Komt een hypochonder bij de huisarts

De laatste weken had ik veel vaker dan officieel toegestaan contact met de huisarts. Opeens bedacht ik, lekker buiten op de fiets, dat het al tien dagen geleden was dat ik een (al dan niet telefonisch) consult had gehad. Een nieuw record, voor de afgelopen weken. De hypochonder was trots. Prompt was de volgende dag zo’n dag. Zo’n dag dat de hypochonder nogal hyperactief was en zelfs overwoog om de huisarts te bellen. Het is weekend, vond het verstand, doe normaal. Maar de hypochonder wist wel beter: Nou, ze worden in ’t weekend ook gewoon betaald hoor. Extra zelfs, dus wat kan jou ’t schelen.

Gratis consult
Het verstand won, want er was helemaal niets aan de hand. Bovendien wist ik ook wel hoe zo’n consult zou gaan. Eigenlijk gaan consulten met de hypochonder in mij namelijk altijd hetzelfde. Een gesprek tussen de huisarts en mijn hypochondrie ziet er ongeveer zo uit:

– Wat is er aan de hand?
Ik ga dood.
– Ja, dat klopt. Maar dat duurt nog wel even.
Nou, dat durf ik te betwijfelen.
– Daar blijven we het over oneens, over dat moment. Wat maakt je nu bang?
Hier volgt dan altijd een vage klacht.
– En sinds wanneer heb je daar last van?
Noemt exacte dag en datum en liefst tijd.
– Oké. Wat denk je zelf dat het is?
Ja, duhu, ik ga dood.
– Heb je op internet gekeken?
Nee, natuurlijk niet, dat is verboden.
– Wil je dat ik er even naar kijk?
JAAAAAA!
– Huisarts doet onderzoek.
En, ga ik dood?
– Ja, maar dat wist je al. Maar niet hieraan en ook niet snel.
O, wat is het dan?
– Huisarts geeft onschuldige verklaring.
Dus ik stel me weer aan?
– Nee, je stelt je niet aan, je vóelt dat wel echt, maar het is niets ernstigs.
En toch vind ik het stom.
– Ja, daar kan ik niks aan veranderen, dat jij dat vindt. Is er verder nog iets?
Nee, dit was ‘t.

Tochtje naar de deur en een laatste advies.
– Dan mag je een nieuwe afspraak maken over … weken.
Oké, ik hoop dat ik het uithoud.

Of, zeldzaam, maar ook één keer voorgekomen bij blinde paniek:
-Dan mag je een volgende afspraak maken voor wanneer jij denkt dat goed is.
Oké, tot morgen!
Maar ik maakte braaf een afspraak voor over drie weken. Een consult zonder grapje is namelijk geen consult.

Nou, zie je, ik heb zo’n consult helemaal niet nodig. Ik kan het zelf. Gratis en voor niets.

Hypochondrische humor

Hypochondrie bestaat geloof ik officieel niet meer. Tegenwoordig heb je dan ziekteangst. Ik vind ’t allemaal prima, maar ik vind hypochondrie vriendelijker klinken, puur vanwege het ontbreken van het woord angst. Niet dat hypochondrie nu zo grappig is, maar soms kan ik er ook de humor wel van inzien.

Hypochondrische angst
Over de nadelige kanten van hypochondrie heb ik al genoeg geschreven. Ik ga dat nu ook niet herhalen, maar houdt het bij de korte samenvatting dat ik ieder signaal van mijn lichaam opvat als een teken dat ik doodziek ben.

Vermoeidheid, een pijntje, een plekje, álles kan eng zijn. Alles behalve ‘echte’ dingen. Voor een snotneus of wat keelpijn zul je mij niet bij een dokter zien. Dat vind ik heel normaal en dus niet eng. Alles wat echter een beetje vaag is en in mijn beleving niet helemaal logisch verklaard kan worden, maakt me wel bang.

De humor van hypochondrie
De hypochondrie maakt me creatief. Ik kan van volkomen normale verschijnselen dodelijke ziektes maken. Een arts kan me dan tegenspreken, maar dat gaat echt niet helpen. De hypochonder is namelijk nogal nadrukkelijk aanwezig, dus die blijft toch roepen dat hij gelijk heeft en niet de arts.

Ik kan me voorstellen dat het soms voor mijn huisarts bijna grappig moet zijn hoe ik dingen kan verzinnen. Het is toch een stuk creativiteit van mijn hersenen dat ik overal enge ziektes bij kan bedenken.

Soms heb ik geen dokter nodig om er de humor van in te zien. Dan weet ik het zelf al. Vorig jaar ben ik veel afgevallen. Daar had ik verder niets voor gedaan, dus dat vond ik uiteraard eng, maar goed, het heeft ook voordelen. Zo heb ik bijvoorbeeld sinds heel veel jaren weer een gezond BMI.

Mijn lichaam veranderde uiteraard ook, door het afvallen. Recent stond ik met bonzend hart naar mijn knie te kijken. Wat zat daar opeens voor vréselijke bobbel boven? Had ik een enorme tumor in mijn bovenbeen? Het was zondagmorgen. De hypochonder was al in alle staten, want op zondagmorgen kun je geen dokter bellen en help, ik ging natuurlijk wel dood.

Het voordeel van knieën en benen is dat je er twee van hebt, dus die kun je met elkaar vergelijken. De hypochonder maakte er werk van en checkte snel het andere been. Huh, daar zat ook een bobbel boven de knie. Wacht eens even…

De angst duurde alles bij elkaar deze keer maar een paar seconden. Toen nam de humor het over. In mijn bovenbenen zitten namelijk spieren. Die zag ik. Heel snel kwam mijn hart weer tot rust en ging ik verder met de dag. En ik kon er niks aan doen, ik vond het grappig. Hypochondrie blijft stom, maar een beetje hypochondrische humor op z’n tijd werkt wel lekker relativerend. En als hypochondrie dan niet meer mag bestaan als term, pas ik ‘m wel aan. Dan heb ik vanaf nu ziekteangst, gecombineerd met humorchondrie. Is de DSM VI al in de maak om ‘m te noteren?

Slaap je niet dan rust je toch?

De laatste jaren heb ik niet zo goed naar mezelf geluisterd en daar betaal ik de prijs van vermoeidheid voor. Overprikkeling kan die vermoeidheid nog een beetje versterken. Toch word ik soms pas echt wakker op het moment dat ik ein-de-lijk mag gaan slapen. Niet grappig, wel goed voor bloginspiratie.

Vermoei(en)de dagen
Sinds een jaar ben ik van de middagdutjes. Ik moet ’s middags echt even slapen om de dagen vol te kunnen houden. Soms heb ik een energieke dag, maar zelfs (of misschien wel juist) dan ga ik ’s middags even naar bed om mezelf niet weer gelijk voorbij te rennen.

De vermoeidheid heeft mijn hypochondrie behoorlijk aangewakkerd. Nog steeds kan de vermoeidheid me heel bang maken, maar nu ik steeds meer logische (psychische) verklaringen krijg voor mijn vermoeidheid, kan ik het iets beter naast me neerleggen. Bovendien geniet ik van elke energieke seconde die ik heb.

Naar bed, naar bed…
Omdat ik een ritme aan wil houden, probeer ik niet al te vroeg naar bed te gaan. Toen ik nog werkte, lag ik er gerust om acht uur in, maar nu probeer ik dat te voorkomen. Soms moet ik echt moeite doen om mezelf ’s avonds na het eten wakker te houden. Dan breekt ein-de-lijk het moment aan dat ik naar bed mag en dan… wordt mijn hoofd wakker.

Het maakt niet uit of ik ’s middags wel of niet slaap (sterker nog, het lijkt erop dat ’s middags slapen zorgt voor een betere nachtrust dan ’s middags niet slapen), maar soms is mijn hoofd opeens wakker als ik eindelijk op bed lig. De hele dag ben ik dan duf geweest, maar zodra ik mag gaan slapen, besluit mijn hoofd dat het feest is.

De gedachten die dan komen, kunnen variëren. Het kan zijn dat ik opeens creatieve ideeën krijg of dat ik een baan wil zoeken. Meestal is het echter wat minder onschuldig en wordt de hypochonder wakker. Die praat me dan allerlei enge ziektes aan en ’s nachts gaat mijn verstand daar heel graag in mee. Na een kwartier in bed ben ik dan klaarwakker en doodsbang en weet ik dat ik slapen wel kan vergeten. Langzaam maar zeker tikken de uren dan weg en word ik steeds maar banger.

Slaap je niet dan rust je toch
Als kind was ik ook een slechte slaper. Mijn vader had de gewoonte om het cliché er dan in te gooien: “Slaap je niet dan rust je toch.” Dat vond ik onzin.

Mijn huisarts gooide hem er pas ook in, toen ik zei dat ik wel weer eens lekker wilde slapen: “Maar slaap je niet…” Ik liet hem de zin niet eens afmaken. Ik snap de theorie wel hoor, dat je ook kunt uitrusten zonder te slapen. Maar dat is wat anders dan dit. En dus maakte ik zelf zijn zin af: “…dan rust je in mijn geval ook niet, want dan word je gek van de angst en van de hypochonder die wakker is.” En ik blijf bij dat standpunt. ’s Middags een uurtje op de bank liggen zonder te slapen? Prima, dan rust je toch, denk ik. Maar niet als je doet wat ik ’s nachts doe. Dus na vandaag onderbreek ik iedereen die aan dit cliché begint en gooi ik die van mij erin: “Slaap je niet dan rust je ook niet.” Wie wil, mag ‘m overnemen.

Telefoonbandje

Wie belt met een servicelijn krijgt regelmatig een bandje. Je krijgt een eindeloze rij met keuzemogelijkheden, die vervolgens weer onderverdeeld zijn in nóg meer keuzemogelijkheden en uiteindelijk heb je (bij mazzel) de juiste persoon aan de lijn. Zo’n bandje leek me eigenlijk zelf ook wel wat, toen ik een telefonische afspraak had met de huisarts.

Het bandje bij de huisarts
Als ik de huisartsenpraktijk bel, krijg ik ook zo’n bandje. Omdat ik nu eenmaal regelmatig bel, ken ik het bandje uit mijn hoofd. Een vriendelijke stem vertelt me dat ik voor noodgevallen een één moet toetsen en geeft me vervolgens nog wat andere keuzemogelijkheden.

Ik geef toe dat ik eigenwijs ben en het bandje uit mijn hoofd denk te kennen. Totdat ze dus het bandje veranderden. Ik vond al dat de assistente zo vreemd had opgenomen, maar stelde toch gewoon mijn vraag. “Je belt nu de lijn voor overleg met collega’s.” Aha, was dat ‘t. Ze hadden ineens het bandje veranderd. Tegenwoordig luister ik dus braaf elke keer het hele bandje weer af tot ik bij de optie ben die ik moet hebben.

Met mij als patiënt zou je toch verwachten dat er wat extra opties bestaan:
– Toets dertien voor hypochondrie.
– Toets veertien voor het geven van een cabaretvoorstelling.
Maar ja, die opties bieden ze dus niet.

Het bandje van de hypochonder
Op een dag had ik een telefonische afspraak met de huisarts. Hij zou mij bellen. Ik houd niet van bellen, maar ik vond het een prima oplossing, aangezien het spreekuur vol zat. Maar ja, het ging niet zo heel lekker en ik had dikke stress, dus ik was nogal grappig.

Als de huisarts belt, herken ik het nummer. De vraag is dan alleen of ik de huisarts of een assistente krijg. En bovendien…ik had húlp nodig, dus mijn grapjes moest ik maar voor een blog bewaren.

Dit is hoe ik het liefst wilde opnemen:
“Dit is de telefoon van mevrouw De Hypochonder.
– Toets één voor een korte vraag.
– Toets twee voor een kleine cabaretvoorstelling.
– Toets drie voor een uitgebreide cabaretvoorstelling.
– Toets vier voor random grapjes.
– Toets vijf voor een serieus gesprek.
– Liever lezen dan praten? Toets op de rode knop en surf naar http://www.hoofdtaal.com. ”

In werkelijkheid nam ik natuurlijk keurig op met mijn voor- en achternaam. Bovendien belde de huisarts ‘onbekend’, waardoor ik het risico sowieso te groot vond om grappen te maken. Het kon ook zomaar iemand anders zijn. Soms is het zo fijn (voor anderen én mezelf) dat ik netjes ben opgevoed. Bewaar ik mijn grapjes wel voor een blogje.

Sollicitatiecommissie nieuwe huisarts

De huisartsenpraktijk waar ik patiënt ben, zocht een nieuwe huisarts. Het eerste wat ik me afvroeg was wie er zou vertrekken en ik hoopte dat dat niet mijn vaste huisarts zou zijn. Toen ik daar eenmaal geruststelling over had, besloot ik dat ik als meest frequente bezoeker een prima lid van de sollicitatiecommissie zou zijn. Niet dat het mijn huisarts zou worden, maar ik heb wel een mening over de ideale arts. Bovendien zou ik deze arts moeten bezoeken op de vrije dagen van mijn vaste huisarts, in geval van nood.

De hypochonder op het spreekuur
Als je mijn huisarts bent, kom ik je regelmatig met een bezoekje vereren. Sowieso kom ik elke drie weken even langs, want dat is een afspraak waar al mijn hulpverleners mee kunnen leven. Daarbij kan het voorkomen dat ik tussendoor nog een paniekje doe, dus dan kom ik een keer extra.

Er is natuurlijk allereerst dat moment van eerste kennismaking. Zo’n nieuwe huisarts ziet dan een jonge, zelfstandige, dappere, vrolijke vrouw. De eerste indruk zou zijn dat ik snel naar huis gestuurd moet worden, want ik heb geen dokter nodig. De tweede indruk zou zijn dat ik ook nog eens een bak met humor mee heb genomen. Ik moet snel naar het theater, in plaats van naar de huisarts.

De volgende indruk ligt aan de arts die tegenover me zit. Als die niet door me heen kan prikken, blijf ik leuk doen. Als de arts wel door me heen kan prikken, is de volgende indruk dat ik een bang, klein wezentje ben. En ja, natuurlijk speel ik zelf ook een rol in die indruk, maar onder de spanning van zo’n nieuwe arts kan ik nu eenmaal niet helemaal normaal doen.

Dit bied ik
In een advertentie staat vaak wat de organisatie te bieden heeft. Ik heb als hypochonder een nieuwe huisarts te bieden:

  • Gegarandeerd een vol spreekuur
  • Op z’n tijd een beetje cabaret in de spreekkamer
  • Kunstig bij elkaar gezochte diagnoses
  • Een stortvloed aan woorden
  • Angst

Dit zoek ik
Uiteraard moet in een advertentie ook altijd staan wat er verwacht wordt van de sollicitant. Ik zou zeggen dat ik het volgende verwacht van een nieuwe huisarts:

  • Accepteer mijn overlevingsstrategie ‘humor’.
  • Neem iets mee om door mijn masker heen te prikken.
  • Luister naar me.
  • Geef mij nooit het gevoel dat ik aan het zeuren ben. Dat weet ik zelf wel, namelijk.
  • Geloof wat ik zeg, ook als dat in strijd is met wat mijn gezicht laat zien.
  • Maak af en toe zelf een grapje.
  • Snap mijn grapjes.
  • Heb geduld, want dan is er meer dan mijn masker.
  • Zorg dat er altijd tissues in de buurt zijn.
  • Af en toe mijn blog lezen is geen voorwaarde, wel een pluspunt.
  • Zet de zoutpot klaar als ik kom. Af en toe is er namelijk een korreltje nodig.

Zo. Iemand? Solliciteren hoeft niet hoor, want mijn eigen huisarts is er nog en die voldoet aan de meeste eisen. Maar voor ’t geval dát…Ik heb het profiel vast opgesteld!  

De huisarts en de handpop

Een bang kind wordt bij een arts wel eens afgeleid met een pop of beer. Een zieke pop of een in verband gewikkeld beertje kan zo’n kind soms helpen. Prima idee wat mij betreft, maar bij dertigers werkt de tactiek niet, heb ik ondervonden.

Negatieve stemmetjes
Tijdens een consult bij de huisarts vertelde ik over mijn negatieve gedachten. Ik was zo vreselijk moe en mijn hypochondrie kon daar allerlei enge ziektes bij verzinnen. Hypochondrie en angst vertelden me dat ik echt heel erg ziek was, dat ik nooit meer een normaal leven op ging bouwen en dat ik nooit meer normaal zou kunnen werken.

De negatieve stemmetjes doen altijd hard hun best. De hypochonder laat zich in mijn leven niet negeren en krijgt graag wat aandacht. Ik ging ‘m even uitlaten bij de huisarts ter geruststelling, maar het liep nogal anders dan ik had bedacht.

De handpop
Handpop kijkt me al jaren tijdens ieder consult vrolijk aan. Handpop zit vrolijk in een hoekje, want ondanks een dikke pleister op het gezicht kan Handpop echt nog wel lachen. Ja, ik ben vergeten te vragen hoe Handpop heet. Laten we hem Harry noemen. Of misschien Hanny, want Handpop is vrij genderneutraal, maar ik ga voor Harry.

De huisarts stond op, haalde Harry en legde me met Harry op de hand uit dat ik die negatieve stemmetjes niet moest geloven. Ik vereenzelvigde me met de negatieve gedachten en dat was niet de bedoeling. Ik moest bedenken dat het de negatieve stemmetjes waren.

Harry demonstreerde even hoe het werkt met negatieve stemmetjes. Met vreemde stemmetjes begon de huisarts mijn negativiteit na te bootsen en vertelde er dan bij dat het Harry was die dat zei. Dat was ik niet, dat was Harry. Harry reisde mee op mijn schouder en zat me de hele dag negatieve dingen in te fluisteren. Uiteraard demonstreerden Harry en de huisarts dat even samen. Zie je het voor je? De rest van het consult kreeg Harry een plekje tegenover me, op de tafel.

De handpop en de autist
Harry had bij mij geen succes. Vroeger las mijn moeder de verhaaltjes met pratende beren al niet voor. Die vond ik namelijk stom (één van de weinige zichtbare autistische trekjes als kind). Misschien had ik dat even moeten vermelden in mijn blog over mijn voorlezende moeder, want dan had de huisarts dat geweten.

Hoe dan ook, Harry en de huisarts deden nogal hun best. Ik haakte af. “Ik ben dertig. Doe eens normaal. Doe dat ding weg. Bij mij werkt het zo niet ook, met negatieve gedachten.” Ik geef overigens toe dat ik het zó idioot vond dat het grappig werd, maar hallo, ik ben altijd de entertainer in die spreekkamer en nu waren de rollen ineens omgedraaid.

Harry krijgt een blog
Ik waarschuwde dat dit gedoe met Harry een blog ging worden. Toen Harry na die waarschuwing niet direct terug naar zijn plekje in de hoek ging, dreigde ik er zelfs een vlog van te maken. Maar ja, een blog over Harry en hem vond de (hier af en toe meelezende) huisarts geen enkel probleem. Blogjes maken was namelijk goed voor me. Deze blog is dus mede mogelijk gemaakt door Harry. Zo zie je maar dat Harry toch nog ergens goed voor is. Moet ik ‘m nog van iemand de groeten doen de volgende keer?

Meer lezen over de context? In de blog ‘Wat als mijn huisarts zou bloggen?’ leg ik het uit.

De hypochonder en het verstand

De hypochonder in mij is altijd in voor een nieuw onderzoek en voor een beetje geruststelling. Het verstand weet vaak wel beter, dus die twee voeren nogal eens strijd. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een bezoek aan de bedrijfsarts.

De bezoeken aan de bedrijfsarts vond ik één van de spannendste dingen na mijn ziekmelding. Ik was in het begin bang dat ze me terug naar mijn werk zou sturen, terwijl ik aan alles voelde dat ik daar nog lang niet aan toe was.

Ik trof gelukkig een bedrijfsarts die misschien nog wel beter dan ik in de gaten had hoe ik in elkaar zat. Deze arts prikte door me heen, betrapte me gelijk op toneelspel, kreeg me aan het huilen en stelde me gerust. Ze luisterde naar me, vroeg de juiste dingen en concludeerde dat ik vooral eerst maar eens beter moest worden. “Het belangrijkste is dat jij hier weer uit komt.” Opgelucht verliet ik na die eerste ontmoeting het gebouw. Deze arts begreep het en zette mijn herstel voorop.

Toch bleven de ontmoetingen spannend voor mij, ook al zei ze steeds dat dat niet nodig was. En het heeft even geduurd, maar inmiddels zie ik wel in dat ze écht het goede voor me aan het zoeken is.

Ik vertelde de bedrijfsarts dat ik zo vreselijk veel slaap. Zeker toen ik net thuis was, sliep ik ’s nachts vaak minstens tien uur. Ook ’s middags sliep ik dan nog minstens anderhalf uur. Ze concludeerde dat ik dus vaak meer dan de helft van de dag aan het slapen was.

Die vermoeidheid was iets waar ik al jaren last van had. Toen ik nog werkte, kon ik er alleen niet aan toegeven en dus ging ik maar door en door en door.

Omdat de vermoeidheid me al jaren zo bang maakte, had de hypochonder in mij al honderd keer aan de huisarts gevraagd wat er toch met me aan de hand was. Dat was volgens alle artsen die er al eens onderzoek naar hadden gedaan niet duidelijk. Nouja, lichamelijk was er niets aan te tonen, dus was het voor hen wél duidelijk: Ik was oververmoeid. Mijn psychische problemen zorgden voor mijn extreme vermoeidheid. Ik wilde dat nooit accepteren en vroeg keer op keer om nieuw bloedonderzoek. Dat kreeg ik uiteraard lang niet altijd, want ja, alles was al heel vaak gecheckt en nooit verklaarden de uitslagen mijn vermoeidheid.

Toen zat ik dus op een dag bij de bedrijfsarts. Ik had inmiddels zelf geaccepteerd dat mijn vermoeidheid toch echt veroorzaakt werd door mijn psychische problemen. Zij dacht er echter anders over. “Ik wil lichamelijke oorzaken uitsluiten. Kun je je huisarts vragen om bloedonderzoek bij je te doen?” Jaaaaa! Dat wil ik! Lekker weer prikken, riep de hypochonder in mij. Lichamelijke oorzaken uitsluiten is míjn tekst, vond de hypochonder ook. Maar ik zei iets heel anders. Nu iemand anders mijn denkbeelden aan het verwoorden was, was ik opeens één en al verstandigheid: “Nou, dat is allemaal al uitgezocht hoor,” zei ik. Maar ze wilde het graag toch nog een keer laten doen.

Ik ging naar de huisarts en vroeg om bloedonderzoek, maar gaf aan dat ik zelf dacht dat het niet echt nodig was. “Dat zijn mijn teksten hè, die van de arbo.” Dat was grappig. De huisarts zag het ook gebeuren. Normaal maak ik me zorgen en wil ik onderzoek. Nu wilde een ander onderzoek en werd ineens het verstand sterker dan de hypochondrie. Toch stemde de huisarts in met onderzoek. En ik? Stiekem baalde ik. Ik vond mezelf namelijk net zo vreselijk stoer dat ik het niet nodig vond. Tja, ik heb het geloof ik eerder gezegd, maar die hypochonder in mij is een ingewikkelde patiënt.

Goedbedoeld advies

Soms drijft mijn hypochondrie me tot waanzin. Angst beheerst me dan en dat is behoorlijk heftig. Ik weet dat ik dan afleiding moet zoeken, door bijvoorbeeld te wandelen, een boek te lezen of een kleurplaat te pakken.

Die afleiding is de eerste stap. Daarnaast staat er altijd nog een consult met de huisarts gepland. Ik kan mijn klachten dus opschrijven en ze vervolgens ‘parkeren’ tot dat volgende consult.

Soms is afleiding niet genoeg. Dan blijft de angst me beheersen en kan ik aan niets anders meer denken. Ja, ik loop dan wel een rondje, maar ik kan tijdens dat rondje alleen maar bedenken dat ik doodziek ben. En ja, ik pak dan wel een kleurplaat, maar ik kan alleen maar bedenken dat dat de oplossing niet is. In zo’n geval breekt er paniek uit. Dan is er nog één laatste, tijdelijke oplossing. Die laatste oplossing heet geruststelling. Ik weet ook wel dat dat niet altijd handig is, maar ja, als angst je tot waanzin drijft, is het soms nog de enige optie.

Mezelf geruststellen kan ik niet. Een ander kan dat ook niet. Een vriendin kan heus wel zeggen dat er niets aan de hand is, maar dat weet ik zelf met mijn verstand ook. Ik geloof het pas als een arts dat heeft bevestigd, want die heeft er verstand van.

Pas had ik zo’n geval. Ik had een paar drukke weken achter de rug en mijn hypochondrie reageerde er nogal op. Opeens werd álles wat ik voelde eng. Er stond nog een afspraak met de huisarts. Ik had al bijna twee weken mezelf verteld dat ik niet eerder zou bellen en dat ik de angst kon verdragen. Ik kon het niet. Twee dagen voor de geplande afspraak hielp niets meer. Ik wist dat er nog één oplossing was: Hulp zoeken.

Dat deed ik. Ik mailde mijn psycholoog. Dat bleek echter niet genoeg. Ik had een arts nodig, merkte ik en dus belde ik de huisartsenpraktijk. Ik legde uit dat het niet meer ging en dat ik graag een arts zou zien. Moeilijk, moeilijk, druk, druk. Daar schoot ik al op slot. Ik wil niemand tot last zijn, dus ja, dan maar niet. De assistente zou het met de huisarts overleggen en me dan terugbellen. Niet veel later ging de telefoon. “Hij zegt dat je afleiding moet zoeken. Een rondje wandelen, even iemand bellen, kun je niet naar iemand toe?” Serieus?! Die fase was ik dus al láng voorbij. En nee, ik kon niet naar iemand toe. Dat was op dat moment echt geen optie meer. De angst was al veel te groot geworden. Ik was inmiddels aan de grote schoonmaak begonnen en dat vond de assistente een heel goed idee. Ik niet. Ik heb een dokter nodig. Ze legde uit dat ik het nog maar even aan moest kijken en tot de geplande afspraak vol moest proberen te houden. Ik kon wel komen, maar dan moesten anderen worden afgezegd, dus liever niet. Mijn autisme liet me op dat moment mijn tong verliezen. Ik stemde in, terwijl ik heus wel wist dat ik het niet zou redden.

Vervolgens belde mijn psycholoog me, naar aanleiding van mijn mail. Zijn conclusie was al heel snel helder. Ik had een dokter nodig. Hij adviseerde me dan ook om wél die anderen af te laten bellen. Ik legde uit dat ik echt niet nog een keer zou bellen, want ik had gezegd dat ik het tot de geplande afspraak uit zou houden. Hij adviseerde me dringend daar nu op terug te komen. Ik was eigenwijs en deed het niet.

Mijn vriendin was gelukkig ook (eigen)wijs. Ik voelde me zó stom dat ik eigenlijk geen bezoek wilde ontvangen. Maar zij begreep dat ik wél iemand nodig had en ze kwam. Dat was fijn. Geruststellen kon ze me niet. Wel uitleggen dat deze angst een reactie was op de volle laatste weken en me even afleiden.

Ik wachtte op de geplande afspraak met de huisarts. Ik poetste me een berg spierpijn, wandelde, kleurde en was verdrietig. Het ging niet. Ik had, zoals mijn crisisplan dat voorschrijft, de huisarts gebeld. Ik háát bellen. Dus áls ik bel, is er echt wel iets aan de hand. Met een goedbedoeld advies als wandelen kon ik even niks. Maar ja, dat kon ik aan de telefoon niet zeggen. Bellen vind ik namelijk drama, omdat ik dan de sociale interactie niet goed in kan schatten. Conclusie 1: Soms zou het fijn zijn als ik geen toneelschooldiploma op zak heb. Conclusie 2: Het zou fijn zijn als mensen me geloven als ik zeg dat het niet gaat.

De slotconclusie trok de huisarts, toen ik ein-de-lijk op het geplande consult kwam. “Als jij belt, moet er gezorgd worden dat je contact hebt met een arts. Als het niet op het spreekuur kan, moet een arts je even terugbellen.” Prima plan, maar ik geef toe dat ik eerst wil zien, voor ik ga geloven.

“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.