aan die Airfryer boven. Ik kocht de mijne drie jaar geleden en ik heb hem vanaf het begin intensief gebruikt.

In eerste instantie was de aanschaf een idee dat voortkwam uit luiheid. Ik had een hartgrondige hekel aan het schoonmaken van de frituurpan en toen dat op een dag écht weer moest gebeuren, heb ik de pan met vet en al weggegooid (ja, milieu, ik weet het…) en ben ik een Airfryer gaan halen. In eerste instantie gebruikte ik hem alleen voor patat, maar al heel snel ging ik hem voor meer gebruiken.

Snel recept voor de Airfryer
Ik ontdekte dat je met dit apparaat heel snel en heel makkelijk een gezond en lekker maaltje op tafel kunt zetten. Na een lange werkdag vond ik dat heel fijn.

Ik vond een recept dat binnen twintig minuten na thuiskomst op mijn bord kon liggen. Bij thuiskomst gelijk de Airfryer aan op 180 graden en vervolgens aardappels schillen en in blokjes snijden. Als dat gedaan is, is de Airfryer warm en kunnen de aardappelblokjes er dus in. Timer op tien minuten instellen. Ondertussen een courgette en twee tomaten schoonmaken en in blokjes snijden. Kruiden met paprikapoeder (Italiaanse kruiden kan ook, maar ik ben er niet zo’n fan van) en na tien minuten toevoegen aan de aardappelblokjes. Airfryer nog even vijf minuten aan en piep-piep…Heerlijke maaltijd! En oja, ondertussen in een andere pan nog even een vleesje braden. Kan allemaal precies.

Aardappels zijn vies?
’s Zomers eet ik graag sla met gebakken aardappels. De aardappels maak ik tegenwoordig ook in de Airfryer. Ik ben stiekem helemaal geen fan van gekookte aardappels en at daarom veel pasta en rijst. Buikpijn was daar vaak het gevolg van. Mijn huisarts adviseerde me aardappels te gaan eten en ik deed het, met een hoop tegenzin. Tót ik aan mijn Airfryer dacht. Sindsdien gebruik ik hem bijna dagelijks. Aardappels uit de Airfryer vind ik namelijk heerlijk. Het voelt alsof ik lekker aan de friet zit.

Conclusie: ik heb geen spijt van mijn aankoop. Ik koester hem, bijna dagelijks. En dat er mensen zijn die daar ook zo van kunnen genieten, maakt dat die rustig bij me mogen komen eten. Zonder stress.

Oja, en voor het geval iemand argwaan kreeg bij het lezen: Geen gesponsord artikel ofzo, puur enthousiasme.

Kleur je kalm

Mijn gebrek aan creativiteit
Creativiteit is nooit mijn sterkste kant geweest. Ik had er het geduld en de vaardigheden niet voor. Ik denk niet dat ik als kind ooit een kleurboek vol heb gemaakt. Ik kan me zelfs nog herinneren dat ik als kleutertje een keer een kleurplaat af moest maken. De rest zat in de kring, ik zat daar nog aan mijn tafeltje. Mijn kleurplaat moest af, maar mijn hand deed zeer van het veel te krampachtig vasthouden van het potlood en ik wilde gewoon bij de anderen in de kring zitten.

Op de basisschool moest er elk jaar een surprise gemaakt worden voor Sinterklaas. Dat was ieder jaar een klein drama, dus schakelde ik altijd een hulplijn in. Toen die hulplijn een jaartje niet beschikbaar was, kreeg ik van de leerkracht een negatieve opmerking over de kwaliteit van mijn surprise. Ik zou me er nóg kwaad over kunnen maken. Meer dan dat kon ik gewoon niet! Zeker niet in een tijd dat we nog nooit van Pinterest hadden gehoord.

Op de middelbare school volgde ik het vak tekenen. Ik ging heel snel over op abstract werken. Dat kon ik namelijk wél. Lekker simplistisch, maar de boodschap erachter sprak altijd boekdelen. Stiekem vond ik dat zelfs leuk.

Creativiteit en het onderwijs
Na de middelbare school ging ik naar de PABO. Juist ja, geen beste plek als je niet zo creatief bent aangelegd. Ik geef eerlijk toe dat ik regelmatig werk van mezelf inleverde als zijnde werk van een leerling. Er was nooit een leraar die dat zag. Mijn niveau lag duidelijk niet hoger dan dat van een basisschoolleerling.

Als gediplomeerd juf moest ik zelf tekenen gaan geven. Eh…probleempje. Ik loste dat probleem op door te werken met leskaarten. Ik haalde mijn inspiratie van internet en maakte leskaarten voor de kinderen. Stap voor stap legde ik op die leskaarten alles uit, met voorbeelden (uiteraard ook van internet). Veel kinderen waren veel creatiever dan ik en dat durfde ik rustig toe te geven.

Zit het er dan toch in?
Een paar maanden geleden kwam ik thuis te zitten. Ik begon aan mijn surprise voor Sinterklaas. Ik kwam bij het deel waarbij ik aan het verven sloeg en ik maakte iets unieks mee: Ik vond het leuk! Ik merkte dat ik avonden kon gaan zitten met m’n verf en m’n kwasten en dat ik dat heel ontspannend vond. Ik genoot er echt van.

Ik besloot mijn creativiteit nog eens een kans te geven en kocht een kleurboek. In eerste instantie ging ik maar voor zo goedkoop mogelijk, want ja, ik zou dit waarschijnlijk hooguit één dag leuk gaan vinden. Het ging heel anders. We zijn inmiddels vele maanden verder; ik heb stapels kleurboeken en kleurdozen in huis en ik kleur bijna dagelijks. Ik vind het heerlijk.

Kleur je kalm
Als ik ga zitten met een kleurplaat, voel ik dat ik ontspan. Soms zet ik een muziekje op, soms staat de TV aan op de achtergrond, maar heel vaak is het ook gewoon stil.
Er is me vaak verteld dat ik gevoel ‘er moeten laten zijn’. Ik kan niks met zo’n uitspraak. Hoe moet dat dan? Het lukt me niet. Ik denk dat kleuren mijn manier is van gevoel er laten zijn. Al kleurend komt de ene na de andere gedachte voorbij. En ja, gedachten zijn geen gevoelens, maar toch vind ik dat dit mijn invulling is van gevoel er laten zijn. Ik word heel rustig van kleuren en er kunnen soms zomaar ineens uren verstreken zijn als ik weer op de klok kijk.

Mijn ‘werk’ tonen blijft spannend, maar inmiddels durf ik het, met enige aarzeling, wel aan.

Hoe volwassen ben ik?
Tot slot vraag ik mezelf al kleurend soms af hoe volwassen ik ben. Mwa, volwassen genoeg, constateer ik dan. Ik denk niet dat het kleuren nog gaat stoppen, ook niet als ik ‘beter’ ben. Heel stiekem hoop ik gewoon dat ik op een dag een kleurende bejaarde word. Lijkt me heerlijk!

Ik ben ‘de zwakste schakel’

Als puber was ik fan van het televisieprogramma De zwakste schakel. Elke vrijdagavond was het weer feest. Nu is RTL opnieuw begonnen met het uitzenden van de kennisquiz met een sarcastisch knipoogje en kijk ik weer. Dat kan nu zelfs elke dag.

Nog afgezien van het feit dat ik in een rotbui echt heel erg graag de teksten voor de vertrekkende kandidaat zou schrijven, vind ik het ook een fijn concept. In hoog tempo worden zoveel mogelijk vragen gesteld aan de kandidaten, die gezamenlijk een zo lang mogelijke ketting van goede antwoorden moeten vormen. Aan het eind van elke ronde verdwijnt de kandidaat die volgens de medespelers ‘de zwakste schakel’ is. Die krijgt dan dus van presentatrice Bridget Maasland nog even een fijne sarcastische opmerking mee en “dag”, dat was ’t dan. Op naar de volgende ronde vragen.

Klinkt leuk toch? Het is ook heel erg leuk. Er is altijd gedacht door mijn leerkrachten (en psychologen) dat ik nogal slim ben, misschien zelfs hoogbegaafd. Ik heb dat zelf ook altijd gedacht, hoewel ik ook wel altijd heb getwijfeld. Ik had trekjes van hoogbegaafdheid, maar ergens klopte er iets niet. Nog niet zo heel lang geleden werd het onderzocht. Uit het IQ-onderzoek bleek dat ik niet zozeer hoogbegaafd ben, maar wel dat ik een onvoorstelbaar groot geheugen heb. Dat betekent dat ik niet zozeer extreem slim ben, maar gewoon álles onthoud wat je me vertelt. Als ik dus een les heb gehad, onthoud ik dat. Een keer iets doorlezen en ik weet het. Dat klinkt iets leuker dan het is, want het is dodelijk vermoeiend. Ik onthoud wel alles, maar weet niet altijd heel goed in welk vakje ik het moet plaatsen.

Terug naar De zwakste schakel. Ik ging er de eerste aflevering eens lekker voor zitten. Ik keek die aflevering terug, tijdens de lunch. Het was weer ouderwets genieten. Maar er gebeurde meer. Ik wist niet op alle vragen het antwoord. En wat deed mijn geheugen met de dingen die ik niet wist? Juist ja, opslaan. Ik grapte nog dat ik maar beter niet kon kijken, want dan zou m’n hoofd weer vollopen. Dat was oprecht een grapje.

Tot aflevering twee. Die keek ik net voor ik naar bed ging. Vervolgens schoten in bed alle feitjes nog even door mijn hoofd. Die moesten nog in het juiste vakje geparkeerd worden. En dat niet alleen, ik stond er daarnaast nog versteld van dat ik op sommige vragen het antwoord bleek te weten. Dat zou ik niet gedacht hebben, maar blijkbaar zweefde ergens in mijn geheugen nog iets over Arjen Robben en over landen die ik helemaal niet dacht te kennen.

Daar lag ik dan dus, stuiterend in bed. Lesje geleerd. Ik moet niet meer ’s avonds laat kijken. Want ja, ik vind het leuk en ja, er blijken honderden feitjes in mijn geheugen te liggen én ik leer af en toe wat nieuws. Maar als ik ’s avonds laat kijk, ben ik de volgende dag vanwege slaapgebrek de zwakste schakel. Daar kan ik best een sarcastische tekst bij schrijven, iets met kinderbedtijd enzo, maar ik houd me in. “Dag!”

“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

De volle agenda

Als je een afspraak met iemand wilt maken, komt het maar al te vaak voor dat diegene eerst zijn neus in de agenda moet steken. Vervolgens komen er allerlei verontschuldigingen en tot slot wordt er een afspraak gemaakt die nog even op zich laat wachten. Want ja, die ander is druk.

Ik deed daar zelf ook heel lang aan mee. Op werkdagen sloop mijn agenda vol. Even een praatje maken met iemand was er eigenlijk niet meer bij. Voor werkdagen vond ik dat nog enigszins acceptabel.

Er is ook thuis. Ik ken mensen die minstens vier of vijf avonden per week de deur uit zijn. Elke week. Het hele jaar door. Ze gaan sporten, naar vrienden, een avondje werken, naar een verjaardag, enz. Ik deed dat ook, want zo hoorde het blijkbaar. Ik was heel lang van maandag- tot en met donderdagavond bezet met vaste afspraken, naast mijn fulltime baan. Ergens voelde dat ‘goed’, want ja, dat deed ‘iedereen’. De weekenden waren dan nog redelijk vrij. Ik was óp, na zo’n week, maar ja, andere mensen gaan in het weekend ’s avonds naar familie of iets leuks doen. Zou ik dat dan ook niet moeten doen? Ik deed het. In het weekend was ik meestal minstens één avond ook de deur uit. De goede rekenaar ziet nu dat er één of twee avonden in de week vrij waren. Maar ja, ergens moest er ook een keer een huishouden gedaan worden en moesten er boodschappen gehaald worden. Dat moest dus op één van die vrije avonden. En oja, ik deed nog een studie, naast mijn baan. Dat moest er ook ergens in worden geprakt. Gezellig op zaterdag dan maar.

Ik hield dat twee jaar lang vol. Toen haalde ik mijn diploma. De zomervakantie brak aan. Mijn lijf gaf aan dat het klaar was en gooide me direct de eerste nacht in bed met een griepje. Het was tijd om rust te nemen.

Waar dit heen gaat? Ik had die volle agenda. Dat voelde eigenlijk helemaal niet goed. Elke maandag had ik het gevoel dat ik aan een marathon begon, met mijn tong al op mijn tenen. Voor de wereld om me heen hield ik de schijn op. Met een volle agenda hoorde ik erbij. Ik kon toch niet avond aan avond thuis gaan zitten? Ik was er trots op dat ik kon voldoen aan de verwachtingen van de buitenwereld. Ondertussen zoog deze weekinvulling me volledig leeg. En toch hield ik zo lang mogelijk vol. Ik schrapte eerst alle leuke en ontspannende dingen uit het programma en ging werken, werken en nog eens werken. En slapen.

Toen was het klaar. Die volle agenda heeft me gesloopt. En ja, er zijn mensen die er prima mee om kunnen gaan als ze vijf avonden in de week van huis zijn. Ik kan dat niet. Dat heb ik door schade en schande moeten leren. Ik laad niet op van veel mensen om me heen. Ik laad op van thuis zijn, rustig op de bank met een kleurplaat, een boek of een fijn programma op de buis. Ik schaamde me daarvoor. Nu niet meer. Iedereen mag trots zijn op zijn volle agenda. Ik ben vooral heel trots als hij zo leeg mogelijk is. Want voor mij is dat het allerbeste.