Komt een hypochonder bij de huisarts

De laatste weken had ik veel vaker dan officieel toegestaan contact met de huisarts. Opeens bedacht ik, lekker buiten op de fiets, dat het al tien dagen geleden was dat ik een (al dan niet telefonisch) consult had gehad. Een nieuw record, voor de afgelopen weken. De hypochonder was trots. Prompt was de volgende dag zo’n dag. Zo’n dag dat de hypochonder nogal hyperactief was en zelfs overwoog om de huisarts te bellen. Het is weekend, vond het verstand, doe normaal. Maar de hypochonder wist wel beter: Nou, ze worden in ’t weekend ook gewoon betaald hoor. Extra zelfs, dus wat kan jou ’t schelen.

Gratis consult
Het verstand won, want er was helemaal niets aan de hand. Bovendien wist ik ook wel hoe zo’n consult zou gaan. Eigenlijk gaan consulten met de hypochonder in mij namelijk altijd hetzelfde. Een gesprek tussen de huisarts en mijn hypochondrie ziet er ongeveer zo uit:

– Wat is er aan de hand?
Ik ga dood.
– Ja, dat klopt. Maar dat duurt nog wel even.
Nou, dat durf ik te betwijfelen.
– Daar blijven we het over oneens, over dat moment. Wat maakt je nu bang?
Hier volgt dan altijd een vage klacht.
– En sinds wanneer heb je daar last van?
Noemt exacte dag en datum en liefst tijd.
– Oké. Wat denk je zelf dat het is?
Ja, duhu, ik ga dood.
– Heb je op internet gekeken?
Nee, natuurlijk niet, dat is verboden.
– Wil je dat ik er even naar kijk?
JAAAAAA!
– Huisarts doet onderzoek.
En, ga ik dood?
– Ja, maar dat wist je al. Maar niet hieraan en ook niet snel.
O, wat is het dan?
– Huisarts geeft onschuldige verklaring.
Dus ik stel me weer aan?
– Nee, je stelt je niet aan, je vóelt dat wel echt, maar het is niets ernstigs.
En toch vind ik het stom.
– Ja, daar kan ik niks aan veranderen, dat jij dat vindt. Is er verder nog iets?
Nee, dit was ‘t.

Tochtje naar de deur en een laatste advies.
– Dan mag je een nieuwe afspraak maken over … weken.
Oké, ik hoop dat ik het uithoud.

Of, zeldzaam, maar ook één keer voorgekomen bij blinde paniek:
-Dan mag je een volgende afspraak maken voor wanneer jij denkt dat goed is.
Oké, tot morgen!
Maar ik maakte braaf een afspraak voor over drie weken. Een consult zonder grapje is namelijk geen consult.

Nou, zie je, ik heb zo’n consult helemaal niet nodig. Ik kan het zelf. Gratis en voor niets.

Keuzestress

Er stond een week in mijn agenda met vier dagen achter elkaar één of meerdere afspraken. Dat was voor mijn doen een beetje veel, want dat kan ik op dit moment niet overzien. Maar ja, ik kon toch niets afzeggen? Of kon ik dat wel?

Plannen
Ik ben een enorme structuurjunk. Ik ga het allerbeste op een strakke planning, waarbij er ruim voldoende tijd is ‘ingepland’ voor boeken lezen, kleuren, handletteren en dat soort dingen.

In het verleden is het me regelmatig verboden om lijstjes te maken. Tegenwoordig, met de diagnose autisme op zak, begrijpt iedereen dat lijstjes voor mij wel handig zijn en dus zijn ze nu ‘legaal’ en daar maak ik gebruik van. Ik plan bijna alles in. Van douchen tot koken tot slapen. Ik plan het niet op tijd, maar wel op volgorde en dat bevalt me goed.

In de week die kwam, zag ik veel dagen met energievretende afspraken. Soms ook dagen met twee of meer van die afspraken. Dat kon niet goed gaan, maar ik zag ook niet in waar ik kon schrappen.

Energieslurpers
Eén van de energievretende afspraken in die week was een gesprek met de huisarts. Hij vond zelf dat hij mijn energievoorraad voor vijftig procent leeg zat te halen, maar ik maakte daar negentig van. Dat vond hij een hele eer.

Ik had natuurlijk die afspraak met de huisarts af kunnen zeggen, want ja, zo’n afspraak kost bakken energie, maar ik had ‘m ook nodig. Er moest weer even wat rust worden aangebracht in de chaos in mijn hoofd. Verder stond er die week, verdeeld over vier dagen, op de planning:
– Ontmoeting met bevriende collega’s.
– Bedrijfsarts.
– Fysiotherapeut.
– Lunch bij mijn moeder.
– Psycholoog.
– Verjaardag van een familielid.

Ik zat de huisarts te vertellen dat overprikkeling mijn grootste probleem is en dat ik nog steeds de week soms niet kan overzien, zelfs niet met zo weinig afspraken als dit. Hij kon zo even opnoemen hoeveel energie al die afspraken slurpten.

Ik kan niet kiezen
Om ervoor te zorgen dat ik de week goed door zou komen, moest ik keuzes maken, vond de huisarts. Dat was ik wel met hem eens, maar ik zag niet in hoe ik dat kon doen. “Ik ga echt die verjaardag niet afzeggen. Die jarige betekent veel voor me.” Dat kon allemaal wel zijn, maar de verjaardag stond die avond gepland en hij zat dus mijn energievoorraad al leeg te trekken. Ik moest dan aan het begin van de avond nog maar even rusten en daarna naar die verjaardag en niet te lang blijven. Niet te lang blijven was ook mijn plan, maar daar ben ik meestal niet zo goed in. Het mag dan energie vreten, gezellig is het namelijk ook…

Ik begon uit te leggen dat ik vond dat er niet echt keuzes vielen te maken. “De arbo kost het meeste angst en energie, maar ja, die kan ik niet echt afzeggen, hè?” Dat kon inderdaad niet. Ik moest verstandige, slimme keuzes maken. “Nou, die lunch bij m’n moeder was ook belangrijk voor me. Ga ik toch niet afzeggen?” Bovendien was die lunch toen al achter de rug. Ik was ‘maar’ twee uur geweest, vond ik. Hij vond dat érg lang. “Twéé uur met prikkels en een beetje vrolijk zitten doen. Dat vreet energie.” O, oké dan. De afspraak met mijn psycholoog zou ik dan wel afzeggen, maar dat was uiteraard ook een heel slecht plan. Ik zag zijn haren spontaan grijs worden en de rimpels in zijn voorhoofd schieten. Ik was namelijk weer een partij eigenwijs aan het doen.

Uiteindelijk vond ik dat hij beter door kon gaan naar het volgende punt op mijn lijstje (jep, structuurjunk, ik maak lijstjes als ik naar de huisarts ga). Dat deed hij, maar hij kon het toch niet laten: “Ik heb er genoeg over gezegd, denk ik. Volgens mij is het punt duidelijk.” Het punt was zeker duidelijk. Ik luister ook heus wel en heb al vaker op zijn aanraden afspraken laten schieten. Maar ik vind het zó moeilijk om voor mijn idee ‘op halve kracht’ of eigenlijk nog veel minder te leven. Die avond lag ik dus eerst een poos op de bank. Daarna ging ik naar de verjaardag en keurig op tijd lag ik weer in bed. Ik leer het wel hoor, maar ik weet nog niet of ik het ook leuk vind. In ieder geval was ik blij dat de week die volgde een stuk rustiger was, zodat ik geen keuzestress hoefde te hebben.

Sollicitatiecommissie nieuwe huisarts

De huisartsenpraktijk waar ik patiënt ben, zocht een nieuwe huisarts. Het eerste wat ik me afvroeg was wie er zou vertrekken en ik hoopte dat dat niet mijn vaste huisarts zou zijn. Toen ik daar eenmaal geruststelling over had, besloot ik dat ik als meest frequente bezoeker een prima lid van de sollicitatiecommissie zou zijn. Niet dat het mijn huisarts zou worden, maar ik heb wel een mening over de ideale arts. Bovendien zou ik deze arts moeten bezoeken op de vrije dagen van mijn vaste huisarts, in geval van nood.

De hypochonder op het spreekuur
Als je mijn huisarts bent, kom ik je regelmatig met een bezoekje vereren. Sowieso kom ik elke drie weken even langs, want dat is een afspraak waar al mijn hulpverleners mee kunnen leven. Daarbij kan het voorkomen dat ik tussendoor nog een paniekje doe, dus dan kom ik een keer extra.

Er is natuurlijk allereerst dat moment van eerste kennismaking. Zo’n nieuwe huisarts ziet dan een jonge, zelfstandige, dappere, vrolijke vrouw. De eerste indruk zou zijn dat ik snel naar huis gestuurd moet worden, want ik heb geen dokter nodig. De tweede indruk zou zijn dat ik ook nog eens een bak met humor mee heb genomen. Ik moet snel naar het theater, in plaats van naar de huisarts.

De volgende indruk ligt aan de arts die tegenover me zit. Als die niet door me heen kan prikken, blijf ik leuk doen. Als de arts wel door me heen kan prikken, is de volgende indruk dat ik een bang, klein wezentje ben. En ja, natuurlijk speel ik zelf ook een rol in die indruk, maar onder de spanning van zo’n nieuwe arts kan ik nu eenmaal niet helemaal normaal doen.

Dit bied ik
In een advertentie staat vaak wat de organisatie te bieden heeft. Ik heb als hypochonder een nieuwe huisarts te bieden:

  • Gegarandeerd een vol spreekuur
  • Op z’n tijd een beetje cabaret in de spreekkamer
  • Kunstig bij elkaar gezochte diagnoses
  • Een stortvloed aan woorden
  • Angst

Dit zoek ik
Uiteraard moet in een advertentie ook altijd staan wat er verwacht wordt van de sollicitant. Ik zou zeggen dat ik het volgende verwacht van een nieuwe huisarts:

  • Accepteer mijn overlevingsstrategie ‘humor’.
  • Neem iets mee om door mijn masker heen te prikken.
  • Luister naar me.
  • Geef mij nooit het gevoel dat ik aan het zeuren ben. Dat weet ik zelf wel, namelijk.
  • Geloof wat ik zeg, ook als dat in strijd is met wat mijn gezicht laat zien.
  • Maak af en toe zelf een grapje.
  • Snap mijn grapjes.
  • Heb geduld, want dan is er meer dan mijn masker.
  • Zorg dat er altijd tissues in de buurt zijn.
  • Af en toe mijn blog lezen is geen voorwaarde, wel een pluspunt.
  • Zet de zoutpot klaar als ik kom. Af en toe is er namelijk een korreltje nodig.

Zo. Iemand? Solliciteren hoeft niet hoor, want mijn eigen huisarts is er nog en die voldoet aan de meeste eisen. Maar voor ’t geval dát…Ik heb het profiel vast opgesteld!  

Wat als mijn huisarts zou bloggen?

Het artikel over de huisarts en de handpop leek nogal wat los te maken. De statistieken gingen volgens de melding van WordPress door het plafond en er zijn wat gemengde reacties. Er was uiteraard meer dan Harry de handpop. Dat is voer voor dit artikel. En hoewel ik in mijn ‘kennismaking’ op deze blog al schrijf dat je alles bij mij met een korreltje zout moet nemen, voelt dit toch als een soort ter verantwoording komen. Maar deze blog was er sowieso gekomen. Het werd echter te lang om alles in één blog te doen.  

Bloggende patiënten
Er zijn in blogland veel patiënten te vinden. Veel ervaringen over ziekenhuizen, artsen en de GGZ worden in blogland beschreven en gelezen. En tja, de artsen moeten het maar laten gebeuren.

Wat er gebeurt als ik naar de huisarts ga, is dat ik stress heb. Ik blijf het elke keer spannend vinden, want ik vind het bijzonder moeilijk om mezelf écht te laten zien. Ik zet graag mijn lollige masker op en breek daar niet altijd doorheen.

Tijdens zo’n consult met masker op blijf ik maar grappen maken en druk doen. Als iets niet werkt, roep ik altijd heel hard dat het een blog wordt. Als mijn huisarts dat zou ‘verbieden’, zou ik dat respecteren. Meestal is de sfeer gemoedelijk en worden er over en weer grapjes gemaakt. Op mijn opmerking dat er een blog ontstaat, is de reactie meestal de vraag wat er dan verkeerd gaat. Blogjes ontstaan namelijk meestal uit frustratie.

De aanloop naar Harry
Hier en daar moet er een korreltje zout aan mijn blogs worden toegevoegd, maar toch zijn mijn blogs altijd eerlijk en waar. Dus ja, ook de blog over Harry de handpop is waar.

Harry had echter wel een aanloop. Om duidelijk te maken wat negatieve gedachten zijn, moest ik een naam zeggen. Een naam van een leerling die ik irritant vond. En dat weigerde ik. Ik wist heus wel waar het naartoe zou gaan, maar ik weigerde een naam van een leerling te noemen. Ten eerste moest ik namelijk vrij diep graven voor zo’n naam. Kinderen die ‘irritant’ zijn, zijn dat namelijk met een reden, dus echt irritant vind ik ze nooit. Ten tweede vond ik dat het noemen van een naam niet gepast was in het kader van de privacy.

Uiteindelijk kwamen we op een naam van iemand anders die ik wél echt irritant vind. Iemand die me zachtjes uitgedrukt getraumatiseerd heeft. Maar omdat ik nogal wachtte met een naam, kwam handpop tevoorschijn. Handpop kreeg dus een naam, maar dat neemt niet weg dat ik wel graag de echte naam van handpop had geweten en daarom doopte ik hem thuis al heel snel Harry.

Bloggende artsen?
Eenmaal thuis ging ik aan het schrijven, want er was weer voldoende inspiratie. Maar nu komt de grap. Ik vroeg me opeens af wat mijn huisarts zou schrijven als hij zou bloggen. Ik zet hier wel ‘alles’ gezellig online, maar wat als hij dat zou doen? Ik zou het stiekem grappig vinden om zijn blogs over mij te lezen. Ik vrees namelijk dat ik zo’n irritante patiënt ben. Zo iemand waarvan je de handpop die naam zou geven. En nee, dat is niet grappig. Dat is irritant.

Ik zou namelijk veel liever niet grappig zijn. Ik zou liever gewoon kunnen zeggen wat er in me leeft. En het lukt me niet. Ook niet met Harry. Dat lijkt me voor artsen behoorlijk frustrerend én blogwaardig. En hé, ik houd niemand tegen, zolang (net als bij mij) de anonimiteit maar gewaarborgd is.

De huisarts en de handpop

Een bang kind wordt bij een arts wel eens afgeleid met een pop of beer. Een zieke pop of een in verband gewikkeld beertje kan zo’n kind soms helpen. Prima idee wat mij betreft, maar bij dertigers werkt de tactiek niet, heb ik ondervonden.

Negatieve stemmetjes
Tijdens een consult bij de huisarts vertelde ik over mijn negatieve gedachten. Ik was zo vreselijk moe en mijn hypochondrie kon daar allerlei enge ziektes bij verzinnen. Hypochondrie en angst vertelden me dat ik echt heel erg ziek was, dat ik nooit meer een normaal leven op ging bouwen en dat ik nooit meer normaal zou kunnen werken.

De negatieve stemmetjes doen altijd hard hun best. De hypochonder laat zich in mijn leven niet negeren en krijgt graag wat aandacht. Ik ging ‘m even uitlaten bij de huisarts ter geruststelling, maar het liep nogal anders dan ik had bedacht.

De handpop
Handpop kijkt me al jaren tijdens ieder consult vrolijk aan. Handpop zit vrolijk in een hoekje, want ondanks een dikke pleister op het gezicht kan Handpop echt nog wel lachen. Ja, ik ben vergeten te vragen hoe Handpop heet. Laten we hem Harry noemen. Of misschien Hanny, want Handpop is vrij genderneutraal, maar ik ga voor Harry.

De huisarts stond op, haalde Harry en legde me met Harry op de hand uit dat ik die negatieve stemmetjes niet moest geloven. Ik vereenzelvigde me met de negatieve gedachten en dat was niet de bedoeling. Ik moest bedenken dat het de negatieve stemmetjes waren.

Harry demonstreerde even hoe het werkt met negatieve stemmetjes. Met vreemde stemmetjes begon de huisarts mijn negativiteit na te bootsen en vertelde er dan bij dat het Harry was die dat zei. Dat was ik niet, dat was Harry. Harry reisde mee op mijn schouder en zat me de hele dag negatieve dingen in te fluisteren. Uiteraard demonstreerden Harry en de huisarts dat even samen. Zie je het voor je? De rest van het consult kreeg Harry een plekje tegenover me, op de tafel.

De handpop en de autist
Harry had bij mij geen succes. Vroeger las mijn moeder de verhaaltjes met pratende beren al niet voor. Die vond ik namelijk stom (één van de weinige zichtbare autistische trekjes als kind). Misschien had ik dat even moeten vermelden in mijn blog over mijn voorlezende moeder, want dan had de huisarts dat geweten.

Hoe dan ook, Harry en de huisarts deden nogal hun best. Ik haakte af. “Ik ben dertig. Doe eens normaal. Doe dat ding weg. Bij mij werkt het zo niet ook, met negatieve gedachten.” Ik geef overigens toe dat ik het zó idioot vond dat het grappig werd, maar hallo, ik ben altijd de entertainer in die spreekkamer en nu waren de rollen ineens omgedraaid.

Harry krijgt een blog
Ik waarschuwde dat dit gedoe met Harry een blog ging worden. Toen Harry na die waarschuwing niet direct terug naar zijn plekje in de hoek ging, dreigde ik er zelfs een vlog van te maken. Maar ja, een blog over Harry en hem vond de (hier af en toe meelezende) huisarts geen enkel probleem. Blogjes maken was namelijk goed voor me. Deze blog is dus mede mogelijk gemaakt door Harry. Zo zie je maar dat Harry toch nog ergens goed voor is. Moet ik ‘m nog van iemand de groeten doen de volgende keer?

Meer lezen over de context? In de blog ‘Wat als mijn huisarts zou bloggen?’ leg ik het uit.

De hypochonder en het verstand

De hypochonder in mij is altijd in voor een nieuw onderzoek en voor een beetje geruststelling. Het verstand weet vaak wel beter, dus die twee voeren nogal eens strijd. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een bezoek aan de bedrijfsarts.

De bezoeken aan de bedrijfsarts vond ik één van de spannendste dingen na mijn ziekmelding. Ik was in het begin bang dat ze me terug naar mijn werk zou sturen, terwijl ik aan alles voelde dat ik daar nog lang niet aan toe was.

Ik trof gelukkig een bedrijfsarts die misschien nog wel beter dan ik in de gaten had hoe ik in elkaar zat. Deze arts prikte door me heen, betrapte me gelijk op toneelspel, kreeg me aan het huilen en stelde me gerust. Ze luisterde naar me, vroeg de juiste dingen en concludeerde dat ik vooral eerst maar eens beter moest worden. “Het belangrijkste is dat jij hier weer uit komt.” Opgelucht verliet ik na die eerste ontmoeting het gebouw. Deze arts begreep het en zette mijn herstel voorop.

Toch bleven de ontmoetingen spannend voor mij, ook al zei ze steeds dat dat niet nodig was. En het heeft even geduurd, maar inmiddels zie ik wel in dat ze écht het goede voor me aan het zoeken is.

Ik vertelde de bedrijfsarts dat ik zo vreselijk veel slaap. Zeker toen ik net thuis was, sliep ik ’s nachts vaak minstens tien uur. Ook ’s middags sliep ik dan nog minstens anderhalf uur. Ze concludeerde dat ik dus vaak meer dan de helft van de dag aan het slapen was.

Die vermoeidheid was iets waar ik al jaren last van had. Toen ik nog werkte, kon ik er alleen niet aan toegeven en dus ging ik maar door en door en door.

Omdat de vermoeidheid me al jaren zo bang maakte, had de hypochonder in mij al honderd keer aan de huisarts gevraagd wat er toch met me aan de hand was. Dat was volgens alle artsen die er al eens onderzoek naar hadden gedaan niet duidelijk. Nouja, lichamelijk was er niets aan te tonen, dus was het voor hen wél duidelijk: Ik was oververmoeid. Mijn psychische problemen zorgden voor mijn extreme vermoeidheid. Ik wilde dat nooit accepteren en vroeg keer op keer om nieuw bloedonderzoek. Dat kreeg ik uiteraard lang niet altijd, want ja, alles was al heel vaak gecheckt en nooit verklaarden de uitslagen mijn vermoeidheid.

Toen zat ik dus op een dag bij de bedrijfsarts. Ik had inmiddels zelf geaccepteerd dat mijn vermoeidheid toch echt veroorzaakt werd door mijn psychische problemen. Zij dacht er echter anders over. “Ik wil lichamelijke oorzaken uitsluiten. Kun je je huisarts vragen om bloedonderzoek bij je te doen?” Jaaaaa! Dat wil ik! Lekker weer prikken, riep de hypochonder in mij. Lichamelijke oorzaken uitsluiten is míjn tekst, vond de hypochonder ook. Maar ik zei iets heel anders. Nu iemand anders mijn denkbeelden aan het verwoorden was, was ik opeens één en al verstandigheid: “Nou, dat is allemaal al uitgezocht hoor,” zei ik. Maar ze wilde het graag toch nog een keer laten doen.

Ik ging naar de huisarts en vroeg om bloedonderzoek, maar gaf aan dat ik zelf dacht dat het niet echt nodig was. “Dat zijn mijn teksten hè, die van de arbo.” Dat was grappig. De huisarts zag het ook gebeuren. Normaal maak ik me zorgen en wil ik onderzoek. Nu wilde een ander onderzoek en werd ineens het verstand sterker dan de hypochondrie. Toch stemde de huisarts in met onderzoek. En ik? Stiekem baalde ik. Ik vond mezelf namelijk net zo vreselijk stoer dat ik het niet nodig vond. Tja, ik heb het geloof ik eerder gezegd, maar die hypochonder in mij is een ingewikkelde patiënt.

De ideale wachtkamer

Wachten is voor de meeste mensen niet hun favoriete bezigheid en dat geldt zeker ook voor mij. Ik schreef al eens over de wachtkamer bij de huisarts en de bijbehorende ergernissen.

Inmiddels heb ik ook vele uren doorgebracht in wachtkamers van GGZ-instellingen. De meeste wachtkamers waren groot en druk. Soms zat er in zo’n wachtkamer een gezin, wachtend op één van de gezinsleden die op dat moment bij de behandelaar binnen was. Ik vond dat vreselijk. Ik kwam dan net uit mijn werk, had de hele dag bergen met prikkels aan mijn hoofd gehad in een klas vol pubers, was compleet in de zenuwen voor therapie en dan kwam ik in een wachtkamer vol met prikkels en herrie. In zo’n geval was een sessie al bij voorbaat gedoemd te mislukken. Ik heb zelfs een keer overwogen om op de gang te wachten, toen ik op de trap al hoorde dat een klein kind de wachtkamer op stelten zette. Ik deed het niet, maar weet zeker dat ik het beter wel had kunnen doen. Door overprikkeling was de therapiesessie namelijk totaal niets meer waard.

Behalve de overprikkeling was er altijd nog een ander probleem. Vrijwel niemand wist dat ik onder behandeling was. Ik maakte me dan ook altijd zorgen dat ik een wachtkamer binnen zou stappen en ineens een bekende zou zien of bijvoorbeeld een leerling. Iets ergers dan dat kon ik me niet voorstellen. Ik koos mijn plaats altijd zorgvuldig. Ik ging zo zitten dat ik vanaf de gang niet zichtbaar was. Mocht er dan een bekende uit één van de behandelkamers stappen, kon ik in ieder geval niet betrapt worden.

Op een dag stapte ik een nieuwe wachtkamer binnen. Ik had namelijk een nieuwe behandelaar, bij een andere praktijk. Natuurlijk vond ik dat spannend. Zou het me lukken in gesprek te gaan met een nieuwe behandelaar, zonder dat er sprake was geweest van het overdragen van het dossier? En ja, eerlijk is eerlijk, een nieuwe omgeving vind ik ook ongemakkelijk. Waar moet ik parkeren? Hoe ziet het gebouw eruit? Waar moet ik wachten? Voor het parkeren had ik uiteraard de oplossing. Ik reed gewoon voorafgaand aan de afspraak al een keer langs de praktijk. Probleem opgelost.

Het moment van de eerste afspraak brak aan. Ik kwam in complete stress binnen, maar al heel snel appte ik naar mijn vriendin: Ze scoren hier punten. Ik kwam namelijk binnen in een kleine praktijk. Iemand deed persoonlijk de deur voor me open en wees me de wachtkamer. Mijn mond viel open van verbazing. Ik kwam terecht in een kleine wachtkamer met ruimte voor maar een paar mensen en er was verder niemand. Er was verder niemand! Feest in mijn hoofd! Toen ik eenmaal zat, hoorde ik heel zacht op de achtergrond een muziekje spelen. Muziek die me raakte. Ik wilde het horen en dat ging prima. Vanwege het ideale volume was de muziek echter ook te negeren, als ik dat liever zou willen. Ik keek eens om me heen. Er lagen wat tijdschriften en er lag wat speelgoed, maar alles was netjes opgeruimd. De muziek bleef me raken. Ik hoorde verder niks. Het was zó stil dat ik de stilte kon horen. En er was dus niemand. Langzaam maar zeker kwam ik tot rust, terwijl ik daar zat te wachten. Dat gebeurde inmiddels al heel wat keren, daar in die wachtkamer.

Ik heb dus de ideale wachtkamer gevonden. Ik zou er uren door kunnen brengen, zelfs als ik geen afspraak heb. Want daar is rust. En rust is fijn.

Goedbedoeld advies

Soms drijft mijn hypochondrie me tot waanzin. Angst beheerst me dan en dat is behoorlijk heftig. Ik weet dat ik dan afleiding moet zoeken, door bijvoorbeeld te wandelen, een boek te lezen of een kleurplaat te pakken.

Die afleiding is de eerste stap. Daarnaast staat er altijd nog een consult met de huisarts gepland. Ik kan mijn klachten dus opschrijven en ze vervolgens ‘parkeren’ tot dat volgende consult.

Soms is afleiding niet genoeg. Dan blijft de angst me beheersen en kan ik aan niets anders meer denken. Ja, ik loop dan wel een rondje, maar ik kan tijdens dat rondje alleen maar bedenken dat ik doodziek ben. En ja, ik pak dan wel een kleurplaat, maar ik kan alleen maar bedenken dat dat de oplossing niet is. In zo’n geval breekt er paniek uit. Dan is er nog één laatste, tijdelijke oplossing. Die laatste oplossing heet geruststelling. Ik weet ook wel dat dat niet altijd handig is, maar ja, als angst je tot waanzin drijft, is het soms nog de enige optie.

Mezelf geruststellen kan ik niet. Een ander kan dat ook niet. Een vriendin kan heus wel zeggen dat er niets aan de hand is, maar dat weet ik zelf met mijn verstand ook. Ik geloof het pas als een arts dat heeft bevestigd, want die heeft er verstand van.

Pas had ik zo’n geval. Ik had een paar drukke weken achter de rug en mijn hypochondrie reageerde er nogal op. Opeens werd álles wat ik voelde eng. Er stond nog een afspraak met de huisarts. Ik had al bijna twee weken mezelf verteld dat ik niet eerder zou bellen en dat ik de angst kon verdragen. Ik kon het niet. Twee dagen voor de geplande afspraak hielp niets meer. Ik wist dat er nog één oplossing was: Hulp zoeken.

Dat deed ik. Ik mailde mijn psycholoog. Dat bleek echter niet genoeg. Ik had een arts nodig, merkte ik en dus belde ik de huisartsenpraktijk. Ik legde uit dat het niet meer ging en dat ik graag een arts zou zien. Moeilijk, moeilijk, druk, druk. Daar schoot ik al op slot. Ik wil niemand tot last zijn, dus ja, dan maar niet. De assistente zou het met de huisarts overleggen en me dan terugbellen. Niet veel later ging de telefoon. “Hij zegt dat je afleiding moet zoeken. Een rondje wandelen, even iemand bellen, kun je niet naar iemand toe?” Serieus?! Die fase was ik dus al láng voorbij. En nee, ik kon niet naar iemand toe. Dat was op dat moment echt geen optie meer. De angst was al veel te groot geworden. Ik was inmiddels aan de grote schoonmaak begonnen en dat vond de assistente een heel goed idee. Ik niet. Ik heb een dokter nodig. Ze legde uit dat ik het nog maar even aan moest kijken en tot de geplande afspraak vol moest proberen te houden. Ik kon wel komen, maar dan moesten anderen worden afgezegd, dus liever niet. Mijn autisme liet me op dat moment mijn tong verliezen. Ik stemde in, terwijl ik heus wel wist dat ik het niet zou redden.

Vervolgens belde mijn psycholoog me, naar aanleiding van mijn mail. Zijn conclusie was al heel snel helder. Ik had een dokter nodig. Hij adviseerde me dan ook om wél die anderen af te laten bellen. Ik legde uit dat ik echt niet nog een keer zou bellen, want ik had gezegd dat ik het tot de geplande afspraak uit zou houden. Hij adviseerde me dringend daar nu op terug te komen. Ik was eigenwijs en deed het niet.

Mijn vriendin was gelukkig ook (eigen)wijs. Ik voelde me zó stom dat ik eigenlijk geen bezoek wilde ontvangen. Maar zij begreep dat ik wél iemand nodig had en ze kwam. Dat was fijn. Geruststellen kon ze me niet. Wel uitleggen dat deze angst een reactie was op de volle laatste weken en me even afleiden.

Ik wachtte op de geplande afspraak met de huisarts. Ik poetste me een berg spierpijn, wandelde, kleurde en was verdrietig. Het ging niet. Ik had, zoals mijn crisisplan dat voorschrijft, de huisarts gebeld. Ik háát bellen. Dus áls ik bel, is er echt wel iets aan de hand. Met een goedbedoeld advies als wandelen kon ik even niks. Maar ja, dat kon ik aan de telefoon niet zeggen. Bellen vind ik namelijk drama, omdat ik dan de sociale interactie niet goed in kan schatten. Conclusie 1: Soms zou het fijn zijn als ik geen toneelschooldiploma op zak heb. Conclusie 2: Het zou fijn zijn als mensen me geloven als ik zeg dat het niet gaat.

De slotconclusie trok de huisarts, toen ik ein-de-lijk op het geplande consult kwam. “Als jij belt, moet er gezorgd worden dat je contact hebt met een arts. Als het niet op het spreekuur kan, moet een arts je even terugbellen.” Prima plan, maar ik geef toe dat ik eerst wil zien, voor ik ga geloven.

Verdovende middelen?

Het heeft even geduurd, maar inmiddels durf ik gewoon openlijk toe te geven dat ik medicijnen slik. Naast wat medicijnen om m’n bloedwaarden op orde te houden, slik ik antidepressiva. Van die eerste medicijnen heb ik nooit een geheim gemaakt. Van die antidepressiva wel. En waarom? Dat heeft een lange historie.

Ik begon ooit met antidepressiva op het moment dat mijn psycholoog op vakantie was. Ik kende zijn mening erover. Hij vond antidepressiva verdovende middelen en weglopen voor het probleem. Maar ja, hij was op vakantie en ik werd gek. Ik zat bij de huisarts te vertellen dat ik het niet meer trok en die had gelijk door dat dat waar was: “Er moet nu iets gebeuren.” En na het afstrepen van wat andere opties, kwamen we uit op medicijnen. Ik wist niet wat ik moest zeggen en vertelde nog wel dat mijn psycholoog dat een stom plan vond. Ik moest zeggen wat ik er zelf van vond, maar ik had geen idee. Ik wist alleen maar dat ik gek werd. En dus vond mijn huisarts: “Jij wilt dat ik een besluit voor je neem. Dan gaan we ’t doen,” en schreef een recept uit.

Ik slikte mijn pilletjes. Ik werd er misselijk van, maar merkte er uiteraard de eerste week verder nog niets van.

Na een paar dagen was mijn psycholoog terug van vakantie. Ik biechtte hem op dat ik pillen slikte. Hij was not amused. “Wat kom je hier dan nog doen?” Ik stond perplex. Hij wilde dat ik ermee zou stoppen, want volgens hem had psychotherapie geen enkele zin als ik ook antidepressiva slikte. Ik moest me niet laten verdoven. Dat er die week daarvoor iets moest gebeuren, was hij met me eens. Maar de dokter had met me moeten praten, geen pillen voor moeten schrijven. Door de medicatie zou ik nooit het dieptepunt bereiken en dus niet herstellen, was zijn mening.

Met dat verhaal zat ik, een week na de start met medicatie, bij de huisarts. We besloten te stoppen. Een week voor niks misselijk geweest. Jammer dan.

Ruim een jaar later besefte diezelfde psycholoog* dat we er niet zouden komen. Ik klapte voortdurend dicht als het spannend werd. En ineens kwam er een plan voor antidepressiva op tafel. Ik was vervolgens de kluts kwijt. Nu mocht ’t opeens wel. Maar dat was volgens hem omdat het de eerste keer een impuls was en nu zou het een weloverwogen besluit zijn. Oké dan. Maar ja, nu wilde ik zelf niet meer. In mijn hoofd hoorde ik hem nog al die keren praten over mezelf verdoven met pillen en dat ik dat niet moest doen.

Toch ging ik met het voorstel naar de huisarts. Die ging akkoord en schreef me medicatie voor. De eerste dagen was ik vanwege de bijwerkingen helemaal versuft. Ik wilde stoppen, na een paar dagen, maar zette door. En toen, na een poosje, kwam de werking. Op een dag werd ik wakker en had ik het gevoel dat ik de dag die voor me lag aan zou kunnen. Ik kon me dat gevoel niet eens meer herinneren. Ik stond ’s morgens op, zonder me eerst af te vragen of ik me ziek zou melden. Ik ruimde mijn aanrecht elke dag leeg. De afwasmachine werd gelijk leeggeruimd na een vaat en de was hing niet meer een week op het droogrek, maar lag weer gewoon in de kasten. Het waren kleine veranderingen, maar ik was er heel erg blij mee. Er kwam weer wat structuur terug in mijn leven. De dagen waren weer te overzien.

En inmiddels, nu ik ruim anderhalf jaar antidepressiva slik, schaam ik me er niet meer voor. Ik begon in een periode dat de kranten bol stonden van negatieve verhalen over medicijnen. Toch zette ik door. En nu mag iedereen het van mij weten: Ik slik antidepressiva. Deze medicijnen hebben me helpen overleven. Ze hebben het allerzwartste randje iets minder donker gemaakt. Ze nemen iets van de chaos in mijn hoofd weg. En daarom ben ik blij dat ik nu deze medicijnen slik. Of ik er ooit nog mee ga stoppen? Ergens hoop ik dat. Ergens anders wil ik nooit, maar dan ook nooit meer terug naar dat allerdiepste zwart. En als ik daar m’n hele leven pillen voor nodig heb, dan zal ik die slikken en me daar niet voor schamen. Ik bedoel…ooit iemand gezien die zich schaamt voor zijn dagelijkse pilletje om de bloedwaarden op orde te houden? Nou dan.

*Hij heeft het effect van de medicatie gemist, omdat hij kort daarna zijn vertrek aankondigde.