Verlangen

Op de ruïnes van angst
bouw ik een leven vol dwang.

Slecht één ding is er
dat ik met heel mijn hart verlang.

Ik wil een lege kavel;
één waarop ik kan bouwen.

Een kavel vol vruchtbare grond;
een basis van hoop en vertrouwen.

Collega’s en vrije tijd

Je hebt een hele dag gewerkt. ’s Avonds zit je lekker thuis op de bank een beetje bij te komen en ineens gaat je telefoon. Een collega. Voor sommige mensen is het geen probleem, maar ik houd er niet van. Wat is mijn probleem dan eigenlijk met collega’s in mijn vrije tijd?

Collega’s en mijn mobiele nummer
In de loop der jaren kregen steeds meer collega’s (geheel tegen mijn zin) de beschikking over mijn mobiele nummer. Het was het begin van weinig goeds.

Als ik thuis (of nog erger: op een verjaardag!) was, kreeg ik dan soms een appje. Of ik nog even dit of dat kon regelen en of ik misschien wist hoe het zat met zus en zo? En had ik toevallig de ouders van die en die nog gesproken? Kan ik morgen even…? NEEEE schreeuwde dan alles in mij. Ik had mijn tijd thuis echt nodig om bij te tanken en even niet bereikbaar te zijn. Even geen juf zijn en geen Intern Begeleider. Gewoon even mezelf zijn. Bij dringende zaken (ik denk hier aan conflicten, overlijden of ziekte van een ouder of kind of iets in die categorie) konden ze me altijd bellen op de vaste lijn.

Communicatie over werk via de mobiele telefoon
Heel langzaam werd WhatsApp en de mobiele telefoon voor een aantal collega’s de makkelijkste manier van communicatie. Dat ik daar heel anders over dacht, konden ze niet begrijpen. Ik kreeg liever een mail met vragen. Die zou ik namelijk kunnen lezen op mijn tijd. Bijvoorbeeld de volgende morgen op mijn werk en niet nog even net voor ik naar bed ging.

Ik was zo eerlijk de collega’s te verzoeken mijn mobiele nummer alleen te gebruiken bij noodgevallen, maar die boodschap landde niet.

De bom barst
Op een dag barstte de bom. Ik had therapie gehad (en nee, dat wisten mijn collega’s niet, maar dan nog) en was versleten. Een paar weken eerder had mijn werkgever me tijdens mijn therapie al een aantal keer gebeld. En in plaats van naar huis te gaan en uit te huilen, ging ik dus terug naar mijn werk. Maar goed, de dag dat de bom barstte. Ik had die morgen mijn mail weggewerkt, alle lopende zaken afgehandeld en ik had me voorgenomen echt weekend te vieren. Ik had het namelijk nodig. Mijn collega’s dachten er anders over. Nog tijdens de therapiesessie kwamen de eerste appjes al binnen. Ook op vrijdagavond kwamen er weer appjes binnen. Appjes met vragen waar ik even goed over na moest denken. Terwijl ze kwamen, zat ik op de fiets. Niet omdat ik dat zo leuk vond, maar omdat ik er alles aan deed om mijn hoofd te legen. Dat ging op deze manier niet lukken.

Ligt de oplossing in een nieuw nummer?
Ik was er klaar mee. De volgende dag stond ik in een telefoonwinkel. Ik wilde een nieuwe telefoon en een ander nummer. Uiteindelijk vertrok ik met één telefoon en daarin twee kaarten. Op de ene kaart stond mijn oude nummer. Die behield ik voor familie en vrienden. Ik blokkeerde alle collega’s op die kaart en mailde hen dat ik een nieuw nummer had. Voortaan kwamen hun appjes dus binnen op mijn andere kaart.

Die andere kaart bleek een feest: Ik kreeg appjes pas binnen op het moment dat ik dat zélf wilde en die kaart ontgrendelde. Voortaan kon ik dus zelf bepalen of ik wel of niet zou zien dat een collega me had geappt. Uiteraard wisten mijn collega’s daar niets van. Telefoontjes kwamen wel altijd door, maar telefoontjes waren meestal echt belangrijk en appjes niet, dus dat was oké.

Mijn werkgever was van het bellen. Of het nu weekend, vakantie of ’s avonds laat was, als mijn werkgever me nodig had, ging de telefoon. Niet opnemen kwam in mijn woordenboek toen nog niet voor.

De eeuwige bereikbaarheid en mijn burn-out
Deze eeuwige bereikbaarheid is één van de oorzaken van mijn burn-out. Niet de kinderen, de ouders of het lesgeven waren het probleem.
Het probleem lag bij mijn collega’s. Bij het constant overschrijden van mijn grenzen en bij het feit dat ik altijd maar bereikbaar moest zijn. Ik kan dat niet. Soms vraag ik me af wat er was gebeurd als dat was geaccepteerd. Had ik dan niet al bijna een jaar ziek thuis gezeten? Ik weet het niet. Het doet er ook niet toe, want het is nu toch te laat.

En het diepste probleem? Dat lag bij mij. Ik liet namelijk constant over mijn grenzen heen walsen. Ik wist dat het niet ging. Ik zei nee, heel vaak. Maar omdat ik vervolgens niet tegensputterde als iemand toch handelde naar ja, kwam ik terecht in een patroon waar ik een hoge prijs voor betaal. De prijs van mijn gezondheid. En nee, dat was het niet waard. Ik had liever wat vaker nee verkocht aan mijn collega’s.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

Wel feesten, niet werken?

Al heel wat jaren moet ik gedoseerd leven, want mijn depressie zorgt voor enorme vermoeidheid. Heel lang betekende dat dat ik werkte en sliep en verder niks kon. Dat kon natuurlijk niet eindeloos goed gaan, maar ik dacht dat het op een dag beter zou worden en allemaal zou veranderen, zomaar vanzelf. Dat deed het niet.

Na jaren volhouden en vooral heel hard door blijven werken, brak het moment aan dat ik me, na overleg met behandelaars die me goed kennen, ziek meldde.  Ik kwam thuis te zitten en ging op een andere manier doseren. Het was niet alleen meer werken en slapen, maar het werd goed voor mezelf zorgen en nog steeds heel veel slapen.

Toch vond ik het heel ingewikkeld. Er kwamen verjaardagen. Kon ik daar nog wel naartoe? Wat als mijn collega’s zouden weten dat ik wel op die verjaardag was, terwijl ik niet werk? Ik moest mijn boodschappen doen, want ja, eten groeit niet in mijn hal, en kwam in de supermarkt ouders van leerlingen tegen. Wat zullen ze nu toch allemaal denken? Ik vond een bezoek aan de supermarkt nog te verantwoorden, want ik moet nu eenmaal eten en drinken.

Ik ging een avondje uit, met de nodige voorzorgsmaatregelen. Ik lag ’s morgens lang in bed en ’s middags sliep ik ook nog een poosje. ’s Avonds ging ik op stap. Ik betrapte mezelf erop dat ik constant om me heen keek. Waren hier misschien ook collega’s of leerlingen of ouders? Die waren er niet. Ik voelde me daar opgelucht over. De volgende morgen werd ik pas heel laat wakker. Ik had enorme moeite met uit bed komen en hing de rest van de dag een beetje op de bank. Meer energie was er niet. Maar ik had wél een fijne avond gehad.

Elke dag ga ik naar buiten. Dat deed ik al voor ik me ziek meldde en doe ik nog steeds. Mensen zien me lopen of fietsen of in de auto stappen. Daar vinden ze in mijn beleving van alles van. Ik merk dat ik me daar soms door tegen laat houden. Ik werk niet, dan kan ik toch ook niet….? Toch probeer ik daar nu mee te stoppen. Nee, ik werk niet. En ja, ik ga wel naar familie en vrienden. Maar dat doe ik gedoseerd. Ik betaal er bovendien een prijs voor. Als ik vandaag een gezellige avond heb, ben ik morgen moe en komt er niets uit mijn handen. Dat zien anderen niet. Mensen die zien hoe ‘gezellig’ ik nog van alles onderneem, zien niet dat ik daar van alles voor moet doen en laten. Ze zien niet dat ik daar achteraf een behoorlijke prijs voor betaal. Die prijs is het altijd waard, want als iets de prijs niet waard is, sla ik over. Maar het is een onzichtbare prijs.

Ik weet dat er een enkeling is die inderdaad redeneert dat ik niets leuks zou mogen doen, maar gelukkig zijn er ook vele anderen. Op straat sprak iemand me aan: ‘Misschien vind je het heel vervelend dat ik je aanspreek, maar ik wil gewoon even zeggen dat ik altijd zo blij ben als ik je weer zie lopen.’ Zo kan het dus ook. Dat helpt me om die andere meningen meer en meer naast me neer te leggen. Ja, ik ga wel naar verjaardagen (als ze me de prijs waard zijn) en ja, ik doe soms leuke dingen met familie of vrienden. Maar ik betaal er ook de prijs voor. Ik leer de balans te vinden en ik ga mezelf niet meer verantwoorden voor de dingen die ik doe. Hooguit verwijs ik nog naar deze blog, in het vervolg…

Christen en depressief

“Als je christen bent, kun je nooit écht depressief zijn. Er blijft altijd een soort vreugde.” Deze opmerking hoorde ik een keer tijdens een Bijbelstudie. Ik ben een christen én depressief. Nooit ben ik die opmerking vergeten en nu, jaren later, schrijf ik erover.

Ook onder christenen zijn mensen met een depressie. De één zal daar open over zijn en de ander zal dat verbergen. Ik verborg het jaren, voor iedereen. Toen ontmoette ik, lichamelijk vrij ernstig ziek, een dominee die dwars door me heen prikte. “Er is meer.” Er was inderdaad meer. Daarover spraken we later, toen ik lichamelijk weer wat sterker was. Ik werd niet veroordeeld. Ik werd geholpen.

Ja maar, hoe zit het dan met die vreugde waar die ander het tijdens die Bijbelstudie over had? Dat is een goede vraag. Ik heb mezelf die vraag ook duizenden keren gesteld. Ik heb mezelf schuldig gevoeld omdat het niet goed met me ging. Ik heb tegen andere mensen gezegd: “Hier zit ik dan; ik heb een leven waar menigeen jaloers op kan zijn en ik zit hier te klagen en ondankbaar te zijn.” Er was niet één (christelijke) hulpverlener die akkoord ging met die opmerking. Ja, ik zat daar. En ik had het moeilijk. Want dat kan ook.

Op de zwartste dagen heb ik soms het gevoel dat de depressie sterker is dan ik en weet ik niet hoe ik vol moet houden. Op één van die dagen heb ik mezelf verteld: “Je kunt niet opgeven. Er zijn nu zóveel mensen die voor je bidden. Dat houdt je staande. Juist als zelf bidden niet meer lukt.” En dat is ook hoe het voelt.

Ik hoorde een preek die mijn zwarte dagen definitief veranderde: Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft (Filippenzen 4: 13). Het vóelt soms niet alsof God me kracht geeft, maar ik wéét dan met mijn verstand dat het zo is en ik gelóóf het. Dat en die muur van gebed rondom me houden me dan staande. En nogmaals, gevoel laat me daarin soms in de steek, maar dan klamp ik me met mijn verstand vast aan God. Er is voldoende kracht voor iedere dag. Dag voor dag.

Ja, soms zijn de dagen zwart en voel je geen vreugde. Maar dat maakt niet dat je geen of een slechte christen bent. Christus Zelf kende dagen met zwarte randen; dagen waarop Hij het niet meer wist. Hij had verdriet. Hij was een mens, net als wij. Hij snapt het. Hij ging er helemaal doorheen. Hij ging nog veel dieper dan wij. Voor ons.

Ik probeer de dagen stuk voor stuk te bezien. Ook daarover leerde ik iets in de kerk: Kijk niet vooruit. Kijk niet achterom. Kijk naar Boven. En als je valt? Dan zijn daar Gods handen onder je, in de diepte. Die vangen je op. Dieper dan Christus ging, kun jij niet vallen.

Dit artikel voelt eng en kwetsbaar. Maar ik wil ook taboes doorbreken en dit artikel voelt daarom minstens net zo nodig als eng en kwetsbaar. Laten we in de reacties elkaar(s levensovertuiging) respecteren.

“Depressie is een cultuurverschijnsel”

Heel lang heb ik mijn naaste omgeving niets verteld over mijn psychische klachten. Ik schaamde me, hoopte dat het wel weer over zou gaan en, misschien wel de voornaamste reden, ik wilde niemand ongerust maken. Er waren een paar mensen die wisten hoe het zat, maar ik probeerde dat aantal tot een minimum te beperken.

Totdat het niet meer ging. Het ging dusdanig slecht dat het noodzakelijk werd mijn naasten op de hoogte te brengen van mijn strijd. Dat had ik veel eerder moeten doen, maar nu kon ik het echt niet meer uitstellen. De reacties waren in de meeste gevallen vol liefde en begrip. Mensen hadden het graag willen weten, zodat ze me hadden kunnen helpen. Anderen boden me een plekje aan om even tot rust te kunnen komen of kwamen een avondje bij me langs.

Helaas stuitte ik ook op onbegrip. Eén van de opmerkingen die me het meest kwetste, was deze: “Depressie is ook een cultuurverschijnsel.” Deze opmerking kwam van een persoon waarvan ik begrip had verwacht. Daar had ik ook op gehoopt. Deze persoon legde uit dat de laatste jaren steeds meer mensen gebruik zijn gaan maken van psychische hulp en dat het aantal mensen dat antidepressiva slikt enorm is toegenomen de laatste jaren. Ik was zó perplex dat ik niets wist te zeggen. Dat heb ik niet snel.  Mijn gesprekspartner legde me uit dat mensen vroeger ook niet altijd blij waren en bijvoorbeeld soms ook last hadden van een postnatale depressie, “maar dan gingen ze ook gewoon door. Al dat erbij stilstaan en die hulp en medicijnen is echt iets van de laatste tijd. Dat is iets van onze cultuur.”

Zoals ik al schreef, was ik dusdanig perplex dat ik echt niet wist wat ik moest zeggen. De opmerking had me pijn gedaan. Nog weken kwam hij in mijn hoofd terug. En opeens wist ik waarom het zo’n pijn deed. Ja, de laatste jaren zijn steeds meer mensen hulp gaan zoeken en ja, er zijn steeds meer mensen antidepressiva gaan slikken. Maar zijn ‘wij’ daarom minder dan de mensen die vroeger gewoon maar doorgingen met hun leven? Ik denk het niet. Ik denk dat we van heel veel mensen van laten we zeggen zo’n halve eeuw geleden niet weten hoeveel lijden zij hebben gekend. Moeten ‘wij’ dan trots zijn op onze openheid? Trots is misschien niet het goede woord. Maar ‘wij’ hebben hulp nodig. En begrip. Met name dat begrip gaan ‘we’ niet krijgen door te zwijgen. Bovendien is het tijd om het stigma te doorbreken. Zoals uit de opmerking dat depressie een cultuurverschijnsel is weer blijkt, is dat schijnbaar nog steeds hard nodig.

Ik wil het hierbij dus nog één keer zeggen: Depressie is van alle tijden. De behandeling is in de loop der tijden ontwikkeld. Laten we daar blij om zijn, in plaats van elkaar erom veroordelen. En als je het niet snapt? Bijt dan maar een keer op je tong en zeg gewoon even niks. Daar worden veel mensen met een depressie nét een beetje minder depressief van.