De spanning stijgt

Mijn huisarts kwam, na jaren van therapie, met het idee om EMDR te gaan doen. EMDR is een vorm van traumaverwerking en in mijn geval zou die zich moeten richten op het verlies van mijn vader, dat een grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn hypochondrie.

Ik vond het een doodenge stap, maar ik voelde ook wel dat het nodig was. EMDR deed ik naast mijn andere therapie (bij een andere praktijk) en daarom gingen we gelijk het diepe in. Ik vond dat wel prima.

Tijdens de eerste sessie merkte ik effect. Ik kwam gesloopt, maar wel heel rustig, thuis. Tijdens de tweede sessie gebeurde er niks. Mijn hoop begon al wat af te nemen. Na ongeveer tien sessies voelde ik vooral onbegrip. Soms was het zó druk in mijn hoofd dat ik een EMDR-sessie, tot grote frustratie van de behandelaar, niet zag zitten. Dan had ik beter niet kunnen komen. Ik vond het zelf heel stoer dat ik toch was gekomen, maar blijkbaar werkt het dus anders. Soms besteedden we dan een sessie aan andere zaken, maar uiteindelijk moest ik natuurlijk weer terug naar EMDR.

Op een dag besloot ik niet over mijn vader, maar over een ander onderwerp te praten. Ik wilde mijn lichamelijke angsten aanpakken. De huisarts had me diezelfde morgen nog gestimuleerd om dat te doen, dus ik zette al mijn weerstand opzij en wilde er vol voor gaan. Mijn therapeut was het daar helemaal mee eens.

Daar gingen we dus. Ik moest beginnen met het beschrijven van een beeld. Ehm, ik heb geen beeld. Ik ben gewoon bang dat ik ziek ben en dat het mis is. Daar ging ze niet mee akkoord. Ik moest er een beeld bij hebben. Ze hielp me op weg. “Lig je in bed?” Ik had géén idee, zag helemaal niets voor me, maar als zij me in een bed wilde leggen, prima, dan lag ik in een bed. Zo bouwde ze het beeld uit. “Wat zie je?” Ik zie niks, ik voel me alleen maar bang. En ik zie vooral dat jouw bureau een enorme puinzooi is die je eens op moet ruimen, want ik kan me zo niet concentreren. Dat zei ik niet. Ik verzon een beeld van een foute echo. En zo fantaseerde ik alles bij elkaar, hier en daar door haar geholpen. Het deed me werkelijk niks. Ik zag niks voor me, ik voelde iets. Doodsangst.

We begonnen aan de verwerking. Terwijl ik het beeld voor me moest zien, moest ik het bewegende lampje in de lichtbalk volgen. Je bureau is een bende, je moet opruimen, huh, draag jij een bril? Na de eerste keer moest ik zeggen wat er gebeurde. “Er gebeurt niks. Ik denk alleen maar aan andere dingen.” Ik vond dat zelf heel logisch, want ik was bezig met iets wat voor mij totaal anders voelde dan waar we nu mee aan de slag waren. De therapeut raakte gefrustreerd: “Dan loop je ervoor weg. Kom op, concentreer je. Wat voel je?” Ik gaf aan dat ik pijn voelde. “Ja, maar dat is écht, daar gaat het nu niet over, het gaat over wat als…Voor mij gaat het daar wél over. Ik blokkeerde en besloot het spel mee te spelen.

We zetten de sessie voort. Op een gegeven moment voelde ik de angst toenemen. De spanning steeg. De vraag na iedere keer ‘verwerken’ was of de spanning zakte. Eerst zei ik van niet. Toen voelde ik langzaam het einde van de sessie naderen en omdat deze sessie geen enkele zin had, antwoordde ik op een gegeven moment maar dat de spanning nu draaglijk was. Zij blij. Sessie klaar. Ik vanbinnen overstuur, maar vanbuiten de rust zelve. Daar hielp ik mezelf uiteraard niet mee, maar ik voelde haar frustratie en durfde dus niet te zeggen dat de spanning alleen maar was toegenomen.

Bij thuiskomst belde ik direct de huisartsenpraktijk en vroeg om een afspraak. Want ja, ik had m’n best gedaan. Dit werkte niet; de angst was alleen maar toegenomen, net als het vreselijke gevoel van onbegrip. Dán moest de dokter me maar gewoon weer ouderwets geruststellen. En dat deed hij dus, een dag later, zonder boosheid en zonder onbegrip. En ja, tóen nam de spanning ein-de-lijk af.

De zieke hypochonder

Ieder signaal van mijn lichaam neem ik heel serieus. Als mijn lichaam hapert, ben ik er altijd van overtuigd dat de oorzaak ook in m’n lichaam ligt. Artsen zijn dat niet met me eens. Als ik met een lichamelijke klacht bij de huisarts kom, lijkt de eerste gedachte te zijn: O, oké, stress, te druk gemaakt, ze is er bang over, valt wel mee. In het verleden heeft dat erin geresulteerd dat een arts me lang liet lopen met een klacht die wel degelijk serieus genomen moest worden. Er groeide in mijn lichaam een poliep die, zoals me na weefselonderzoek werd verteld, kwaadaardig zou worden. Dat zou niet heel lang meer geduurd hebben. De ziekenhuisarts vertelde me na het verwijderen van de poliep dat ik er niet nog een paar jaar mee had moeten lopen, want dan was ik te laat geweest. Het bevestigde alleen maar wat ik al die jaren al dacht: Zie je wel! Ik was heel blij dat ik was blijven ‘zeuren’ en uiteindelijk mijn verwijzing naar het ziekenhuis had gekregen.

Ik bezocht vervolgens de huisarts die me heel vaak had gezien en nooit serieus genomen. Alles kwam zogenaamd door stress. Ik verweet hem dat. Hij nam dat niet zo heel serieus. “Ik kan ook wel een poliep hebben, nou, prima toch?” Prima toch? Hallo, hoor je wat ik zeg? Dat ding zou kwaadaardig worden! Denk eens na! Wat een klein beetje hielp, was dat hij vervolgens uitlegde: “Juist bij een hypochonder moeten we extra alert zijn dat we niet iets over het hoofd zien.” Ik geloofde dat wel, maar had niet de indruk dat hij dat ook in de praktijk bracht. Weg vertrouwen.
Een paar weken later kwam ik bij een andere huisarts. Die had verder niks te maken met de ‘gemiste’ diagnose, dus ik verweet hem niets. Toch begon hij er zelf over: “Je had dus toch een poliep…” En alleen die ene zin gaf mij rust. Ja, ik had een poliep en die krijg je niet van stress. Die kreeg ik door foute genen. Dat was déze huisarts helemaal met me eens.

Na dat avontuur liet ik me uiteraard nóg minder wegsturen. Ik zou me nooit meer naar huis laten sturen met de boodschap dat dingen tussen m’n oren zitten of dat alles veroorzaakt wordt door stress. Dat heeft me gemaakt tot de enorme ‘zeur’ die ik nu ben. Ja, ik kan drammen. Dat doe ik omdat ik bang ben. Omdat ik alle controle over mijn gezondheid ben verloren. Omdat ik destijds niet gehoord ben. Omdat ik heb gezien wat er kan gebeuren als een diagnose gemist wordt.

Heb ik me daarna dan nooit meer weg laten sturen? Dat heb ik wel. Heel vaak. De huisarts die destijds nogal laconiek deed, is (hoera!) vertrokken. Zijn vervanger is mijn tegenwoordige vaste huisarts. Mijn eerste consult bij hem was een feestje: “We moeten je lichaam ook serieus nemen.” Oké, deze huisarts is top. Maar ja, eh…Na bijna drie jaar weet ook deze huisarts het soms niet meer. Ik zeur nog steeds. Ik ben nog steeds bang. En ja, we moeten mijn lichaam serieus nemen. Maar mijn angst ook. En daarom volgen we een twee-sporen-beleid. Ik mag elke drie weken naar de huisarts. Maar er is meer. Ik ga een behandeling volgen voor mijn angst, nog specifieker dan de behandelingen die ik al heb (gevolgd), in de hoop dat ik voortaan signalen van mijn lichaam serieus kan nemen zónder enorme paniek. En in de hoop dat mijn bezoeken aan de huisarts sterk verminderd kunnen worden. Dat is voor de huisarts fijn en stiekem voor mij ook, want, schreeuwt mijn hypochondrie, dan nemen ze me misschien weer eens serieus als ik kom.

Achter het masker

Al heel lang draag ik een masker. Soms bewust, maar meestal onbewust. Mijn masker is zó bij me gaan horen, dat ik vaak niet eens door heb dat ik het draag.

Met mijn masker op ben ik altijd vrolijk en gezellig. Zelfs bij hulpverleners en mensen die me goed kennen, zet ik meestal dat masker op. Mijn masker heeft me in die zin iets gebracht, dat het ervoor heeft gezorgd dat ik lang ‘normaal’ heb kunnen functioneren. Totdat het echt niet meer ging.

Niemand had dat aan zien komen. Mijn masker, dat altijd mijn redding was geweest, zat me nu behoorlijk in de weg. Want ja, ik zag er toch niet ziek uit? Ik deed mijn werk toch goed? Ik had toch een leuk leven? Waarom had ik dan depressieve klachten en kon ik niet meer werken?

Mijn masker heeft ervoor gezorgd dat ik ook zelf soms niet meer weet wat ik echt voel. Daarbij vind ik het eng om anderen mijn gevoel te laten zien en dus zet ik dan maar snel mijn vrolijke masker op. Voor ik er eerlijk voor uit was gekomen dat ik het allemaal niet redde, keek er heel af en toe iemand achter het masker. De huisarts zei toen: “Als je iemand een keer een klein kijkje achter je muur gunt, schrikt die.” Daar schrok ik dan weer van. “Waarom schrikt die dan?” “Omdat daar zo heel veel zit waar je aan de buitenkant niks van merkt.” O. Oké. Au.

Het lukt niet alle hulpverleners om (altijd) achter het masker te komen. Toen ik me net ziek had gemeld, vond één van mijn hulpverleners: “Als ik je nu zie zitten, zou ik je zo terug naar je werk sturen.” Later voegde ze toe dat ze wist dat dat alleen buitenkant was en tóch vond ik het vervelend. Het helpt mij juist als hulpverleners mijn masker (h)erkennen.

Mijn huisarts liep pas weer keihard tegen mijn masker aan. Ik kwam met een lichamelijke klacht, waarvan ik vond dat die nooit serieus wordt genomen en had er een aparte afspraak voor gemaakt. Ik wilde niet verzanden in een gesprek over mijn psychische gezondheid. Mijn masker, dat mijn spanning moest verbergen, meldde bij binnenkomst: “Ik moet nog twee blogs schrijven voor volgende week en ik had nog wat inspiratie nodig…” Ik vervolgde, serieus: “Als ik het gevoel heb dat ik niet serieus word genomen, ga ik naar een andere arts.” De hypochonder in mij wilde natuurlijk horen dat ik wel serieus werd genomen, maar de huisarts vond het geen probleem als ik naar een andere arts zou gaan. Hm. Wacht even. Ik wel, stiekem. Dit soort uitspraken zijn een test. Toen legde hij het uit: “Ik moet ook even schakelen; jij zit met een glimlach te vertellen dat je je zorgen maakt. Dan moet ik in m’n hoofd even omdraaien dat hoe harder je lacht, hoe groter je zorgen zijn.” Ja, dat dus. Ik geef toe dat mijn masker het ook niet zo eenvoudig maakt om mij serieus te nemen. Hij nam me wel serieus. Denk ik, roept de hypochonder dan. Tussen neus en lippen door kreeg ik nog wat blogtips. Dat ook.

De arbo maakte ook kennis met mijn masker en adviseerde me na een paar contacten: “Je moet stoppen met je anders voordoen dan je je voelt.” Ja, goed idee. Iemand de knop al gevonden? Ik doe echt mijn best, maar het is een lange weg. Uiteindelijk ben ik zonder masker leuker dan met masker, maar ik ben mezelf na al die jaren weer aan het herontdekken. En dat kost tijd.