De ideale wachtkamer

Wachten is voor de meeste mensen niet hun favoriete bezigheid en dat geldt zeker ook voor mij. Ik schreef al eens over de wachtkamer bij de huisarts en de bijbehorende ergernissen.

Inmiddels heb ik ook vele uren doorgebracht in wachtkamers van GGZ-instellingen. De meeste wachtkamers waren groot en druk. Soms zat er in zo’n wachtkamer een gezin, wachtend op één van de gezinsleden die op dat moment bij de behandelaar binnen was. Ik vond dat vreselijk. Ik kwam dan net uit mijn werk, had de hele dag bergen met prikkels aan mijn hoofd gehad in een klas vol pubers, was compleet in de zenuwen voor therapie en dan kwam ik in een wachtkamer vol met prikkels en herrie. In zo’n geval was een sessie al bij voorbaat gedoemd te mislukken. Ik heb zelfs een keer overwogen om op de gang te wachten, toen ik op de trap al hoorde dat een klein kind de wachtkamer op stelten zette. Ik deed het niet, maar weet zeker dat ik het beter wel had kunnen doen. Door overprikkeling was de therapiesessie namelijk totaal niets meer waard.

Behalve de overprikkeling was er altijd nog een ander probleem. Vrijwel niemand wist dat ik onder behandeling was. Ik maakte me dan ook altijd zorgen dat ik een wachtkamer binnen zou stappen en ineens een bekende zou zien of bijvoorbeeld een leerling. Iets ergers dan dat kon ik me niet voorstellen. Ik koos mijn plaats altijd zorgvuldig. Ik ging zo zitten dat ik vanaf de gang niet zichtbaar was. Mocht er dan een bekende uit één van de behandelkamers stappen, kon ik in ieder geval niet betrapt worden.

Op een dag stapte ik een nieuwe wachtkamer binnen. Ik had namelijk een nieuwe behandelaar, bij een andere praktijk. Natuurlijk vond ik dat spannend. Zou het me lukken in gesprek te gaan met een nieuwe behandelaar, zonder dat er sprake was geweest van het overdragen van het dossier? En ja, eerlijk is eerlijk, een nieuwe omgeving vind ik ook ongemakkelijk. Waar moet ik parkeren? Hoe ziet het gebouw eruit? Waar moet ik wachten? Voor het parkeren had ik uiteraard de oplossing. Ik reed gewoon voorafgaand aan de afspraak al een keer langs de praktijk. Probleem opgelost.

Het moment van de eerste afspraak brak aan. Ik kwam in complete stress binnen, maar al heel snel appte ik naar mijn vriendin: Ze scoren hier punten. Ik kwam namelijk binnen in een kleine praktijk. Iemand deed persoonlijk de deur voor me open en wees me de wachtkamer. Mijn mond viel open van verbazing. Ik kwam terecht in een kleine wachtkamer met ruimte voor maar een paar mensen en er was verder niemand. Er was verder niemand! Feest in mijn hoofd! Toen ik eenmaal zat, hoorde ik heel zacht op de achtergrond een muziekje spelen. Muziek die me raakte. Ik wilde het horen en dat ging prima. Vanwege het ideale volume was de muziek echter ook te negeren, als ik dat liever zou willen. Ik keek eens om me heen. Er lagen wat tijdschriften en er lag wat speelgoed, maar alles was netjes opgeruimd. De muziek bleef me raken. Ik hoorde verder niks. Het was zó stil dat ik de stilte kon horen. En er was dus niemand. Langzaam maar zeker kwam ik tot rust, terwijl ik daar zat te wachten. Dat gebeurde inmiddels al heel wat keren, daar in die wachtkamer.

Ik heb dus de ideale wachtkamer gevonden. Ik zou er uren door kunnen brengen, zelfs als ik geen afspraak heb. Want daar is rust. En rust is fijn.

Verdovende middelen?

Het heeft even geduurd, maar inmiddels durf ik gewoon openlijk toe te geven dat ik medicijnen slik. Naast wat medicijnen om m’n bloedwaarden op orde te houden, slik ik antidepressiva. Van die eerste medicijnen heb ik nooit een geheim gemaakt. Van die antidepressiva wel. En waarom? Dat heeft een lange historie.

Ik begon ooit met antidepressiva op het moment dat mijn psycholoog op vakantie was. Ik kende zijn mening erover. Hij vond antidepressiva verdovende middelen en weglopen voor het probleem. Maar ja, hij was op vakantie en ik werd gek. Ik zat bij de huisarts te vertellen dat ik het niet meer trok en die had gelijk door dat dat waar was: “Er moet nu iets gebeuren.” En na het afstrepen van wat andere opties, kwamen we uit op medicijnen. Ik wist niet wat ik moest zeggen en vertelde nog wel dat mijn psycholoog dat een stom plan vond. Ik moest zeggen wat ik er zelf van vond, maar ik had geen idee. Ik wist alleen maar dat ik gek werd. En dus vond mijn huisarts: “Jij wilt dat ik een besluit voor je neem. Dan gaan we ’t doen,” en schreef een recept uit.

Ik slikte mijn pilletjes. Ik werd er misselijk van, maar merkte er uiteraard de eerste week verder nog niets van.

Na een paar dagen was mijn psycholoog terug van vakantie. Ik biechtte hem op dat ik pillen slikte. Hij was not amused. “Wat kom je hier dan nog doen?” Ik stond perplex. Hij wilde dat ik ermee zou stoppen, want volgens hem had psychotherapie geen enkele zin als ik ook antidepressiva slikte. Ik moest me niet laten verdoven. Dat er die week daarvoor iets moest gebeuren, was hij met me eens. Maar de dokter had met me moeten praten, geen pillen voor moeten schrijven. Door de medicatie zou ik nooit het dieptepunt bereiken en dus niet herstellen, was zijn mening.

Met dat verhaal zat ik, een week na de start met medicatie, bij de huisarts. We besloten te stoppen. Een week voor niks misselijk geweest. Jammer dan.

Ruim een jaar later besefte diezelfde psycholoog* dat we er niet zouden komen. Ik klapte voortdurend dicht als het spannend werd. En ineens kwam er een plan voor antidepressiva op tafel. Ik was vervolgens de kluts kwijt. Nu mocht ’t opeens wel. Maar dat was volgens hem omdat het de eerste keer een impuls was en nu zou het een weloverwogen besluit zijn. Oké dan. Maar ja, nu wilde ik zelf niet meer. In mijn hoofd hoorde ik hem nog al die keren praten over mezelf verdoven met pillen en dat ik dat niet moest doen.

Toch ging ik met het voorstel naar de huisarts. Die ging akkoord en schreef me medicatie voor. De eerste dagen was ik vanwege de bijwerkingen helemaal versuft. Ik wilde stoppen, na een paar dagen, maar zette door. En toen, na een poosje, kwam de werking. Op een dag werd ik wakker en had ik het gevoel dat ik de dag die voor me lag aan zou kunnen. Ik kon me dat gevoel niet eens meer herinneren. Ik stond ’s morgens op, zonder me eerst af te vragen of ik me ziek zou melden. Ik ruimde mijn aanrecht elke dag leeg. De afwasmachine werd gelijk leeggeruimd na een vaat en de was hing niet meer een week op het droogrek, maar lag weer gewoon in de kasten. Het waren kleine veranderingen, maar ik was er heel erg blij mee. Er kwam weer wat structuur terug in mijn leven. De dagen waren weer te overzien.

En inmiddels, nu ik ruim anderhalf jaar antidepressiva slik, schaam ik me er niet meer voor. Ik begon in een periode dat de kranten bol stonden van negatieve verhalen over medicijnen. Toch zette ik door. En nu mag iedereen het van mij weten: Ik slik antidepressiva. Deze medicijnen hebben me helpen overleven. Ze hebben het allerzwartste randje iets minder donker gemaakt. Ze nemen iets van de chaos in mijn hoofd weg. En daarom ben ik blij dat ik nu deze medicijnen slik. Of ik er ooit nog mee ga stoppen? Ergens hoop ik dat. Ergens anders wil ik nooit, maar dan ook nooit meer terug naar dat allerdiepste zwart. En als ik daar m’n hele leven pillen voor nodig heb, dan zal ik die slikken en me daar niet voor schamen. Ik bedoel…ooit iemand gezien die zich schaamt voor zijn dagelijkse pilletje om de bloedwaarden op orde te houden? Nou dan.

*Hij heeft het effect van de medicatie gemist, omdat hij kort daarna zijn vertrek aankondigde.

De uit-knop

Opmerking vooraf: Deze blog gaat over suïcidale gedachten. Als je dat (te) heftig vindt, help jezelf dan vooral door weg te klikken!

Het was zomervakantie. Ik had de laatste schoolweken op mijn tandvlees overleefd. Ik had mezelf op de been gehouden met de gedachte dat ik in de zomervakantie bij zou kunnen tanken en dat het dan heus allemaal wel weer goed zou komen.

En toen was het dus vakantie. De eerste dagen werkte ik nog wat, ik volgde mijn therapieën en begon aan de grote schoonmaak. En ik sliep. Dagen- en nachtenlang.

Ik begon me af te vragen wat het leven allemaal voor zin had. Ik werkte, ik deed mijn huishouden, ik at en ik sliep en dat al jaren. En ik was ongelukkig en bang, dat ook. Was dit het dan echt? Moest ik dat nog jaren vol gaan houden? Dat soort gedachten hadden me al eerder overvallen en dan was ik er altijd van geschrokken, maar dan verdwenen ze weer net zo snel als ze waren gekomen. Nu bleven ze komen. Dat gebeurde terwijl ik een rondje fietste. Ik hield mezelf nog rustig. Dit hoorde erbij, dit zou weer stoppen.

Maar deze keer stopte het niet. Ik wist dat ik niet over zou gaan tot actie(s), maar deze gedachten vond ik eng genoeg. En ondertussen was ik blij met mijn zonnebril. Die verborg tijdens mijn fietstochtje de radeloze tranen die in mijn ogen stonden.

Ik had het gevoel dat ik met dit soort gedachten maar beter even contact op kon nemen met hulpverleners, maar ja, het was weekend. De afspraak was dat ik dan contact op moest nemen met de weekenddienst van de huisarts. En dat ging ik dus niet doen. Dan nemen ze me op. Dat doe ik niet. En zo tobde ik voort. Ik trok een leuk jurkje aan, ging met familie uit eten, deed een partijtje druk en speelde het spel. Mijn familie wist toen nog van niets.

Zo hield ik anderhalve dag vol. Maar toen was het zondagavond en besloot ik dat dit niet normaal was. Toen ik uiteindelijk toch maar contact zocht met de weekenddienst, bleek dat mijn eigen huisarts werkte. Dat vond ik zowel een voor- als een nadeel. Het feit dat hij me kende, voelde ergens als een voordeel, maar tegelijk als een nadeel. Die weet dat ik me altijd aanstel. Maar zo ging het niet. Hij nam me uitermate serieus, maar zette de dingen tegelijk in perspectief. “Je wilt niet dood, je wilt je niet zo ongelukkig voelen en dan ziet jouw hoofd nog één oplossing. Je hoofd wil uit. Als je computer kapot is, is de laatste oplossing ook de stekker eruit en er weer in. Dat is wat jouw hoofd nu wil. Dat is heftig, maar dat is niet wat je wil.” Dat stelde me zó gerust. Ik was niet gek. Ik was alleen ongelukkig. Mijn hoofd zocht de uit-knop en vond die niet.

Nu ik de gedachten kon plaatsen, vond ik ze ineens een stuk minder eng. Dit was niet vreemd, dit hoorde erbij. En zo durfde ik mezelf weer te gaan vertrouwen. Ik wist al dat ik niks zou doen, maar de gedachten alleen vond ik eng genoeg. Maar de meest wijze les die ik hiervan leerde? Het was goed dat ik het deelde. Artsen verklaren je niet voor gek. Ze helpen je. En hoewel er geen uit-knop is, werd er in mijn geval wél even op de pauze-knop gedrukt. En nu, bijna een jaar later, lijken deze gedachten Goddank verleden tijd!

Opmerking achteraf: Mocht je je hierin herkennen en ook met gedachten als deze spelen, neem dan contact op met je huisarts of een andere behandelaar en wacht daar niet mee! Er is hulp. En dat is waarom ik dit, na veel twijfel, deel. Om je te laten zien dat er mensen zijn die je willen en kunnen helpen.

Wat ik niet zeggen kon

Na heel veel jaren van stil verdriet gaf ik toe dat rouw nog een rol speelde in mijn leven. Daar is niets mis mee. Ik ben er namelijk van overtuigd dat rouw altijd een rol zal blijven spelen, zeker op bijzondere dagen, maar in mijn leven was de rol van rouw nog te groot.

Er waren een paar dingen die ik letterlijk niet kon zeggen. Ik kon niet zeggen wat mijn vader tegen me zei toen we afscheid van elkaar namen. Ik kon het woord kanker niet uitspreken. En zo waren er meer woorden en situaties die ik zorgvuldig vermeed. Sommige dingen kreeg ik echt mijn mond niet uit. Ik voelde ze liggen, op het puntje van mijn tong. Ik wilde wel, maar ik kon niet. Ik ging er soms letterlijk van stotteren en werd er een kei in om zinnen dusdanig om te bouwen dat ik geen dingen hoefde te zeggen die ik niet kon. Ik bedoel…zeggen dat iemand een tumor in de (vul maar in) heeft, kon ik wel; dan had ik kanker weer vermeden.

Toen ik de huisarts vertelde dat ik dit probleem had, vroeg hij me iets daarvan hardop uit te spreken. Ik keek wel uit. “Voegt dat iets toe voor het consult?” Hij moest toegeven dat het dat niet deed. Inmiddels moet ik toegeven dat het dat wel had gedaan. Maar ik wilde niet. Zó kwetsbaar ging ik me niet opstellen.

Toen volgde ik EMDR. De dingen die ik niet zeggen kon, bracht ik daar onder woorden. Dat ging niet vanzelf. Soms moest mijn therapeute aftellen en zou ik het bij drie zeggen. Dat deed ik dan niet altijd. Maar ik kwam er wel, na een poosje. Ik was zó verbaasd, dat ik thuis op de bank nog even de dingen herhaalde die ik nu had gezegd en die ik jaren niet had kunnen zeggen.

Niet veel later sprak ik mijn dominee. Ik vertelde hem over mijn vader. Ik vertelde hem de dingen die ik niet zeggen kon en was zelf verbaasd. Dat zei ik er dus ook maar gelijk bij. “Ik zei het!” Ja, ik zei het.

Ik was stomverbaasd over dit effect van EMDR. Ik had vooraf verhalen gelezen waarin mensen het succes van hun behandeling beschreven. Ik had filmpjes gezien. Mijn nuchterheid had zich voorgenomen: Daar trap ik niet in. Wat nou, een beetje dingen honderd keer zeggen en dan naar de vingers van de behandelaar kijken en dan zakt de spanning. Maar het gebeurde mij dus ook, op sommige gebieden.

Soms lukt het nog steeds niet, maar ik weet nu dat ik het wél kan, hoewel nog niet altijd (vanzelf). En om mezelf te bewijzen dat ik het écht kon en dat ik écht heel stoer was, deelde ik na een poosje ook bij de huisarts nog een keer de dingen die ik eerst niet zeggen kon. Om te laten zien: Er is een weg uit het dal. Ik ga er komen, op een dag! Ik kan het!

Dit was het vierde en (voorlopig?) laatste artikel over mijn ervaringen met EMDR. Via de linkjes hieronder zijn de andere artikelen te lezen:
1.
De spanning stijgt.
2.
Help, mijn hulpverlener huilt!
3.
De omgekeerde wereld.

De omgekeerde wereld

Nadat ik bij EMDR een sessie bij elkaar had zitten fantaseren, besloot ik er de volgende keer toch maar even op terug te komen. Dat vond ik spannend, want zou mijn behandelaar dat niet persoonlijk opvatten?

Bij binnenkomst vroeg ze me hoe het ging. “Slecht. Te slecht om te komen eigenlijk, maar ik dacht, ik ga toch maar.” Daar ging ze volledig aan voorbij: “Laten we dan maar snel beginnen.” Ik wilde helemaal niet beginnen, ik wilde nog even de vorige sessie bespreken. Ik legde haar uit wat ik had gedaan, dat ik een beeld bij elkaar had zitten fantaseren en dat ik een dag later naar de huisarts was gegaan. Dat vond ze niet leuk. Ik was heel bang en gefrustreerd en boos op iedereen en het hele leven. Normaal communiceren vond ik daarom wat lastig en dus kwam alles er in een stortvloed van tranen uit.

Dat nam ze nogal persoonlijk: “Ik heb dit niet verdiend.” Dat wist ik en dus legde ik het uit: “Ik ben helemaal niet boos op je, maar ik ben gewoon boos op het leven.” We dreigden volledig vast te lopen. Ze stelde een opname voor. Dat deed voor mij alle deuren dicht. Ik was een keer overstuur, ik was een keer écht eerlijk, ik had een keer geen masker op en ineens was ik klaar voor opname? Dat ging er bij mij even niet in. Omdat ik wel voelde dat ik zelf veel te veel overstuur was om nog normaal na te denken, vroeg ik haar om de huisarts te bellen. “Hij kan ’t wel uitleggen,” snikte ik. Opnieuw was ze boos. “Je kijkt me niet aan. Is dit een vraag?” Ik werd alleen maar nóg bozer. Ik ben compleet de weg kwijt, natuurlijk kijk ik je niet aan! Maar dat zei ik niet, ik zei maar gewoon soort van beleefd dat het echt een vraag was. Ze wilde niet, maar ik zei dat ik het dan zelf wel zou doen. Dat wilde ze nog minder. En weer begon ze met te zeggen dat ze haar best voor me had gedaan, dat ze wilde dat het goed ging en dat ze vond dat ze niet had verdiend dat ik zo deed. Ik legde nóg maar eens uit dat ik helemaal niet boos was op haar, maar dat ik boos was op het leven en dat ik op iedereen zou schelden nu, maar dat zij het net even trof. Eigenlijk was ik zelf wel blij dat ik dit eindelijk eens bij een hulpverlener deed in plaats van op verkeerde plekken, maar ze vond het echt niet leuk. “Ik vind dit ook geen leuk gesprek. Ik heb m’n best gedaan.” En ja, dat vond ik stiekem onprofessioneel.

Uiteindelijk liet ze me, na drie kwartier, volledig overstuur de behandelkamer uit. Op straat, op weg naar de auto, keken mensen me meewarig aan. Ik stapte in de auto en had géén idee hoe ik thuis zou moeten komen. Ik vond mezelf een gevaar op de weg. Eerst zette ik de auto dus maar eens stil en nam contact op met een vriendin. Die vroeg me alsjeblieft heel voorzichtig te doen en nam contact op met mijn andere psycholoog, zodat die me bij thuiskomst zou kunnen bellen.

Zo geschiedde. Mijn psycholoog wist me duidelijk te maken wat er was gebeurd, zette een stappenplan uit en benadrukte dat de paniek weer zou zakken.

Een week later zat ik bij de huisarts. Het eerste wat ik vroeg was of mijn EMDR-behandelaar al gebeld had. Hij had haar nog niet gesproken en was blij dat hij mij eerst sprak. “O,” begon ik, “doe echt lief tegen haar hoor, want ik denk dat ze in een hoekje heeft zitten huilen toen ik vorige week wegging, het was echt heel zielig. Ze vond dat ik vervelend deed en ze vond het geen fijn gesprek en ik maak me gewoon écht zorgen om haar nu.” Dat laatste was waar. Ik maakte me zorgen. Ik was bang dat ik haar gekwetst had. De huisarts trok een snelle, rake conclusie: “Dit gaat niet. Dit is de omgekeerde wereld. Jij moet je geen zorgen maken om je hulpverlener. Deze behandelrelatie is stuk. Die gaan we beëindigen.” En dat deden we. Het was voor mij eigenlijk al fout gegaan op het moment dat mijn EMDR-behandelaar huilde. Dát was het moment dat ik mezelf niet meer durfde te geven. En nu besloot de huisarts voor mij deze omgekeerde wereld weer recht te zetten. Behalve een gevoel van falen, gaf me dat een gevoel van opluchting. Ik kon nog verder bij mijn andere psycholoog en om de EMDR-behandelaar zou ik me geen zorgen meer hoeven maken. Wel zo veilig.

*Kleine disclaimer: Ik wil hier niemand verwijten maken, want uiteraard lag het (voor het grootste deel) ook aan mij, maar ik wil wel duidelijk maken wat een huilende en zich kwetsbaar opstellende hulpverlener met mij doet. Ik denk namelijk dat dat voor een hulpverlener best eens goed kan zijn om te lezen.

Help, mijn hulpverlener huilt!

Om het verlies van mijn vader te verwerken, volgde ik EMDR. Het was de bedoeling dat ik zo toe zou komen aan rouw en dat zijn overlijden niet meer zo vreselijk veel spanning en angst bij me op zou roepen.*

Ik schreef al eerder dat de sessies niet altijd helemaal liepen zoals ik hoopte. Er was één sessie waar ik heel erg tegenop had gezien, maar waarvan ik ook wel wist dat die nodig was. Mijn hulpverlener had me gevraagd wat ik mijn vader zou zeggen als ik hem een brief zou schrijven. Ik vond dat een stomme opdracht, want eh…hij ging ‘m niet lezen, dus ik ging ‘m niet schrijven. Zij moedigde me aan die brief toch te schrijven, omdat ze dacht dat het me zou helpen in het proces.

Omdat ik het schrijven van de brief heel eng vond, stelde ik het eerst maar lekker lang uit. Toen ging ik er toch maar eens voor zitten en bleek het helemaal niet zo moeilijk te zijn als ik dacht. Ik schrijf nu eenmaal graag. Ik moest de brief ook voorlezen en dat vond ik spannend. Wilde ik echt zo’n brief delen? Ik besloot het maar een kans te geven.

De therapiesessie brak aan. Mijn hulpverlener vroeg me of ik de brief had geschreven. Dat had ik. “Wil je hem voorlezen?” Dat wilde ik ook. Het voelde héél eng en héél kwetsbaar. Ik deelde in de brief wat mijn vader voor mij betekend had en hoeveel hij van mij hield en ik van hem. Daar had ik een paar kantjes voor nodig gehad, maar ik was er tevreden over. Het schrijven had ik met droge ogen gedaan, maar ik wist dat ik zou gaan huilen als ik de brief zou voorlezen. Dat was dan ook precies wat er gebeurde. Ik vond het zó kwetsbaar en zó ‘van mij’ dat ik mijn hulpverlener, na het voorlezen van de brief, niet aan durfde te kijken. Ik bleef dus maar een beetje naar de grond kijken en naar de brief in mijn trillende handen.

Mijn hulpverlener nam het woord: “Dankjewel. Dankjewel dat je mij ook een beetje hebt laten huilen. Je kunt prachtig schrijven.” Dat laatste vond ik fijn om te horen, want ik vond zelf eigenlijk ook dat ik wel een mooi stuk had geschreven. Maar dat eerste liet me volledig blokkeren. Ze moest huilen? Kon ze het dan niet aan? Was het te heftig? Vanaf dat moment voelde de behandelrelatie met deze hulpverlener niet veilig meer. Ik vond het eng dat ik haar geraakt had en was bang dat nog een keer te doen. Ik snap het heel goed, maar voor mij als cliënt voelde het heel onveilig. Zij zag het als verbinding. Ik niet. Ik vond het alleen maar heel erg eng. Ze vroeg me hoe ik dat dan met vrienden doe. Ja, die huilen soms ook om en met mij en dat vind ik prima, want dat zijn mijn vrienden en niet mijn hulpverleners.

Ik verdiepte me thuis eens in hoe het zit met huilende hulpverleners. Ik las dat er mensen zijn die het prima vinden als hulpverleners huilen in het bijzijn van hun cliënten. En nogmaals, ik snap het hélemaal als je af en toe moet huilen. Maar voor mij werkt het niet en voelt het heel, heel onveilig. De volgende dag las ik de brief nog eens voor, aan mijn andere psycholoog. Ik stelde deze keer wel een voorwaarde: “Niet gaan huilen.”

*Met de kennis van nu weet ik dat de angst voor een groot deel ook voortkomt uit mijn autisme, maar dat was toen nog niet bekend.

De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

Achter het masker

Al heel lang draag ik een masker. Soms bewust, maar meestal onbewust. Mijn masker is zó bij me gaan horen, dat ik vaak niet eens door heb dat ik het draag.

Met mijn masker op ben ik altijd vrolijk en gezellig. Zelfs bij hulpverleners en mensen die me goed kennen, zet ik meestal dat masker op. Mijn masker heeft me in die zin iets gebracht, dat het ervoor heeft gezorgd dat ik lang ‘normaal’ heb kunnen functioneren. Totdat het echt niet meer ging.

Niemand had dat aan zien komen. Mijn masker, dat altijd mijn redding was geweest, zat me nu behoorlijk in de weg. Want ja, ik zag er toch niet ziek uit? Ik deed mijn werk toch goed? Ik had toch een leuk leven? Waarom had ik dan depressieve klachten en kon ik niet meer werken?

Mijn masker heeft ervoor gezorgd dat ik ook zelf soms niet meer weet wat ik echt voel. Daarbij vind ik het eng om anderen mijn gevoel te laten zien en dus zet ik dan maar snel mijn vrolijke masker op. Voor ik er eerlijk voor uit was gekomen dat ik het allemaal niet redde, keek er heel af en toe iemand achter het masker. De huisarts zei toen: “Als je iemand een keer een klein kijkje achter je muur gunt, schrikt die.” Daar schrok ik dan weer van. “Waarom schrikt die dan?” “Omdat daar zo heel veel zit waar je aan de buitenkant niks van merkt.” O. Oké. Au.

Het lukt niet alle hulpverleners om (altijd) achter het masker te komen. Toen ik me net ziek had gemeld, vond één van mijn hulpverleners: “Als ik je nu zie zitten, zou ik je zo terug naar je werk sturen.” Later voegde ze toe dat ze wist dat dat alleen buitenkant was en tóch vond ik het vervelend. Het helpt mij juist als hulpverleners mijn masker (h)erkennen.

Mijn huisarts liep pas weer keihard tegen mijn masker aan. Ik kwam met een lichamelijke klacht, waarvan ik vond dat die nooit serieus wordt genomen en had er een aparte afspraak voor gemaakt. Ik wilde niet verzanden in een gesprek over mijn psychische gezondheid. Mijn masker, dat mijn spanning moest verbergen, meldde bij binnenkomst: “Ik moet nog twee blogs schrijven voor volgende week en ik had nog wat inspiratie nodig…” Ik vervolgde, serieus: “Als ik het gevoel heb dat ik niet serieus word genomen, ga ik naar een andere arts.” De hypochonder in mij wilde natuurlijk horen dat ik wel serieus werd genomen, maar de huisarts vond het geen probleem als ik naar een andere arts zou gaan. Hm. Wacht even. Ik wel, stiekem. Dit soort uitspraken zijn een test. Toen legde hij het uit: “Ik moet ook even schakelen; jij zit met een glimlach te vertellen dat je je zorgen maakt. Dan moet ik in m’n hoofd even omdraaien dat hoe harder je lacht, hoe groter je zorgen zijn.” Ja, dat dus. Ik geef toe dat mijn masker het ook niet zo eenvoudig maakt om mij serieus te nemen. Hij nam me wel serieus. Denk ik, roept de hypochonder dan. Tussen neus en lippen door kreeg ik nog wat blogtips. Dat ook.

De arbo maakte ook kennis met mijn masker en adviseerde me na een paar contacten: “Je moet stoppen met je anders voordoen dan je je voelt.” Ja, goed idee. Iemand de knop al gevonden? Ik doe echt mijn best, maar het is een lange weg. Uiteindelijk ben ik zonder masker leuker dan met masker, maar ik ben mezelf na al die jaren weer aan het herontdekken. En dat kost tijd.

De diagnose

Na jaren van aanmodderen, verschillende vormen van begeleiding en ein-de-lijk toegeven dat ik het niet meer redde, was ik klaar voor verder psychologisch onderzoek. Op mijn werk was ik vastgelopen en mijn negatieve gedachten hadden inmiddels in mijn hoofd meer ruimte ingenomen dan leuk was, waardoor ik uiteindelijk het stempeltje depressie droeg. Maar waar kwam die depressie dan vandaan? Kwam het door rouw? Kwam het door hypochondrie? Er moest in mijn beleving meer zijn dan dat, maar ik kreeg de puzzelstukjes maar niet op hun plaats.

Tot nog maar heel kort geleden. Het was tijd voor de uitslag van de psychologische onderzoeken. Ik vond het spannend. Wat als ik me niet zou kunnen vinden in de uitslag? Wat als er iets uit zou komen waar ik me voor zou schamen?

Tijdens het gesprek was ik blij met mijn onderwijskundige achtergrond; alle termen en grafiekjes zeiden me in ieder geval iets.

Alle onderzoeken en hun resultaten werden beschreven. Beter gezegd, het gesprek was een beschrijving van mij. Iemand schetste een beeld van mijn ingewikkelde persoontje en ik kon me er helemaal in vinden. Ik vond dat heerlijk en heel bijzonder, want dat had ik nog maar zelden meegemaakt.

Toen volgde de diagnose. Ik mocht zelf, na de omschrijving, de conclusie trekken. Dat was voor mij heel eenvoudig: “Als ik dit allemaal hoor, is de diagnose autisme.” Dat was het.

Wie me een maand eerder had verteld dat ik de diagnose autisme zou krijgen, had ik keihard uitgelachen. Ik, autistisch? Nooit. Nee, ik houd niet van grote gezelschappen en ik ben hypergevoelig voor geluid, maar ik kan ook prima kletsen en ik kijk je ‘gewoon’ aan als we met elkaar praten. En toch was er gelijk rust, nadat het woord was gevallen. Ik had net een omschrijving van mezelf gehoord en ja, daar past autisme bij.

Puzzelstukje na puzzelstukje viel op zijn plaats. Dat ik zo dol ben op structuur, dat kinderen met autisme in mijn klas het altijd zo goed doen, dat anderen me vaak niet snappen, dat ik graag alleen ben, dat ik niet oplaad in gezelschappen, dat ik vast ben gelopen op het werk en nog veel meer.

Eén puzzelstukje kreeg ik niet geplaatst. Ik ben heel gevoelig , op allerlei vlakken, maar ook voor de stemming van anderen. Ik voel het haarfijn aan als iemand verdrietig of boos is en ik ga niet akkoord met ja zeggen en nee denken. Dat heb ik gelijk door. Ook dat bleek bij een vrouw met autisme heel goed te kunnen.

Bovendien heb ik inmiddels ontdekt dat dé autist niet bestaat. Ik ben ik. Ik snap mezelf opeens veel beter. In plaats van mezelf te veroordelen, kan ik mezelf begrijpen. De diagnose geeft me heel, heel veel rust. Ik ben zo blij en dankbaar dat ik mezelf nu beter kan begrijpen. Ik hoef mezelf niet te veroordelen. Ik begrijp waarom ik bepaalde dingen niet kan of niet snap en dat ik vast ben gelopen. Ik ben ik. Met diagnose. En, zoals mijn behandelaar heel mooi verwoordde: “Welke diagnose je ook krijgt, voor God verandert dat niet wie je bent.” In die wetenschap ging ik naar het gesprek. In die wetenschap liep ik weer naar buiten. Ik ben uniek. Nog veel unieker dan ik wist. En ik mag er zijn.

*Gek genoeg heb ik even geaarzeld of ik dit wilde delen. Inmiddels deel ik dit met volle overtuiging, júist ook omdat er over vrouwen met autisme nog vrij weinig bekend is. Ik weet het ook allemaal niet. Ik schrijf gewoon over mijn eigen ervaringen. Voor mezelf. En voor iedereen die er wat aan heeft. Vanaf nu zullen er dus meer artikelen verschijnen met dit thema.