Ik ben ‘de zwakste schakel’

Als puber was ik fan van het televisieprogramma De zwakste schakel. Elke vrijdagavond was het weer feest. Nu is RTL opnieuw begonnen met het uitzenden van de kennisquiz met een sarcastisch knipoogje en kijk ik weer. Dat kan nu zelfs elke dag.

Nog afgezien van het feit dat ik in een rotbui echt heel erg graag de teksten voor de vertrekkende kandidaat zou schrijven, vind ik het ook een fijn concept. In hoog tempo worden zoveel mogelijk vragen gesteld aan de kandidaten, die gezamenlijk een zo lang mogelijke ketting van goede antwoorden moeten vormen. Aan het eind van elke ronde verdwijnt de kandidaat die volgens de medespelers ‘de zwakste schakel’ is. Die krijgt dan dus van presentatrice Bridget Maasland nog even een fijne sarcastische opmerking mee en “dag”, dat was ’t dan. Op naar de volgende ronde vragen.

Klinkt leuk toch? Het is ook heel erg leuk. Er is altijd gedacht door mijn leerkrachten (en psychologen) dat ik nogal slim ben, misschien zelfs hoogbegaafd. Ik heb dat zelf ook altijd gedacht, hoewel ik ook wel altijd heb getwijfeld. Ik had trekjes van hoogbegaafdheid, maar ergens klopte er iets niet. Nog niet zo heel lang geleden werd het onderzocht. Uit het IQ-onderzoek bleek dat ik niet zozeer hoogbegaafd ben, maar wel dat ik een onvoorstelbaar groot geheugen heb. Dat betekent dat ik niet zozeer extreem slim ben, maar gewoon álles onthoud wat je me vertelt. Als ik dus een les heb gehad, onthoud ik dat. Een keer iets doorlezen en ik weet het. Dat klinkt iets leuker dan het is, want het is dodelijk vermoeiend. Ik onthoud wel alles, maar weet niet altijd heel goed in welk vakje ik het moet plaatsen.

Terug naar De zwakste schakel. Ik ging er de eerste aflevering eens lekker voor zitten. Ik keek die aflevering terug, tijdens de lunch. Het was weer ouderwets genieten. Maar er gebeurde meer. Ik wist niet op alle vragen het antwoord. En wat deed mijn geheugen met de dingen die ik niet wist? Juist ja, opslaan. Ik grapte nog dat ik maar beter niet kon kijken, want dan zou m’n hoofd weer vollopen. Dat was oprecht een grapje.

Tot aflevering twee. Die keek ik net voor ik naar bed ging. Vervolgens schoten in bed alle feitjes nog even door mijn hoofd. Die moesten nog in het juiste vakje geparkeerd worden. En dat niet alleen, ik stond er daarnaast nog versteld van dat ik op sommige vragen het antwoord bleek te weten. Dat zou ik niet gedacht hebben, maar blijkbaar zweefde ergens in mijn geheugen nog iets over Arjen Robben en over landen die ik helemaal niet dacht te kennen.

Daar lag ik dan dus, stuiterend in bed. Lesje geleerd. Ik moet niet meer ’s avonds laat kijken. Want ja, ik vind het leuk en ja, er blijken honderden feitjes in mijn geheugen te liggen én ik leer af en toe wat nieuws. Maar als ik ’s avonds laat kijk, ben ik de volgende dag vanwege slaapgebrek de zwakste schakel. Daar kan ik best een sarcastische tekst bij schrijven, iets met kinderbedtijd enzo, maar ik houd me in. “Dag!”

“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

De volle agenda

Als je een afspraak met iemand wilt maken, komt het maar al te vaak voor dat diegene eerst zijn neus in de agenda moet steken. Vervolgens komen er allerlei verontschuldigingen en tot slot wordt er een afspraak gemaakt die nog even op zich laat wachten. Want ja, die ander is druk.

Ik deed daar zelf ook heel lang aan mee. Op werkdagen sloop mijn agenda vol. Even een praatje maken met iemand was er eigenlijk niet meer bij. Voor werkdagen vond ik dat nog enigszins acceptabel.

Er is ook thuis. Ik ken mensen die minstens vier of vijf avonden per week de deur uit zijn. Elke week. Het hele jaar door. Ze gaan sporten, naar vrienden, een avondje werken, naar een verjaardag, enz. Ik deed dat ook, want zo hoorde het blijkbaar. Ik was heel lang van maandag- tot en met donderdagavond bezet met vaste afspraken, naast mijn fulltime baan. Ergens voelde dat ‘goed’, want ja, dat deed ‘iedereen’. De weekenden waren dan nog redelijk vrij. Ik was óp, na zo’n week, maar ja, andere mensen gaan in het weekend ’s avonds naar familie of iets leuks doen. Zou ik dat dan ook niet moeten doen? Ik deed het. In het weekend was ik meestal minstens één avond ook de deur uit. De goede rekenaar ziet nu dat er één of twee avonden in de week vrij waren. Maar ja, ergens moest er ook een keer een huishouden gedaan worden en moesten er boodschappen gehaald worden. Dat moest dus op één van die vrije avonden. En oja, ik deed nog een studie, naast mijn baan. Dat moest er ook ergens in worden geprakt. Gezellig op zaterdag dan maar.

Ik hield dat twee jaar lang vol. Toen haalde ik mijn diploma. De zomervakantie brak aan. Mijn lijf gaf aan dat het klaar was en gooide me direct de eerste nacht in bed met een griepje. Het was tijd om rust te nemen.

Waar dit heen gaat? Ik had die volle agenda. Dat voelde eigenlijk helemaal niet goed. Elke maandag had ik het gevoel dat ik aan een marathon begon, met mijn tong al op mijn tenen. Voor de wereld om me heen hield ik de schijn op. Met een volle agenda hoorde ik erbij. Ik kon toch niet avond aan avond thuis gaan zitten? Ik was er trots op dat ik kon voldoen aan de verwachtingen van de buitenwereld. Ondertussen zoog deze weekinvulling me volledig leeg. En toch hield ik zo lang mogelijk vol. Ik schrapte eerst alle leuke en ontspannende dingen uit het programma en ging werken, werken en nog eens werken. En slapen.

Toen was het klaar. Die volle agenda heeft me gesloopt. En ja, er zijn mensen die er prima mee om kunnen gaan als ze vijf avonden in de week van huis zijn. Ik kan dat niet. Dat heb ik door schade en schande moeten leren. Ik laad niet op van veel mensen om me heen. Ik laad op van thuis zijn, rustig op de bank met een kleurplaat, een boek of een fijn programma op de buis. Ik schaamde me daarvoor. Nu niet meer. Iedereen mag trots zijn op zijn volle agenda. Ik ben vooral heel trots als hij zo leeg mogelijk is. Want voor mij is dat het allerbeste.

MDL-praatjes

“Nou meneer, we komen zo even bij u terug, dan krijgt u een slaappilletje.” “Goedemorgen mevrouw, hier is uw pilletje voor uw lever.” “Hallo, hoe vaak bent u vannacht naar de wc geweest?”

Al het bovenstaande én nog veel meer, hoorde ik tijdens een ziekenhuisopname. Ik bracht een paar dagen door op de maag- darm- leverafdeling. Ik neem aan dat iedereen dan zelf kan bedenken hoeveel en welke praatjes poep daar zoal de ronde doen?

Het was de eerste keer dat ik zelf in een ziekenhuis lag. Eerst bracht ik al een halve nacht door op de Eerste Hulp. Het was carnaval. De één na de ander kwam lollig binnen, met nét iets meer alcohol achter de kiezen dan nodig zou zijn. Ik voelde me in mijn oude pyjama helemaal thuis tussen de verkleedkleren. Om me heen hoorde ik mensen klagen, roepen, zingen en lallen. Gezellig. Verder was het vooral wachten.

Vervolgens kwam ik terecht op een vierpersoonskamer. Eenmaal op zaal gebracht, had ik vooral behoefte aan rust. Dat kreeg ik niet. De buurman had wel zin in een kletspraatje. Ik niet. De andere buurman bleek dementerend en niet meer in staat voor zichzelf te zorgen. Om de haverklap werd er om een zuster geroepen, want de bel kon de buurman niet meer vinden. Buurman riep er dan heel hard bij waar hij de zuster voor nodig had, zodat de hele afdeling daar gelijk van op de hoogte was. We hielpen hem maar een beetje door onze eigen bel te gebruiken en dan te zeggen dat we voor de buurman hadden gebeld. Tot slot was er nog iemand die de hele kamer bij elkaar hoestte. Gezellig. Ik mocht mijn bed niet uit, want de kans dat ik dan flauw zou vallen, was een beetje te groot. “U belt even als u naar het toilet moet, hè?” Eh…ja? Ik voelde me een gekooid diertje. Ik mocht niet eens zelf bepalen wanneer ik een klein stapje m’n bed uit zou doen. Na een eerste loopje op de gang met een zuster, besloot ik dat mijn infuuspaal me de rest van m’n opname maar moest vergezellen om te voorkomen dat ik om zou vallen. Dan had ik tenminste nog enigszins zelf wat te bepalen, eigenwijs als ik ben.

De dagen kwamen en gingen. De medepatiënten ook. Elke dag liep de arts zijn ronde. In de bomvolle kamer werden alle praatjes poep besproken. Hè ja, gezellig. Ik vond er allemaal maar niks aan. Toen kwam het moment dat alle buren verdwenen waren en ik de zaal even voor mezelf had. Ik pakte mijn telefoon en belde een vriendin. Heerlijk, eindelijk even praten zonder rekening te hoeven houden met anderen.

Die nacht werd er een nieuwe buurvrouw bij me op de zaal gebracht. Ze klaagde nogal. Niet intern, maar gewoon hardop. De volgende morgen brak mijn klomp. Mevrouw vertelde me in geuren en kleuren wat ze mankeerde en droeg me vervolgens allerlei dingen op. Eh…ja, natuurlijk mevrouw, want ik lig hier voor m’n plezier. Ik mankeer precies hetzelfde als u. Maar ja, dat zei ik niet. Ik volgde haar commando’s op, letterlijk met zwabberende benen. De verpleging kwam en het dossier van mevrouw werd nog eens uitgebreid doorgenomen. Waarom? Ik moet dat helemaal allemaal niet weten!

Na een paar dagen verliet ik het ziekenhuis. Ik was bijna nog zwakker dan op de dag dat ik binnen was gekomen, maar ik vond ’t wel prima. Ik mocht naar huis! Het mooiste daarvan? Ik ging naar een plek waar rust was en waar ik niet meer dag (en nacht!) door medepatiënten, verpleegsters, artsen, schoonmaaksters en piepende infusen wakker werd gehouden. Ik wist niet hoe snel ik mijn privéchauffeur moest regelen. Doei ziekenhuis, ik hoop tot nooit. Maar de praatjes poep? Eh, ja, die haal ik jaren later nog wel eens aan…

Lastige leerling

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: Dit gaat over mezelf. Ik ben een lastige leerling. Als kind was ik dat niet. Ik was de braafheid zelve en ik kon iets leuk vinden of niet; ik deed het braaf. Ik kon iets makkelijk vinden of moeilijk; ik deed het, zonder te mopperen.

Dat is ergens in de loop der jaren veranderd. Als ik iets saai vind, vind ik het heel moeilijk om dat te verbergen. Het allerergste vind ik het wanneer ik een cursus of opleiding volg en ik het idee heb dat ik zelf meer weet dan de docent.

Wat me ook uitermate frustreert, zijn cursusdagen waarop ik van alles zelf moet doen. Ik kom om iets te leren, ik hoop dat de docent me iets te vertellen heeft en ik hoor het graag. Af en toe even overleggen? Prima, maar mijn ervaring is dat je altijd minstens drie keer meer tijd krijgt om iets te overleggen dan je nodig hebt. En dát is het moment waarop ik gegarandeerd vervelend ga doen. Ik ga grapjes maken, tussendoor ander werk doen en al mijn sociale media worden weer eens goed bijgewerkt.
Tijdens nascholingen pak ik ook graag met enige regelmaat wat te eten. Totdat ik dus iemand trof die dat verbood. Die arme cursusleidster had waarschijnlijk niet in de gaten dat ze daarmee voor zichzelf de middagen met mij extra moeilijk maakte.
Tekeningetjes maak ik ook veelvuldig. Daar ben ik wel eens voor ‘bestraft’. Dat snap ik, maar is niet terecht, want hoe meer ik teken, hoe beter ik oplet. Dan heb ik de focus op de tekening en kan ik ondertussen luisteren. Als ik om me heen kijk, zie en hoor ik van alles en let ik totaal niet op.

Vaak volg ik nascholingen met collega’s. Ik weet van mezelf dat ik dan vervelend kan doen. Als ik vier uur lang met collega’s in een net iets te kleine ruimte moet luisteren naar dingen die ik al weet, dan moet ik oppassen. Ik weet dat sommige mensen zich aan mij storen tijdens nascholingen. Speciaal voor die mensen (en oké, een beetje voor de docent en mezelf) zoek ik een plek ver bij collega’s vandaan waarvan ik weet dat ik er een hele middag lol mee kan trappen.

Ik werd eens door een cursusleidster aangesproken op mijn gedrag. Dat is prima, maar dat het gebeurde om vier uur ’s middags, terwijl we om negen uur ’s morgens waren begonnen, viel bij mij niet helemaal lekker. Ik had de héle dag netjes op m’n stoel gezeten, keurig gedaan alsof ik oplette, geen enkele keer ongepaste grapjes gemaakt, niet één keer laten merken dat ik niets nieuws leerde en ik had de hele dag niets door de ruimte geroepen, maar nu ik vijf minuten voor tijd lollig werd, had ze er last van. Eh…ja. Vertel dan iets nieuws, alsjeblief, dan doe ik niet zo.

Want het kan dus ook anders. Ik volgde een scholing over het onderwijs aan kinderen met het Syndroom van Down. Ik was samen met een collega waar ik de hele dag mee zou kunnen lachen en grappen. Maar dat deed ik niet. De cursusleidster praatte, van ’s morgens tien tot ’s middags vier. Ik luisterde. Ik was geboeid. Om te voorkomen dat we af en toe een suikerdipje zouden krijgen, vulde de cursusleidster de hele dag onze bordjes met koek, snoep, chocola, enz. Ze vertelde me allemaal dingen die ik nog niet wist en ik schreef geconcentreerd alles op. Vol nieuwe ideeën en plannen reed ik vervolgens naar huis. Ik was deze keer geen vervelende leerling geweest. Maar lag dat aan die cursusleidster of aan mij? Het zal vast aan de combinatie van ons beiden hebben gelegen, maar ik zou bij haar nog zó tien dagen in de schoolbanken schuiven, als de makkelijke leerling die ik vroeger was.

Mijn hele leven op het wereldwijde web?

Een blog starten was al minstens tien jaar een droom van me, maar ik deed het nooit. Tot een paar weken geleden. Ik heb een blog. En waarom?

Mijn hele leven op het wereldwijde web?
Soms twijfel ik ontzettend. Moet ik echt mijn hele leven online zetten? Nee, dat moet ik niet. Wil ik dat? Nee, dat wil ik ook niet. Doe ik dat? Nee, zeker niet. Ja, ik ben heel open op deze blog, maar er zijn heel veel dingen die ik hier niet kan en wil plaatsen. Dingen die gaan over anderen, bijvoorbeeld. Dingen die gaan over mijn familie zal ik hier nooit plaatsen. Dingen die gaan over leerlingen en die niet zodanig geanonimiseerd kunnen worden dat iemand zich erin zou kunnen herkennen, zullen nooit geplaatst worden. Dat lijkt allemaal logisch. Maar dingen over mezelf dan? Over mezelf deel ik veel, maar ook niet alles. Als ik een gesprek met een hulpverlener heb gehad, maak ik daar altijd een verslagje van. Ik deel zo’n verslagje met een vriendin, maar zal dat nooit op de blog zetten. Ik zou wel dingen uit zo’n gesprek kunnen delen, maar nooit een volledig verslag. Want ook ik heb recht op en behoefte aan mijn privacy.

Is dat eerlijk?
Geeft deze blog dan een eerlijk beeld? Ik denk het wel. Ik denk dat op deze blog iets te lezen is over mijn strijd én iets te lezen is van de humor die ik gelukkig altijd heb kunnen behouden (en daar ben ik heel dankbaar voor, dat dat bleef). De nadruk ligt voor mij wel op het doorbreken van allerlei taboes rondom psychische gezondheid en daarom heeft dat tot nu toe de meeste aandacht, maar ik kan het ook niet laten om af en toe gewoon even een gezellig praatje de wereld in te gooien. En omdat ik zo vreselijk gek ben op boeken, hebben die ook een plekje op de blog gekregen.

Maar waarom dan die blog?
Ik startte dus een aantal weken geleden toch een blog. Ik had al een webadres aangemaakt en wilde me richten op boeken. Maar iets knaagde. Iets klopte niet. Ik had het er regelmatig over met de huisarts. Ik had al eens columns geschreven en als we het over schrijven hadden, zag hij een twinkeling in mijn ogen die op andere momenten maar al te vaak ontbrak. Toen kwam er een consult waarin ik behoorlijk overstuur was en opnieuw de vraag werd gesteld of er nog wat van me te lezen was online. Dat was er niet. En hoewel volledig in tranen, verliet ik de praktijk ook met de belofte dat ik er nog eens over na zou denken. Dat nadenken duurde niet lang. Ik maakte thuis direct een domein aan, zette de eerste blog (al láng daarvoor geschreven) online en vond dat heerlijk. Ik schreef weer! Ik schrijf weer! Ik vind het zó fijn om weer te schrijven. En waarom dan het geschrevene online publiceren? Omdat ik denk dat ik iets te vertellen heb. En omdat ik hoop dat ik er iemand, al is het er maar één, mee kan helpen. Omdat ik taboes wil doorbreken, want die zijn er nog veel te veel. En omdat schrijven mijn leven (heeft) verrijkt. Vind ik het dan nooit eng? Ja, ik vind het eng. De blog ‘Depressie is een cultuurverschijnsel’ heeft me bijvoorbeeld heel veel twijfel gekost. Kon ik dit publiceren? Wat als mijn gesprekspartner het zou lezen? Ik deed het toch. Het werd de best gelezen blog, binnen een dag al en dat vond ik veelzeggend. Dit was dus nodig. Het leverde mooie reacties op. En als mijn gesprekspartner het heeft gelezen, hoop ik maar dat diegene er iets van heeft geleerd. Datzelfde gold voor de blog ‘Christen en depressief’. Iemand die me ‘in het echte leven’ ook kent, vertelde me dat het lezen van mijn blog verduidelijkte hoe ik me voelde. Ik ga dus nog wel even door, voor anderen én voor mezelf, want er is nog zóveel te vertellen.

De auto voor de deur

Tijdens mijn jaren op de middelbare school zat ik elke schooldag op de fiets. Regen, wind, sneeuw, gladheid, storm, kou, bloedhitte, hagel, miezer, alles maakte ik wel mee. ’s Morgens keek ik zodra ik uit bed kwam even wat de temperatuur was. Zodra die onder de tien graden kwam, vond ik dat niet echt leuk, maar ach, het hoorde erbij. Bij een temperatuur onder het vriespunt baalde ik, maar ik kon er verder ook niks aan veranderen.

Wat het weer dus ook deed, hoe veel of hoe weinig zin ik ook had, ik stapte op de fiets. Iedere dag. Twee keer. In weer en wind. Een uur heen en een uur terug. Tegenwind was er elke dag wel. Meewind dus ook, maar ik dacht er niet over na.

Na de middelbare school ging ik studeren. Ik moest met de trein naar de Hogeschool en die trein leek warempel wel meer last te hebben van sneeuw, herfst, storm en regen en dat soort dingen dan mijn fiets. Zodra het kouder werd of de blaadjes gingen vallen, liet de trein me wel eens in de steek. Dat had mijn fiets nooit gedaan.

Ik werd achttien. Er kwam een roze pasje in mijn portemonnee. Er kwam een auto voor de deur te staan. En vanaf dat moment werd alles anders. Als ik even een boodschap moest doen, ook al was dat ongeveer naast de deur, begon ik na te denken over hoe ik dat zou doen. Voordat ik in bezit was van het roze pasje pakte ik altijd de fiets. Zonder na te denken. Bij heel erg extreme regenval was lopen met een paraplu ook nog een overweging. Nu is dat dus anders, sinds ik een auto voor de deur heb staan. Als ik denk dat het misschien gaat regenen, overweeg ik om de auto te pakken, ook al hoef ik maar een klein stukje. Als het hard waait, stap ik zéker niet op de fiets, want ja, tegenwind.

Lekker warm in mijn autootje zie ik dan de scholieren gaan. Ze hebben zich in hun regenpakken gewurmd en fietsen tegen de wind in. Ik vind ze zielig, echt vanuit het diepst van mijn hart. Die arme pubers, koud, nat en in de wind op de fiets. Ik ben dan ook nog eens extra blij met de auto waar ik droog en warm in zit.

En dan opeens dringt het tot me door: Deze pubers vinden zichzelf waarschijnlijk helemaal niet zielig. Die hebben er niet eens over nagedacht dat ze moesten fietsen, want een andere mogelijkheid was er niet. En daar zit ik dan, in mijn autootje. Droog en warm. Op een stukje dat ik ook had kunnen lopen met een paraplu. Dus wie is hier zielig? Die pubers of ik? Ik denk van ik. Maar ja, ik heb lang genoeg gebikkeld. Af en toe mag ik dan toch best even genieten van die auto die anders ook maar voor de deur staat?

Houd het vast op hout

Zomeravonden:
De ondergaande zon;
zingende vogels;
kwakende kikkers;
loeiende koeien;
blatende schapen;
een klein zuchtje wind;
het geluid van mijn voetstappen of mijn fietsbanden op het asfalt;
de dag die langzaam overgaat in de nacht.

Ik ben heel erg gek op buiten zijn. ’s Zomers ga ik graag als de zon aan het zakken is nog heel even naar buiten om de dag af te sluiten. En omdat ik graag samen met anderen geniet, maak ik dan foto’s. Op grauwe, grijze winterdagen kijk ik die foto’s met plezier terug. Ik heb inmiddels honderden foto’s van rustgevende landschappen in mijn bezit. Ik maak er elk jaar een fotoboek van, daar blader ik nog eens in en dat is het wel.

Tot nu. Ik kreeg van Foto op Hout de vraag of ik een foto wilde laten afdrukken. Ik had er al wel eens naar gekeken, maar ook steeds geaarzeld. Mijn meubels zijn van hout; zou een foto op hout dan niet zorgen voor een beetje té veel hout?

Nu ging ik aan de slag. Op de website kon ik kiezen uit diverse maten en houtsoorten. Ik keek nog even bij een Foto op Steigerhout, maar vond dat net te ‘houterig’ voor bij mij in huis.

Uiteindelijk koos ik dus voor een Foto op Hout op planken die geschikt zijn voor binnenshuis. Een whitewash-behandeling zou het product helemaal af moeten maken.

Ik ging nog eens door al mijn foto’s en stopte bij mijn favoriete zomeravond. Deze foto moest het worden. Via de website uploadde ik mijn foto en koos voor horizontale planken. Ik heb lang getwijfeld tussen horizontale en verticale planken en veel gekeken naar de voorbeelden op de website. Uiteindelijk besloot ik dat horizontale planken beter bij mijn foto pasten.

Binnen een week stond er een bezorger voor de deur met mijn foto. Vol verwachting maakte ik de doos open en ik was blij verrast. De kleuren waren nog mooier dan op het scherm en de horizontale planken bleken een goede keuze. Er was duidelijk sprake van een foto op hout, maar de foto straalde door de whitewash-behandeling toch rust uit en was zeker niet te druk voor mijn rustige interieur. De foto werd geleverd met een ophangsysteem, maar staat bij mij nog even tegen de muur geleund, wachtend op mijn vaste klusjesman.

Houd de zomeravond vast op hout.

Met deze foto houd ik de zomeravond vast op hout. Ik kan vanaf de bank nagenieten van die ene, prachtige avond. En deze foto zal me vaak aansporen om naar buiten te gaan, om van nog veel meer zomeravonden te kunnen genieten.

Het product in dit artikel heb ik gekregen in ruil voor een review, waarvoor dank. Dat beïnvloedt echter niet mijn mening, want die is oprecht als altijd.

De snooze-knop

De ochtenden zijn niet mijn ding. Ik ben het schoolvoorbeeld van een avondmens. ’s Morgens moet je mij vooral niets vragen of vertellen, want ik geef geen antwoord (ik deel liever een klap uit) en ik luister ook niet naar je.

Toch ging op werkdagen iedere keer weer die wekker. Ik was er geen vrienden mee. Meestal werd ik net voor de wekker begon te piepen wakker. Ik wierp een blik op de tijd en zag dan dat het moeilijkste moment van de dag, namelijk de stap het bed uit, bijna aanbrak.

Dan klonk het gepiep. Vol overtuiging duwde ik op de snooze-knop. Vier minuten later klonk weer gepiep. Hetzelfde gebaar. Dit herhaalde zich een paar keer, gemiddeld een uur lang. Ik had dan ook een groot probleem toen ik een nieuwe wekker kocht die na een half uur gewoon stopte. Ik versliep me hopeloos. Want laat ik vooropstellen dat snoozen bij mij gewoon slapen betekent en niet iets tussen slapen en waken in. Die vier minuten tussen het gepiep door slaap ik echt weer. Nu mijn wekker me na een half uur in de steek begon te laten, moest ik iets anders verzinnen. Behalve de wekker op mijn nachtkastje zette ik vanaf dat moment dus ook een wekker op mijn telefoon. Verstandig als ik ben, stelde ik die in op maximaal drie keer snoozen met tussenpozen van vijf minuten. En die wekker op de telefoon begon als de wekker op het nachtkastje stopte. Als mijn telefoon ging, wist ik dus dat het snoozen bijna voorbij was en ik echt de stap uit bed moest gaan wagen.

Zo ging het jaren. Maar nu dus niet meer.
Ja, ik zet nog steeds twee wekkers, maar dat komt omdat die ene op het nachtkastje op sommige tijden ineens niet meer piept. Mijn telefoon wekt me dan alsnog.

Waarom ik dan niet meer minstens een uur lekker lig te snoozen? Dat is de schuld van één van mijn vroegere huisartsen. Jaren geleden vertelde ik hoe moe ik was. Ik legde haar uit dat ik echt met geen mogelijkheid mijn bed uit kon komen. “Ik lig gewoon een uur te snoozen. Minstens.” Ik dacht daarmee uit te leggen hoe ‘ernstig’ het was. Ze luisterde. Mijn bloedwaarden verklaarden ook wel iets van de vermoeidheid, maar lang niet alles. Ik ging met een recept de deur uit, om die bloedwaarden weer wat op te krikken.
Maar toen, bij de deur, zei ze nog wat: “Als je zo moe bent, zou ik gewoon m’n wekker een uur later zetten. Dat is beter voor je dan een uur snoozen.” Ik vond dat grappig, maar ik geloofde haar niet. Ik deed het dan ook niet.

Pas jaren later nam ik haar advies ter harte. De wekker ging later en ik stond mezelf nog hooguit drie keer snoozen toe. Ik moest haar gelijk geven. Snoozen is fijn, maar gewoon je wekker een uur later zetten, werkt eigenlijk vele malen beter en maakt de stap uit bed een stuk minder dramatisch!