De hypochonder en het verstand

De hypochonder in mij is altijd in voor een nieuw onderzoek en voor een beetje geruststelling. Het verstand weet vaak wel beter, dus die twee voeren nogal eens strijd. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een bezoek aan de bedrijfsarts.

De bezoeken aan de bedrijfsarts vond ik één van de spannendste dingen na mijn ziekmelding. Ik was in het begin bang dat ze me terug naar mijn werk zou sturen, terwijl ik aan alles voelde dat ik daar nog lang niet aan toe was.

Ik trof gelukkig een bedrijfsarts die misschien nog wel beter dan ik in de gaten had hoe ik in elkaar zat. Deze arts prikte door me heen, betrapte me gelijk op toneelspel, kreeg me aan het huilen en stelde me gerust. Ze luisterde naar me, vroeg de juiste dingen en concludeerde dat ik vooral eerst maar eens beter moest worden. “Het belangrijkste is dat jij hier weer uit komt.” Opgelucht verliet ik na die eerste ontmoeting het gebouw. Deze arts begreep het en zette mijn herstel voorop.

Toch bleven de ontmoetingen spannend voor mij, ook al zei ze steeds dat dat niet nodig was. En het heeft even geduurd, maar inmiddels zie ik wel in dat ze écht het goede voor me aan het zoeken is.

Ik vertelde de bedrijfsarts dat ik zo vreselijk veel slaap. Zeker toen ik net thuis was, sliep ik ’s nachts vaak minstens tien uur. Ook ’s middags sliep ik dan nog minstens anderhalf uur. Ze concludeerde dat ik dus vaak meer dan de helft van de dag aan het slapen was.

Die vermoeidheid was iets waar ik al jaren last van had. Toen ik nog werkte, kon ik er alleen niet aan toegeven en dus ging ik maar door en door en door.

Omdat de vermoeidheid me al jaren zo bang maakte, had de hypochonder in mij al honderd keer aan de huisarts gevraagd wat er toch met me aan de hand was. Dat was volgens alle artsen die er al eens onderzoek naar hadden gedaan niet duidelijk. Nouja, lichamelijk was er niets aan te tonen, dus was het voor hen wél duidelijk: Ik was oververmoeid. Mijn psychische problemen zorgden voor mijn extreme vermoeidheid. Ik wilde dat nooit accepteren en vroeg keer op keer om nieuw bloedonderzoek. Dat kreeg ik uiteraard lang niet altijd, want ja, alles was al heel vaak gecheckt en nooit verklaarden de uitslagen mijn vermoeidheid.

Toen zat ik dus op een dag bij de bedrijfsarts. Ik had inmiddels zelf geaccepteerd dat mijn vermoeidheid toch echt veroorzaakt werd door mijn psychische problemen. Zij dacht er echter anders over. “Ik wil lichamelijke oorzaken uitsluiten. Kun je je huisarts vragen om bloedonderzoek bij je te doen?” Jaaaaa! Dat wil ik! Lekker weer prikken, riep de hypochonder in mij. Lichamelijke oorzaken uitsluiten is míjn tekst, vond de hypochonder ook. Maar ik zei iets heel anders. Nu iemand anders mijn denkbeelden aan het verwoorden was, was ik opeens één en al verstandigheid: “Nou, dat is allemaal al uitgezocht hoor,” zei ik. Maar ze wilde het graag toch nog een keer laten doen.

Ik ging naar de huisarts en vroeg om bloedonderzoek, maar gaf aan dat ik zelf dacht dat het niet echt nodig was. “Dat zijn mijn teksten hè, die van de arbo.” Dat was grappig. De huisarts zag het ook gebeuren. Normaal maak ik me zorgen en wil ik onderzoek. Nu wilde een ander onderzoek en werd ineens het verstand sterker dan de hypochondrie. Toch stemde de huisarts in met onderzoek. En ik? Stiekem baalde ik. Ik vond mezelf namelijk net zo vreselijk stoer dat ik het niet nodig vond. Tja, ik heb het geloof ik eerder gezegd, maar die hypochonder in mij is een ingewikkelde patiënt.

De ideale wachtkamer

Wachten is voor de meeste mensen niet hun favoriete bezigheid en dat geldt zeker ook voor mij. Ik schreef al eens over de wachtkamer bij de huisarts en de bijbehorende ergernissen.

Inmiddels heb ik ook vele uren doorgebracht in wachtkamers van GGZ-instellingen. De meeste wachtkamers waren groot en druk. Soms zat er in zo’n wachtkamer een gezin, wachtend op één van de gezinsleden die op dat moment bij de behandelaar binnen was. Ik vond dat vreselijk. Ik kwam dan net uit mijn werk, had de hele dag bergen met prikkels aan mijn hoofd gehad in een klas vol pubers, was compleet in de zenuwen voor therapie en dan kwam ik in een wachtkamer vol met prikkels en herrie. In zo’n geval was een sessie al bij voorbaat gedoemd te mislukken. Ik heb zelfs een keer overwogen om op de gang te wachten, toen ik op de trap al hoorde dat een klein kind de wachtkamer op stelten zette. Ik deed het niet, maar weet zeker dat ik het beter wel had kunnen doen. Door overprikkeling was de therapiesessie namelijk totaal niets meer waard.

Behalve de overprikkeling was er altijd nog een ander probleem. Vrijwel niemand wist dat ik onder behandeling was. Ik maakte me dan ook altijd zorgen dat ik een wachtkamer binnen zou stappen en ineens een bekende zou zien of bijvoorbeeld een leerling. Iets ergers dan dat kon ik me niet voorstellen. Ik koos mijn plaats altijd zorgvuldig. Ik ging zo zitten dat ik vanaf de gang niet zichtbaar was. Mocht er dan een bekende uit één van de behandelkamers stappen, kon ik in ieder geval niet betrapt worden.

Op een dag stapte ik een nieuwe wachtkamer binnen. Ik had namelijk een nieuwe behandelaar, bij een andere praktijk. Natuurlijk vond ik dat spannend. Zou het me lukken in gesprek te gaan met een nieuwe behandelaar, zonder dat er sprake was geweest van het overdragen van het dossier? En ja, eerlijk is eerlijk, een nieuwe omgeving vind ik ook ongemakkelijk. Waar moet ik parkeren? Hoe ziet het gebouw eruit? Waar moet ik wachten? Voor het parkeren had ik uiteraard de oplossing. Ik reed gewoon voorafgaand aan de afspraak al een keer langs de praktijk. Probleem opgelost.

Het moment van de eerste afspraak brak aan. Ik kwam in complete stress binnen, maar al heel snel appte ik naar mijn vriendin: Ze scoren hier punten. Ik kwam namelijk binnen in een kleine praktijk. Iemand deed persoonlijk de deur voor me open en wees me de wachtkamer. Mijn mond viel open van verbazing. Ik kwam terecht in een kleine wachtkamer met ruimte voor maar een paar mensen en er was verder niemand. Er was verder niemand! Feest in mijn hoofd! Toen ik eenmaal zat, hoorde ik heel zacht op de achtergrond een muziekje spelen. Muziek die me raakte. Ik wilde het horen en dat ging prima. Vanwege het ideale volume was de muziek echter ook te negeren, als ik dat liever zou willen. Ik keek eens om me heen. Er lagen wat tijdschriften en er lag wat speelgoed, maar alles was netjes opgeruimd. De muziek bleef me raken. Ik hoorde verder niks. Het was zó stil dat ik de stilte kon horen. En er was dus niemand. Langzaam maar zeker kwam ik tot rust, terwijl ik daar zat te wachten. Dat gebeurde inmiddels al heel wat keren, daar in die wachtkamer.

Ik heb dus de ideale wachtkamer gevonden. Ik zou er uren door kunnen brengen, zelfs als ik geen afspraak heb. Want daar is rust. En rust is fijn.

Goedbedoeld advies

Soms drijft mijn hypochondrie me tot waanzin. Angst beheerst me dan en dat is behoorlijk heftig. Ik weet dat ik dan afleiding moet zoeken, door bijvoorbeeld te wandelen, een boek te lezen of een kleurplaat te pakken.

Die afleiding is de eerste stap. Daarnaast staat er altijd nog een consult met de huisarts gepland. Ik kan mijn klachten dus opschrijven en ze vervolgens ‘parkeren’ tot dat volgende consult.

Soms is afleiding niet genoeg. Dan blijft de angst me beheersen en kan ik aan niets anders meer denken. Ja, ik loop dan wel een rondje, maar ik kan tijdens dat rondje alleen maar bedenken dat ik doodziek ben. En ja, ik pak dan wel een kleurplaat, maar ik kan alleen maar bedenken dat dat de oplossing niet is. In zo’n geval breekt er paniek uit. Dan is er nog één laatste, tijdelijke oplossing. Die laatste oplossing heet geruststelling. Ik weet ook wel dat dat niet altijd handig is, maar ja, als angst je tot waanzin drijft, is het soms nog de enige optie.

Mezelf geruststellen kan ik niet. Een ander kan dat ook niet. Een vriendin kan heus wel zeggen dat er niets aan de hand is, maar dat weet ik zelf met mijn verstand ook. Ik geloof het pas als een arts dat heeft bevestigd, want die heeft er verstand van.

Pas had ik zo’n geval. Ik had een paar drukke weken achter de rug en mijn hypochondrie reageerde er nogal op. Opeens werd álles wat ik voelde eng. Er stond nog een afspraak met de huisarts. Ik had al bijna twee weken mezelf verteld dat ik niet eerder zou bellen en dat ik de angst kon verdragen. Ik kon het niet. Twee dagen voor de geplande afspraak hielp niets meer. Ik wist dat er nog één oplossing was: Hulp zoeken.

Dat deed ik. Ik mailde mijn psycholoog. Dat bleek echter niet genoeg. Ik had een arts nodig, merkte ik en dus belde ik de huisartsenpraktijk. Ik legde uit dat het niet meer ging en dat ik graag een arts zou zien. Moeilijk, moeilijk, druk, druk. Daar schoot ik al op slot. Ik wil niemand tot last zijn, dus ja, dan maar niet. De assistente zou het met de huisarts overleggen en me dan terugbellen. Niet veel later ging de telefoon. “Hij zegt dat je afleiding moet zoeken. Een rondje wandelen, even iemand bellen, kun je niet naar iemand toe?” Serieus?! Die fase was ik dus al láng voorbij. En nee, ik kon niet naar iemand toe. Dat was op dat moment echt geen optie meer. De angst was al veel te groot geworden. Ik was inmiddels aan de grote schoonmaak begonnen en dat vond de assistente een heel goed idee. Ik niet. Ik heb een dokter nodig. Ze legde uit dat ik het nog maar even aan moest kijken en tot de geplande afspraak vol moest proberen te houden. Ik kon wel komen, maar dan moesten anderen worden afgezegd, dus liever niet. Mijn autisme liet me op dat moment mijn tong verliezen. Ik stemde in, terwijl ik heus wel wist dat ik het niet zou redden.

Vervolgens belde mijn psycholoog me, naar aanleiding van mijn mail. Zijn conclusie was al heel snel helder. Ik had een dokter nodig. Hij adviseerde me dan ook om wél die anderen af te laten bellen. Ik legde uit dat ik echt niet nog een keer zou bellen, want ik had gezegd dat ik het tot de geplande afspraak uit zou houden. Hij adviseerde me dringend daar nu op terug te komen. Ik was eigenwijs en deed het niet.

Mijn vriendin was gelukkig ook (eigen)wijs. Ik voelde me zó stom dat ik eigenlijk geen bezoek wilde ontvangen. Maar zij begreep dat ik wél iemand nodig had en ze kwam. Dat was fijn. Geruststellen kon ze me niet. Wel uitleggen dat deze angst een reactie was op de volle laatste weken en me even afleiden.

Ik wachtte op de geplande afspraak met de huisarts. Ik poetste me een berg spierpijn, wandelde, kleurde en was verdrietig. Het ging niet. Ik had, zoals mijn crisisplan dat voorschrijft, de huisarts gebeld. Ik háát bellen. Dus áls ik bel, is er echt wel iets aan de hand. Met een goedbedoeld advies als wandelen kon ik even niks. Maar ja, dat kon ik aan de telefoon niet zeggen. Bellen vind ik namelijk drama, omdat ik dan de sociale interactie niet goed in kan schatten. Conclusie 1: Soms zou het fijn zijn als ik geen toneelschooldiploma op zak heb. Conclusie 2: Het zou fijn zijn als mensen me geloven als ik zeg dat het niet gaat.

De slotconclusie trok de huisarts, toen ik ein-de-lijk op het geplande consult kwam. “Als jij belt, moet er gezorgd worden dat je contact hebt met een arts. Als het niet op het spreekuur kan, moet een arts je even terugbellen.” Prima plan, maar ik geef toe dat ik eerst wil zien, voor ik ga geloven.

Verdovende middelen?

Het heeft even geduurd, maar inmiddels durf ik gewoon openlijk toe te geven dat ik medicijnen slik. Naast wat medicijnen om m’n bloedwaarden op orde te houden, slik ik antidepressiva. Van die eerste medicijnen heb ik nooit een geheim gemaakt. Van die antidepressiva wel. En waarom? Dat heeft een lange historie.

Ik begon ooit met antidepressiva op het moment dat mijn psycholoog op vakantie was. Ik kende zijn mening erover. Hij vond antidepressiva verdovende middelen en weglopen voor het probleem. Maar ja, hij was op vakantie en ik werd gek. Ik zat bij de huisarts te vertellen dat ik het niet meer trok en die had gelijk door dat dat waar was: “Er moet nu iets gebeuren.” En na het afstrepen van wat andere opties, kwamen we uit op medicijnen. Ik wist niet wat ik moest zeggen en vertelde nog wel dat mijn psycholoog dat een stom plan vond. Ik moest zeggen wat ik er zelf van vond, maar ik had geen idee. Ik wist alleen maar dat ik gek werd. En dus vond mijn huisarts: “Jij wilt dat ik een besluit voor je neem. Dan gaan we ’t doen,” en schreef een recept uit.

Ik slikte mijn pilletjes. Ik werd er misselijk van, maar merkte er uiteraard de eerste week verder nog niets van.

Na een paar dagen was mijn psycholoog terug van vakantie. Ik biechtte hem op dat ik pillen slikte. Hij was not amused. “Wat kom je hier dan nog doen?” Ik stond perplex. Hij wilde dat ik ermee zou stoppen, want volgens hem had psychotherapie geen enkele zin als ik ook antidepressiva slikte. Ik moest me niet laten verdoven. Dat er die week daarvoor iets moest gebeuren, was hij met me eens. Maar de dokter had met me moeten praten, geen pillen voor moeten schrijven. Door de medicatie zou ik nooit het dieptepunt bereiken en dus niet herstellen, was zijn mening.

Met dat verhaal zat ik, een week na de start met medicatie, bij de huisarts. We besloten te stoppen. Een week voor niks misselijk geweest. Jammer dan.

Ruim een jaar later besefte diezelfde psycholoog* dat we er niet zouden komen. Ik klapte voortdurend dicht als het spannend werd. En ineens kwam er een plan voor antidepressiva op tafel. Ik was vervolgens de kluts kwijt. Nu mocht ’t opeens wel. Maar dat was volgens hem omdat het de eerste keer een impuls was en nu zou het een weloverwogen besluit zijn. Oké dan. Maar ja, nu wilde ik zelf niet meer. In mijn hoofd hoorde ik hem nog al die keren praten over mezelf verdoven met pillen en dat ik dat niet moest doen.

Toch ging ik met het voorstel naar de huisarts. Die ging akkoord en schreef me medicatie voor. De eerste dagen was ik vanwege de bijwerkingen helemaal versuft. Ik wilde stoppen, na een paar dagen, maar zette door. En toen, na een poosje, kwam de werking. Op een dag werd ik wakker en had ik het gevoel dat ik de dag die voor me lag aan zou kunnen. Ik kon me dat gevoel niet eens meer herinneren. Ik stond ’s morgens op, zonder me eerst af te vragen of ik me ziek zou melden. Ik ruimde mijn aanrecht elke dag leeg. De afwasmachine werd gelijk leeggeruimd na een vaat en de was hing niet meer een week op het droogrek, maar lag weer gewoon in de kasten. Het waren kleine veranderingen, maar ik was er heel erg blij mee. Er kwam weer wat structuur terug in mijn leven. De dagen waren weer te overzien.

En inmiddels, nu ik ruim anderhalf jaar antidepressiva slik, schaam ik me er niet meer voor. Ik begon in een periode dat de kranten bol stonden van negatieve verhalen over medicijnen. Toch zette ik door. En nu mag iedereen het van mij weten: Ik slik antidepressiva. Deze medicijnen hebben me helpen overleven. Ze hebben het allerzwartste randje iets minder donker gemaakt. Ze nemen iets van de chaos in mijn hoofd weg. En daarom ben ik blij dat ik nu deze medicijnen slik. Of ik er ooit nog mee ga stoppen? Ergens hoop ik dat. Ergens anders wil ik nooit, maar dan ook nooit meer terug naar dat allerdiepste zwart. En als ik daar m’n hele leven pillen voor nodig heb, dan zal ik die slikken en me daar niet voor schamen. Ik bedoel…ooit iemand gezien die zich schaamt voor zijn dagelijkse pilletje om de bloedwaarden op orde te houden? Nou dan.

*Hij heeft het effect van de medicatie gemist, omdat hij kort daarna zijn vertrek aankondigde.

“Waar denk je zelf aan?”

Stel je voor dat je ineens zonder stroom zit in je huis. Je hebt de stoppenkast uiteraard al gecheckt, want ja, daar zou de verklaring kunnen liggen. Niets te zien. Je hebt bij de buren geïnformeerd of er misschien een stroomstoring is, maar nee, de buren hebben gewoon stroom. Er is dus ergens bij jou in huis iets mis. Maar wat? Je belt een monteur van het één of andere installatiebedrijf en legt je probleem voor. De monteur komt bij je thuis en vraagt je wat er aan de hand is. “Ik heb geen stroom.” Hoe zou je het vinden als die monteur jou vervolgens zelf naar de oorzaak daarvan zou laten zoeken? Ik zou dat vreemd vinden. Ik heb per slot van rekening niet voor niets een monteur laten komen.

En toch is dit vaak wel wat artsen bij mij doen. Ik weet niet of dat komt omdat ik een hypochonder ben of dat dat bij iedereen zo gaat, maar mij overkomt het geregeld. Ik kom bij een arts, leg mijn klacht voor en krijg vervolgens de vraag: “Waar denk je zelf aan?” In mijn geval is het antwoord daarop niet zo heel moeilijk, want bij mij betekent elke klacht hetzelfde: Ik ga dood. Dat zeg ik echter alleen bij mijn vaste huisarts, die dan standaard als antwoord geeft: “Dat is geen nieuws. En dat ga je ook, alleen zijn we het niet eens over het moment waarop.” Bij andere (huis)artsen zeg ik gewoon dat ik het niet weet. Als ik zelf had geweten wat er aan de hand was, zou ik toch niet zijn gekomen? Dan had ik zelf ook wel een oplossing kunnen bedenken. Of ik had in mijn inleidende verhaal gezegd: “Ik heb dit en dat, ik heb die en die medicijnen nodig.” Maar ja, zo werkt het niet.

Ik heb bij de huisarts wel eens mijn onvrede over deze vraag laten merken. Ik denk dat de vraag bedoeld is om mij serieus te nemen, maar ik voel me dan juist verre van serieus genomen. Ik voel me dan behandeld als hypochonder. Die bedenkt toch bij alles allerlei ziektes? Waarom vraagt een arts dan aan mij wat ik zelf denk? Om dan alleen dat stukje maar te checken en vervolgens mijn klacht niet serieus te nemen?
Onschuldig voorbeeldje: Stel, ik kom met een pijnlijke arm. Ik zou kunnen antwoorden op de vraag “Wat denk je zelf?” dat ik denk aan een verrekte spier. Wordt er dan ook nog rekening gehouden met bijvoorbeeld een peesontsteking of wordt er dan alleen gekeken of ik een spier heb verrekt? Het moge duidelijk zijn, in mijn hoofd veroorzaakt deze vraag chaos.

Mijn huisarts heeft me wel eens uitgelegd dat artsen die vraag aan iedereen stellen en niet alleen aan hypochonders. En toch voelt die vraag niet goed. Nogmaals, als ik het zelf had geweten, was ik niet gekomen. Ik wil weten wat de arts denkt. Dus op de vraag waar ik zelf aan denk, antwoord ik alleen nog dat ik geen idee heb en vervolgens laat ik de arts zijn werk doen. Misschien kan ik in het vervolg daarna zélf eens de vraag der vragen stellen: “En, waar denkt u zelf aan?” Veel logischer toch?

De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.

De zieke hypochonder

Ieder signaal van mijn lichaam neem ik heel serieus. Als mijn lichaam hapert, ben ik er altijd van overtuigd dat de oorzaak ook in m’n lichaam ligt. Artsen zijn dat niet met me eens. Als ik met een lichamelijke klacht bij de huisarts kom, lijkt de eerste gedachte te zijn: O, oké, stress, te druk gemaakt, ze is er bang over, valt wel mee. In het verleden heeft dat erin geresulteerd dat een arts me lang liet lopen met een klacht die wel degelijk serieus genomen moest worden. Er groeide in mijn lichaam een poliep die, zoals me na weefselonderzoek werd verteld, kwaadaardig zou worden. Dat zou niet heel lang meer geduurd hebben. De ziekenhuisarts vertelde me na het verwijderen van de poliep dat ik er niet nog een paar jaar mee had moeten lopen, want dan was ik te laat geweest. Het bevestigde alleen maar wat ik al die jaren al dacht: Zie je wel! Ik was heel blij dat ik was blijven ‘zeuren’ en uiteindelijk mijn verwijzing naar het ziekenhuis had gekregen.

Ik bezocht vervolgens de huisarts die me heel vaak had gezien en nooit serieus genomen. Alles kwam zogenaamd door stress. Ik verweet hem dat. Hij nam dat niet zo heel serieus. “Ik kan ook wel een poliep hebben, nou, prima toch?” Prima toch? Hallo, hoor je wat ik zeg? Dat ding zou kwaadaardig worden! Denk eens na! Wat een klein beetje hielp, was dat hij vervolgens uitlegde: “Juist bij een hypochonder moeten we extra alert zijn dat we niet iets over het hoofd zien.” Ik geloofde dat wel, maar had niet de indruk dat hij dat ook in de praktijk bracht. Weg vertrouwen.
Een paar weken later kwam ik bij een andere huisarts. Die had verder niks te maken met de ‘gemiste’ diagnose, dus ik verweet hem niets. Toch begon hij er zelf over: “Je had dus toch een poliep…” En alleen die ene zin gaf mij rust. Ja, ik had een poliep en die krijg je niet van stress. Die kreeg ik door foute genen. Dat was déze huisarts helemaal met me eens.

Na dat avontuur liet ik me uiteraard nóg minder wegsturen. Ik zou me nooit meer naar huis laten sturen met de boodschap dat dingen tussen m’n oren zitten of dat alles veroorzaakt wordt door stress. Dat heeft me gemaakt tot de enorme ‘zeur’ die ik nu ben. Ja, ik kan drammen. Dat doe ik omdat ik bang ben. Omdat ik alle controle over mijn gezondheid ben verloren. Omdat ik destijds niet gehoord ben. Omdat ik heb gezien wat er kan gebeuren als een diagnose gemist wordt.

Heb ik me daarna dan nooit meer weg laten sturen? Dat heb ik wel. Heel vaak. De huisarts die destijds nogal laconiek deed, is (hoera!) vertrokken. Zijn vervanger is mijn tegenwoordige vaste huisarts. Mijn eerste consult bij hem was een feestje: “We moeten je lichaam ook serieus nemen.” Oké, deze huisarts is top. Maar ja, eh…Na bijna drie jaar weet ook deze huisarts het soms niet meer. Ik zeur nog steeds. Ik ben nog steeds bang. En ja, we moeten mijn lichaam serieus nemen. Maar mijn angst ook. En daarom volgen we een twee-sporen-beleid. Ik mag elke drie weken naar de huisarts. Maar er is meer. Ik ga een behandeling volgen voor mijn angst, nog specifieker dan de behandelingen die ik al heb (gevolgd), in de hoop dat ik voortaan signalen van mijn lichaam serieus kan nemen zónder enorme paniek. En in de hoop dat mijn bezoeken aan de huisarts sterk verminderd kunnen worden. Dat is voor de huisarts fijn en stiekem voor mij ook, want, schreeuwt mijn hypochondrie, dan nemen ze me misschien weer eens serieus als ik kom.

Is er een behandelaar in de online zaal?

Op deze blog ben ik open, maar ik probeer hier wel altijd met ieders privacy rekening te houden. Verhalen worden waar mogelijk geanonimiseerd en ik doe er alles aan om niemand te laten ontdekken wie mijn behandelaars zijn, voor de privacy van de behandelaars én mezelf.

Maar ja, dan zijn er mijn behandelaars zelf. Ik werd onderworpen aan urenlange psychologische onderzoeken. Ik was moe. Het huilen stond me nader dan het lachen. Er werd me gevraagd hoe het met me ging en of er nog ontwikkelingen waren wat betreft het starten met een nieuwe therapie. Ik was zó moe en de tranen zaten zó hoog dat ik eigenlijk geen zin had om te antwoorden. Ik hoorde mezelf praten en bedacht toen: Lees m’n blog, daar staat het op. Ik zei dat natuurlijk niet. Maar een stemmetje in mijn achterhoofd riep: Deze onderzoeker kent het adres van je blog. Wat als die blog al gelezen is?

Er is één hulpverlener van wie ik heel zeker weet dat hij af en toe even een kijkje op de blog neemt. Dat is mijn vaste huisarts. Dat voelt voor mij helemaal logisch en oké, gezien het feit dat diezelfde huisarts me al heel lang stimuleerde om iets met mijn passie voor schrijven te gaan doen. Bovendien startte ik de blog uiteindelijk na een behoorlijk pittig consult in de huisartsenpraktijk. Ik had het adres van de blog doorgegeven, maar wist niet of die ook werd gelezen. Tot ik op consult kwam. Ik had véél te vertellen, want voor deze mevrouw de hypochonder was het lang geleden dat ik de huisarts had gesproken. Ik vroeg me al af hoe ik dat in een (dubbel) consult ging proppen, maar het werd me makkelijk gemaakt. De eerste twee punten die ik wilde bespreken, bleken al bekend. “Ik wist het al; ik lees je blog.” Aha. Betrapt. Maar eerlijk is eerlijk, als hulpverleners mijn blog lezen, vind ik het prettig om dat gewoon te weten. Bovendien scheelde dat een hoop tijd. We konden over tot de dingen die de blog niet halen.

Uiteraard heb ik er goed over nagedacht of ik zou willen dat hulpverleners mee kunnen lezen. Wilde ik echt dat mijn blog voor hen bekend zou worden? Ja, dat wilde ik echt. Nooit zal ik hier een stiekeme boodschap aan hen plaatsen. Nooit zal ik een hulpverlener ‘verwijten’ dat hij of zij iets had moeten weten omdat het al op mijn blog heeft gestaan. Nooit zal mijn blog de spreekkamer vervangen. Andersom zullen er hier voor mijn hulpverleners waarschijnlijk weinig nieuwtjes te vinden zijn. Stiekem denk ik trouwens dat ze mijn blog alleen al af en toe checken om te zien wat ik over hen schrijf. Geen zorgen, zo verrassend is dat niet.

En eerlijk? Ik vind het eigenlijk wel prettig als hulpverleners mee blijken te lezen. Ik ben nu eenmaal op schrift beter te begrijpen dan in een spreekkamer. Bovendien vind ik het leuk om ook iets van mijn passie te laten zien, naast al mijn negativiteit. Dit ben ik ook. Ik kán nog wel iets! Dus hallo, meelezende hulpverleners. Welkom. Ook welkom aan alle hulpverleners die mij niet behandelen, maar anderen. Ik hoop dat ik iets kan bijdragen aan het begrip van jullie lijdende voorwerpen. In dat geval: Graag gedaan.

Hoofdpijndossier

Hoewel ik een enorme hypochonder ben, ga ik eigenlijk nooit met heel concrete klachten naar een arts. Als iemand mij vertelt dat hij naar de huisarts gaat met een verkoudheid, snap ik daar niks van. Dat gaat in mijn beleving vanzelf wel over. Ik ga altijd met vage klachten.

Totdat ook ik op een dag iets heel concreets had. Ik had hoofdpijn. Al drie weken. Af en toe was het een paar uur weg, maar over het algemeen werd ik dag en nacht gekweld door hoofdpijn. Ik lag er letterlijk van wakker. Ik had eerst niet zo door dat het heel hardnekkig was, want ach, hoofdpijn heb ik wel vaker en iedereen heeft daar toch wel eens last van? Het is zoiets als spierpijn en gaat vanzelf wel over. Toen gooide ik een lege verpakking pijnstillers weg. In de papierbak lag bovenop het voorgaande lege doosje pijnstillers. Oeps. Was dit misschien dan toch iets om even na te laten kijken? Ik besloot van niet. En toch wel. En toch niet. Ik zette een wekker om naar de dokter te kunnen gaan, zette die toch weer uit, zette die midden in de nacht weer aan en toch weer uit en ging uiteindelijk niet.

Zodra ik mijn bed uit was, had ik spijt van mijn besluit. Mijn hoofd moest weer recht op mijn nek staan en dat deed pijn. Veel pijn. Al drie weken. Ik was er opeens klaar mee. En vooruit, de hypochonder had er ook een zeer duidelijke mening over. Maar ja, er zijn afspraken over wanneer ik wel en niet naar de dokter mag en dit was niet een dag waarop ik zou mogen. Of toch wel? Ooit zei een huisarts tegen me: “Een hypochonder kan ook een blindedarmontsteking krijgen en dan moet je wél bellen.” Viel dit in die categorie? Ik wist het oprecht niet.

Ik ging voor een tussenoplossing en belde de assistente. Ze adviseerde me zwaardere pijnstillers, maar die waren me ooit verboden. Was fysiotherapie dan misschien een optie? Ook dat was me ooit verboden, want dat was symptoombestrijding en niet het oplossen van het probleem. Ik vind pijnstillers ook symptoombestrijding, maar blijkbaar zag mijn toenmalige psycholoog dat anders. Ik maakte het dus een beetje een ingewikkeld hoofdpijndossier, die hoofdpijn van mij. De assistente zou overleggen met de huisarts.

Niet veel later kreeg ik concrete tips:
– Neem de komende week rust; vermijd drukte.
– Slik vier keer per dag twee Paracetamol.
– Neem je slaapmedicatie, want goed slapen is belangrijk.
– Ga elke dag even naar buiten.

Stiekem vond ik dat grappig. Dit was precies waarom ik niet naar de dokter was gegaan. Ik dacht dat er een keer iets echt lichamelijks was. De tips doen vermoeden dat hij daar anders over dacht. Ja, de pijn is lichamelijk, maar de oorzaak blijkbaar niet. De rust, tja, stiekem was er veel spanning ja. De pijnstillers, eh…daar had ik dus al twee doosjes van verorberd. De slaapmedicatie had ik nog, maar slikte ik niet. Iets met eigenwijs. Naar buiten ging ik al elke dag.

Ik besloot het toch een kans te geven en vulde mijn pillendoosje aan met de tijdelijk toegevoegde medicatie. Ik ging naar buiten. Ik huilde. En met name dat laatste bracht heel even een beetje verlichting. Ik geef niet graag andere mensen gelijk, maar het zal toch weer niet? Laat ik er mijn hoofd maar niet over breken en trouw de adviezen opvolgen*, in de hoop dat dit hoofdpijndossier snel gesloten kan worden.

*Mijn blogjes worden meestal een paar weken eerder geschreven dan gepubliceerd. Dit hielp allemaal niet en na alleen maar meer pijn, mocht ik naar een fysiotherapeut. Dat doet tijdens de behandeling ook pijn, maar het helpt wel!