Verrassing!

Spontane acties; ik houd ervan. Als de zon schijnt, kan ik ’s morgens bedenken dat ik naar het strand wil en een uur later in de auto zitten en volop genieten. Als ik opeens bedenk dat ik dringend nog iets nodig heb, kan ik een kwartier later in de winkel staan. Dus ja, ik ben van de spontane acties.

Of toch eigenlijk niet. Spontane acties die ik zelf bedenk, vind ik namelijk prima. Maar dan komt er een ander met een spontane actie en dan moet ik schakelen. Dat heb ik mijn hele leven al gehad. Als ik heb bedacht dat ik een dag wil lezen en iemand vraagt of ik zin heb om mee te gaan wandelen of shoppen, vind ik dat lastig. Dat betekent voor mij dat ik compleet het overzicht verlies en dus in volle stress schiet. Ik moet nog…ik kan niet…ik wil nog…ja maar…en hoe moet dit of dat dan…ik ben moe…ik wilde vandaag rust…de week zit al zo vol… Ik snap nu dat dat één van de dingen is die worden veroorzaakt door mijn autisme, maar heel lang heb ik dat stom gevonden van mezelf.

Nu vind ik het nog steeds lastig, maar kan ik het plaatsen. Betekent dat dat ik nooit inga op een spontane actie van een ander? Nee, dat betekent het niet. Schakelen gebeurt vooral intern, in mijn hoofd. Ik moet een appje met een uitnodiging voor een spontane actie heel even laten bezinken. In mijn hoofd neem ik dan de planning van de dag en de week door en probeer ik die om te zetten. Meestal lukt me dat binnen vijf minuten. Soms lukt me dat ook niet. Dan heb ik behoefte aan een dagje zonder prikkels, maar nee zeggen moet ik nog een beetje leren.

Ik ken mensen die zonder aankondiging soms even bij elkaar op bezoek gaan. Gewoon, ineens gaat de deurbel en daar is de ander dan. “Verrassing!” Als mij dat overkomt, gaat het mis. Ik weet dan niet hoe ik moet reageren. Of nouja, dat weet ik wel, ik moet het leuk vinden, maar in mijn hoofd gebeuren er andere dingen: Is mijn huis schoon? Is het opgeruimd? Ligt er niks op tafel waarvan ik liever niet heb dat anderen het zien? Staat de verwarming hoog genoeg om bezoek te ontvangen? Heb ik iets te eten en te drinken in huis? Al die vragen zijn niet nodig en dat weet ik, met mijn verstand. Mijn huis is altijd schoon en ja, soms staan er voetstappen in de gang, maar dat heb je nu eenmaal met het Hollandse weer. Soms ligt er inderdaad wat ‘rommel’ op tafel, zoals mijn kleurboeken. De enige die dat erg zal vinden, ben ik. De ander zal dat namelijk bijna niet zien óf snappen dat ik daar dus mee bezig was op het moment dat de bel ging. En eten en drinken heb ik altijd in huis. Ik eet zelf geen koekjes, maar er ligt altijd een pak voor het geval dat.

Als er bij mij iemand ‘spontaan’ langskomt, is er eigenlijk altijd eerst een appje geweest met de vraag of dat kan. Tussen dat appje en de komst van de ander heb ik dan de kans gehad om mijn huis en de koekjesvoorraad te checken. Heel zelden doe ik dat niet. Dat is als er op crisismomenten een vriendin komt. Dan check ik niks. Dan is het een rommel en kan het zelfs gebeuren dat ik nog in pyjama loop en het interesseert me dan niks.

Dat is precies het punt. Dit gaat namelijk helemaal niet over een schoon en opgeruimd huis, maar over overzicht. Ik ben rustiger als ik weet wat er gaat gebeuren, als ik de week kan plannen. En ja, dat vind ik vaak stom, maar toch…nu daar het label autisme aan hangt, accepteer ik het meer van mezelf. En het allermooiste? Mijn omgeving accepteert het ook veel meer, hoewel dat misschien vooral komt omdat ik het zélf accepteer. Want zo werkt dit: als je eerlijk bent en jezelf bent, krijg je een veel mooier contact met anderen, heb ik geleerd.

De uit-knop

Opmerking vooraf: Deze blog gaat over suïcidale gedachten. Als je dat (te) heftig vindt, help jezelf dan vooral door weg te klikken!

Het was zomervakantie. Ik had de laatste schoolweken op mijn tandvlees overleefd. Ik had mezelf op de been gehouden met de gedachte dat ik in de zomervakantie bij zou kunnen tanken en dat het dan heus allemaal wel weer goed zou komen.

En toen was het dus vakantie. De eerste dagen werkte ik nog wat, ik volgde mijn therapieën en begon aan de grote schoonmaak. En ik sliep. Dagen- en nachtenlang.

Ik begon me af te vragen wat het leven allemaal voor zin had. Ik werkte, ik deed mijn huishouden, ik at en ik sliep en dat al jaren. En ik was ongelukkig en bang, dat ook. Was dit het dan echt? Moest ik dat nog jaren vol gaan houden? Dat soort gedachten hadden me al eerder overvallen en dan was ik er altijd van geschrokken, maar dan verdwenen ze weer net zo snel als ze waren gekomen. Nu bleven ze komen. Dat gebeurde terwijl ik een rondje fietste. Ik hield mezelf nog rustig. Dit hoorde erbij, dit zou weer stoppen.

Maar deze keer stopte het niet. Ik wist dat ik niet over zou gaan tot actie(s), maar deze gedachten vond ik eng genoeg. En ondertussen was ik blij met mijn zonnebril. Die verborg tijdens mijn fietstochtje de radeloze tranen die in mijn ogen stonden.

Ik had het gevoel dat ik met dit soort gedachten maar beter even contact op kon nemen met hulpverleners, maar ja, het was weekend. De afspraak was dat ik dan contact op moest nemen met de weekenddienst van de huisarts. En dat ging ik dus niet doen. Dan nemen ze me op. Dat doe ik niet. En zo tobde ik voort. Ik trok een leuk jurkje aan, ging met familie uit eten, deed een partijtje druk en speelde het spel. Mijn familie wist toen nog van niets.

Zo hield ik anderhalve dag vol. Maar toen was het zondagavond en besloot ik dat dit niet normaal was. Toen ik uiteindelijk toch maar contact zocht met de weekenddienst, bleek dat mijn eigen huisarts werkte. Dat vond ik zowel een voor- als een nadeel. Het feit dat hij me kende, voelde ergens als een voordeel, maar tegelijk als een nadeel. Die weet dat ik me altijd aanstel. Maar zo ging het niet. Hij nam me uitermate serieus, maar zette de dingen tegelijk in perspectief. “Je wilt niet dood, je wilt je niet zo ongelukkig voelen en dan ziet jouw hoofd nog één oplossing. Je hoofd wil uit. Als je computer kapot is, is de laatste oplossing ook de stekker eruit en er weer in. Dat is wat jouw hoofd nu wil. Dat is heftig, maar dat is niet wat je wil.” Dat stelde me zó gerust. Ik was niet gek. Ik was alleen ongelukkig. Mijn hoofd zocht de uit-knop en vond die niet.

Nu ik de gedachten kon plaatsen, vond ik ze ineens een stuk minder eng. Dit was niet vreemd, dit hoorde erbij. En zo durfde ik mezelf weer te gaan vertrouwen. Ik wist al dat ik niks zou doen, maar de gedachten alleen vond ik eng genoeg. Maar de meest wijze les die ik hiervan leerde? Het was goed dat ik het deelde. Artsen verklaren je niet voor gek. Ze helpen je. En hoewel er geen uit-knop is, werd er in mijn geval wél even op de pauze-knop gedrukt. En nu, bijna een jaar later, lijken deze gedachten Goddank verleden tijd!

Opmerking achteraf: Mocht je je hierin herkennen en ook met gedachten als deze spelen, neem dan contact op met je huisarts of een andere behandelaar en wacht daar niet mee! Er is hulp. En dat is waarom ik dit, na veel twijfel, deel. Om je te laten zien dat er mensen zijn die je willen en kunnen helpen.

Wat ik niet zeggen kon

Na heel veel jaren van stil verdriet gaf ik toe dat rouw nog een rol speelde in mijn leven. Daar is niets mis mee. Ik ben er namelijk van overtuigd dat rouw altijd een rol zal blijven spelen, zeker op bijzondere dagen, maar in mijn leven was de rol van rouw nog te groot.

Er waren een paar dingen die ik letterlijk niet kon zeggen. Ik kon niet zeggen wat mijn vader tegen me zei toen we afscheid van elkaar namen. Ik kon het woord kanker niet uitspreken. En zo waren er meer woorden en situaties die ik zorgvuldig vermeed. Sommige dingen kreeg ik echt mijn mond niet uit. Ik voelde ze liggen, op het puntje van mijn tong. Ik wilde wel, maar ik kon niet. Ik ging er soms letterlijk van stotteren en werd er een kei in om zinnen dusdanig om te bouwen dat ik geen dingen hoefde te zeggen die ik niet kon. Ik bedoel…zeggen dat iemand een tumor in de (vul maar in) heeft, kon ik wel; dan had ik kanker weer vermeden.

Toen ik de huisarts vertelde dat ik dit probleem had, vroeg hij me iets daarvan hardop uit te spreken. Ik keek wel uit. “Voegt dat iets toe voor het consult?” Hij moest toegeven dat het dat niet deed. Inmiddels moet ik toegeven dat het dat wel had gedaan. Maar ik wilde niet. Zó kwetsbaar ging ik me niet opstellen.

Toen volgde ik EMDR. De dingen die ik niet zeggen kon, bracht ik daar onder woorden. Dat ging niet vanzelf. Soms moest mijn therapeute aftellen en zou ik het bij drie zeggen. Dat deed ik dan niet altijd. Maar ik kwam er wel, na een poosje. Ik was zó verbaasd, dat ik thuis op de bank nog even de dingen herhaalde die ik nu had gezegd en die ik jaren niet had kunnen zeggen.

Niet veel later sprak ik mijn dominee. Ik vertelde hem over mijn vader. Ik vertelde hem de dingen die ik niet zeggen kon en was zelf verbaasd. Dat zei ik er dus ook maar gelijk bij. “Ik zei het!” Ja, ik zei het.

Ik was stomverbaasd over dit effect van EMDR. Ik had vooraf verhalen gelezen waarin mensen het succes van hun behandeling beschreven. Ik had filmpjes gezien. Mijn nuchterheid had zich voorgenomen: Daar trap ik niet in. Wat nou, een beetje dingen honderd keer zeggen en dan naar de vingers van de behandelaar kijken en dan zakt de spanning. Maar het gebeurde mij dus ook, op sommige gebieden.

Soms lukt het nog steeds niet, maar ik weet nu dat ik het wél kan, hoewel nog niet altijd (vanzelf). En om mezelf te bewijzen dat ik het écht kon en dat ik écht heel stoer was, deelde ik na een poosje ook bij de huisarts nog een keer de dingen die ik eerst niet zeggen kon. Om te laten zien: Er is een weg uit het dal. Ik ga er komen, op een dag! Ik kan het!

Dit was het vierde en (voorlopig?) laatste artikel over mijn ervaringen met EMDR. Via de linkjes hieronder zijn de andere artikelen te lezen:
1.
De spanning stijgt.
2.
Help, mijn hulpverlener huilt!
3.
De omgekeerde wereld.

De omgekeerde wereld

Nadat ik bij EMDR een sessie bij elkaar had zitten fantaseren, besloot ik er de volgende keer toch maar even op terug te komen. Dat vond ik spannend, want zou mijn behandelaar dat niet persoonlijk opvatten?

Bij binnenkomst vroeg ze me hoe het ging. “Slecht. Te slecht om te komen eigenlijk, maar ik dacht, ik ga toch maar.” Daar ging ze volledig aan voorbij: “Laten we dan maar snel beginnen.” Ik wilde helemaal niet beginnen, ik wilde nog even de vorige sessie bespreken. Ik legde haar uit wat ik had gedaan, dat ik een beeld bij elkaar had zitten fantaseren en dat ik een dag later naar de huisarts was gegaan. Dat vond ze niet leuk. Ik was heel bang en gefrustreerd en boos op iedereen en het hele leven. Normaal communiceren vond ik daarom wat lastig en dus kwam alles er in een stortvloed van tranen uit.

Dat nam ze nogal persoonlijk: “Ik heb dit niet verdiend.” Dat wist ik en dus legde ik het uit: “Ik ben helemaal niet boos op je, maar ik ben gewoon boos op het leven.” We dreigden volledig vast te lopen. Ze stelde een opname voor. Dat deed voor mij alle deuren dicht. Ik was een keer overstuur, ik was een keer écht eerlijk, ik had een keer geen masker op en ineens was ik klaar voor opname? Dat ging er bij mij even niet in. Omdat ik wel voelde dat ik zelf veel te veel overstuur was om nog normaal na te denken, vroeg ik haar om de huisarts te bellen. “Hij kan ’t wel uitleggen,” snikte ik. Opnieuw was ze boos. “Je kijkt me niet aan. Is dit een vraag?” Ik werd alleen maar nóg bozer. Ik ben compleet de weg kwijt, natuurlijk kijk ik je niet aan! Maar dat zei ik niet, ik zei maar gewoon soort van beleefd dat het echt een vraag was. Ze wilde niet, maar ik zei dat ik het dan zelf wel zou doen. Dat wilde ze nog minder. En weer begon ze met te zeggen dat ze haar best voor me had gedaan, dat ze wilde dat het goed ging en dat ze vond dat ze niet had verdiend dat ik zo deed. Ik legde nóg maar eens uit dat ik helemaal niet boos was op haar, maar dat ik boos was op het leven en dat ik op iedereen zou schelden nu, maar dat zij het net even trof. Eigenlijk was ik zelf wel blij dat ik dit eindelijk eens bij een hulpverlener deed in plaats van op verkeerde plekken, maar ze vond het echt niet leuk. “Ik vind dit ook geen leuk gesprek. Ik heb m’n best gedaan.” En ja, dat vond ik stiekem onprofessioneel.

Uiteindelijk liet ze me, na drie kwartier, volledig overstuur de behandelkamer uit. Op straat, op weg naar de auto, keken mensen me meewarig aan. Ik stapte in de auto en had géén idee hoe ik thuis zou moeten komen. Ik vond mezelf een gevaar op de weg. Eerst zette ik de auto dus maar eens stil en nam contact op met een vriendin. Die vroeg me alsjeblieft heel voorzichtig te doen en nam contact op met mijn andere psycholoog, zodat die me bij thuiskomst zou kunnen bellen.

Zo geschiedde. Mijn psycholoog wist me duidelijk te maken wat er was gebeurd, zette een stappenplan uit en benadrukte dat de paniek weer zou zakken.

Een week later zat ik bij de huisarts. Het eerste wat ik vroeg was of mijn EMDR-behandelaar al gebeld had. Hij had haar nog niet gesproken en was blij dat hij mij eerst sprak. “O,” begon ik, “doe echt lief tegen haar hoor, want ik denk dat ze in een hoekje heeft zitten huilen toen ik vorige week wegging, het was echt heel zielig. Ze vond dat ik vervelend deed en ze vond het geen fijn gesprek en ik maak me gewoon écht zorgen om haar nu.” Dat laatste was waar. Ik maakte me zorgen. Ik was bang dat ik haar gekwetst had. De huisarts trok een snelle, rake conclusie: “Dit gaat niet. Dit is de omgekeerde wereld. Jij moet je geen zorgen maken om je hulpverlener. Deze behandelrelatie is stuk. Die gaan we beëindigen.” En dat deden we. Het was voor mij eigenlijk al fout gegaan op het moment dat mijn EMDR-behandelaar huilde. Dát was het moment dat ik mezelf niet meer durfde te geven. En nu besloot de huisarts voor mij deze omgekeerde wereld weer recht te zetten. Behalve een gevoel van falen, gaf me dat een gevoel van opluchting. Ik kon nog verder bij mijn andere psycholoog en om de EMDR-behandelaar zou ik me geen zorgen meer hoeven maken. Wel zo veilig.

*Kleine disclaimer: Ik wil hier niemand verwijten maken, want uiteraard lag het (voor het grootste deel) ook aan mij, maar ik wil wel duidelijk maken wat een huilende en zich kwetsbaar opstellende hulpverlener met mij doet. Ik denk namelijk dat dat voor een hulpverlener best eens goed kan zijn om te lezen.

Opgejaagd

Zondagavond. Mijn weekend zat, voor mijn doen, een beetje vol. Ik weet dat ik na een volle zaterdag even een dag de tijd nodig heb om bij te komen, maar ik had het idee dat ik het aardig had gedaan. En dus ging ik door. Dat was niet zo handig.

Het werd zondagavond. Ik had de komende week elke dag een afspraak staan. Dokter, therapie, fysiotherapie, maar ook afspraken met vrienden en familie. Allemaal leuke en/of nuttige afspraken en toch kreeg de onrust me te pakken.

Op zondagavond pakte ik de helft van de onrust al aan. Als ik (in mijn ogen) veel moet doen, raak ik het overzicht soms kwijt. Dat is een gevolg van mijn autisme en nu ik dat weet, kan ik dat beter accepteren. Maar ik moest er wel iets mee. Ik besloot mijn lijstje voor de maandag er maar vast bij te pakken. Daar stond niet zo heel veel op en toch ging ik vast aan de slag, want het idee dat het op maandag zou moeten, gaf onrust. Ik kookte, vouwde de was op, werkte de strijk weg en toen was het al ruim bedtijd, maar slapen was mijn onrust niet van plan. De chaos in mijn hoofd zou me wakker gaan houden. Wat te doen? Mijn klusjes waren wel zo ongeveer al klaar. Ik besloot mijn kleurboek op te zoeken en zette me aan tafel. Kleurboek, luisterboek en kleuren maar. Na ruim anderhalf uur kreeg dat het gewenste resultaat. Ik kalmeerde en had het idee dat ik zou gaan slapen.

Ik sliep een paar uurtjes en werd toen op maandagmorgen heel vroeg wakker. Alles in me was in opperste staat van paraatheid. Mijn hoofd draaide overuren en was de week aan het overdenken (en ja, natuurlijk had ik de week keurig op een planning staan, dat was ’t probleem niet) en mijn lijf deed van schrik ook maar mee met alle stress. Ik voelde me een opgejaagd stuk wild, kijkend in de naderende koplampen.

Ik zou die maandagochtend naar een vriendin gaan. Deze vriendin zou ik in pyjama nog durven bezoeken en mijn masker heb ik daar niet nodig. Dat kon ik mezelf allemaal wel vertellen, maar ik voelde me toch nog steeds opgejaagd wild. Ik appte de vriendin mijn huidige status. Niet veel later stond ik voor haar deur, terwijl mijn hoofd en mijn lijf nog steeds overliepen van stress.

Mijn appje had haar op een briljant idee gebracht: Ik moest naar buiten. En dus deden we dat. De zon scheen. De ganzen gakten. De eenden kwaakten. De vogels zongen. We praatten, over het leven en over lol. We wandelden. De zon verwarmde mijn gespannen lijf. Er was verder niemand. De stilte was alles wat mijn doorgedraaide hoofd nodig had. Stilte en een vriendin. Eerst realiseerde ik het me nog niet. Toen stonden we even stil, bewust genietend van de stilte en de zon op ons gezicht. Dit had ik dus nodig. Zelf zou ik misschien maar tien minuutjes zijn gaan wandelen, want ik voel me zo opgejaagd. Nu liepen we ruim een uur. Het was niet vermoeiend. Het was rustgevend. Precies wat ik nodig had. En het opgejaagde gevoel? Dat droeg ik voor een poosje over aan het rondvliegende wild. Ik kon er weer even tegenaan.

Achter het masker

Al heel lang draag ik een masker. Soms bewust, maar meestal onbewust. Mijn masker is zó bij me gaan horen, dat ik vaak niet eens door heb dat ik het draag.

Met mijn masker op ben ik altijd vrolijk en gezellig. Zelfs bij hulpverleners en mensen die me goed kennen, zet ik meestal dat masker op. Mijn masker heeft me in die zin iets gebracht, dat het ervoor heeft gezorgd dat ik lang ‘normaal’ heb kunnen functioneren. Totdat het echt niet meer ging.

Niemand had dat aan zien komen. Mijn masker, dat altijd mijn redding was geweest, zat me nu behoorlijk in de weg. Want ja, ik zag er toch niet ziek uit? Ik deed mijn werk toch goed? Ik had toch een leuk leven? Waarom had ik dan depressieve klachten en kon ik niet meer werken?

Mijn masker heeft ervoor gezorgd dat ik ook zelf soms niet meer weet wat ik echt voel. Daarbij vind ik het eng om anderen mijn gevoel te laten zien en dus zet ik dan maar snel mijn vrolijke masker op. Voor ik er eerlijk voor uit was gekomen dat ik het allemaal niet redde, keek er heel af en toe iemand achter het masker. De huisarts zei toen: “Als je iemand een keer een klein kijkje achter je muur gunt, schrikt die.” Daar schrok ik dan weer van. “Waarom schrikt die dan?” “Omdat daar zo heel veel zit waar je aan de buitenkant niks van merkt.” O. Oké. Au.

Het lukt niet alle hulpverleners om (altijd) achter het masker te komen. Toen ik me net ziek had gemeld, vond één van mijn hulpverleners: “Als ik je nu zie zitten, zou ik je zo terug naar je werk sturen.” Later voegde ze toe dat ze wist dat dat alleen buitenkant was en tóch vond ik het vervelend. Het helpt mij juist als hulpverleners mijn masker (h)erkennen.

Mijn huisarts liep pas weer keihard tegen mijn masker aan. Ik kwam met een lichamelijke klacht, waarvan ik vond dat die nooit serieus wordt genomen en had er een aparte afspraak voor gemaakt. Ik wilde niet verzanden in een gesprek over mijn psychische gezondheid. Mijn masker, dat mijn spanning moest verbergen, meldde bij binnenkomst: “Ik moet nog twee blogs schrijven voor volgende week en ik had nog wat inspiratie nodig…” Ik vervolgde, serieus: “Als ik het gevoel heb dat ik niet serieus word genomen, ga ik naar een andere arts.” De hypochonder in mij wilde natuurlijk horen dat ik wel serieus werd genomen, maar de huisarts vond het geen probleem als ik naar een andere arts zou gaan. Hm. Wacht even. Ik wel, stiekem. Dit soort uitspraken zijn een test. Toen legde hij het uit: “Ik moet ook even schakelen; jij zit met een glimlach te vertellen dat je je zorgen maakt. Dan moet ik in m’n hoofd even omdraaien dat hoe harder je lacht, hoe groter je zorgen zijn.” Ja, dat dus. Ik geef toe dat mijn masker het ook niet zo eenvoudig maakt om mij serieus te nemen. Hij nam me wel serieus. Denk ik, roept de hypochonder dan. Tussen neus en lippen door kreeg ik nog wat blogtips. Dat ook.

De arbo maakte ook kennis met mijn masker en adviseerde me na een paar contacten: “Je moet stoppen met je anders voordoen dan je je voelt.” Ja, goed idee. Iemand de knop al gevonden? Ik doe echt mijn best, maar het is een lange weg. Uiteindelijk ben ik zonder masker leuker dan met masker, maar ik ben mezelf na al die jaren weer aan het herontdekken. En dat kost tijd.

De volle agenda

Als je een afspraak met iemand wilt maken, komt het maar al te vaak voor dat diegene eerst zijn neus in de agenda moet steken. Vervolgens komen er allerlei verontschuldigingen en tot slot wordt er een afspraak gemaakt die nog even op zich laat wachten. Want ja, die ander is druk.

Ik deed daar zelf ook heel lang aan mee. Op werkdagen sloop mijn agenda vol. Even een praatje maken met iemand was er eigenlijk niet meer bij. Voor werkdagen vond ik dat nog enigszins acceptabel.

Er is ook thuis. Ik ken mensen die minstens vier of vijf avonden per week de deur uit zijn. Elke week. Het hele jaar door. Ze gaan sporten, naar vrienden, een avondje werken, naar een verjaardag, enz. Ik deed dat ook, want zo hoorde het blijkbaar. Ik was heel lang van maandag- tot en met donderdagavond bezet met vaste afspraken, naast mijn fulltime baan. Ergens voelde dat ‘goed’, want ja, dat deed ‘iedereen’. De weekenden waren dan nog redelijk vrij. Ik was óp, na zo’n week, maar ja, andere mensen gaan in het weekend ’s avonds naar familie of iets leuks doen. Zou ik dat dan ook niet moeten doen? Ik deed het. In het weekend was ik meestal minstens één avond ook de deur uit. De goede rekenaar ziet nu dat er één of twee avonden in de week vrij waren. Maar ja, ergens moest er ook een keer een huishouden gedaan worden en moesten er boodschappen gehaald worden. Dat moest dus op één van die vrije avonden. En oja, ik deed nog een studie, naast mijn baan. Dat moest er ook ergens in worden geprakt. Gezellig op zaterdag dan maar.

Ik hield dat twee jaar lang vol. Toen haalde ik mijn diploma. De zomervakantie brak aan. Mijn lijf gaf aan dat het klaar was en gooide me direct de eerste nacht in bed met een griepje. Het was tijd om rust te nemen.

Waar dit heen gaat? Ik had die volle agenda. Dat voelde eigenlijk helemaal niet goed. Elke maandag had ik het gevoel dat ik aan een marathon begon, met mijn tong al op mijn tenen. Voor de wereld om me heen hield ik de schijn op. Met een volle agenda hoorde ik erbij. Ik kon toch niet avond aan avond thuis gaan zitten? Ik was er trots op dat ik kon voldoen aan de verwachtingen van de buitenwereld. Ondertussen zoog deze weekinvulling me volledig leeg. En toch hield ik zo lang mogelijk vol. Ik schrapte eerst alle leuke en ontspannende dingen uit het programma en ging werken, werken en nog eens werken. En slapen.

Toen was het klaar. Die volle agenda heeft me gesloopt. En ja, er zijn mensen die er prima mee om kunnen gaan als ze vijf avonden in de week van huis zijn. Ik kan dat niet. Dat heb ik door schade en schande moeten leren. Ik laad niet op van veel mensen om me heen. Ik laad op van thuis zijn, rustig op de bank met een kleurplaat, een boek of een fijn programma op de buis. Ik schaamde me daarvoor. Nu niet meer. Iedereen mag trots zijn op zijn volle agenda. Ik ben vooral heel trots als hij zo leeg mogelijk is. Want voor mij is dat het allerbeste.

Is er een behandelaar in de online zaal?

Op deze blog ben ik open, maar ik probeer hier wel altijd met ieders privacy rekening te houden. Verhalen worden waar mogelijk geanonimiseerd en ik doe er alles aan om niemand te laten ontdekken wie mijn behandelaars zijn, voor de privacy van de behandelaars én mezelf.

Maar ja, dan zijn er mijn behandelaars zelf. Ik werd onderworpen aan urenlange psychologische onderzoeken. Ik was moe. Het huilen stond me nader dan het lachen. Er werd me gevraagd hoe het met me ging en of er nog ontwikkelingen waren wat betreft het starten met een nieuwe therapie. Ik was zó moe en de tranen zaten zó hoog dat ik eigenlijk geen zin had om te antwoorden. Ik hoorde mezelf praten en bedacht toen: Lees m’n blog, daar staat het op. Ik zei dat natuurlijk niet. Maar een stemmetje in mijn achterhoofd riep: Deze onderzoeker kent het adres van je blog. Wat als die blog al gelezen is?

Er is één hulpverlener van wie ik heel zeker weet dat hij af en toe even een kijkje op de blog neemt. Dat is mijn vaste huisarts. Dat voelt voor mij helemaal logisch en oké, gezien het feit dat diezelfde huisarts me al heel lang stimuleerde om iets met mijn passie voor schrijven te gaan doen. Bovendien startte ik de blog uiteindelijk na een behoorlijk pittig consult in de huisartsenpraktijk. Ik had het adres van de blog doorgegeven, maar wist niet of die ook werd gelezen. Tot ik op consult kwam. Ik had véél te vertellen, want voor deze mevrouw de hypochonder was het lang geleden dat ik de huisarts had gesproken. Ik vroeg me al af hoe ik dat in een (dubbel) consult ging proppen, maar het werd me makkelijk gemaakt. De eerste twee punten die ik wilde bespreken, bleken al bekend. “Ik wist het al; ik lees je blog.” Aha. Betrapt. Maar eerlijk is eerlijk, als hulpverleners mijn blog lezen, vind ik het prettig om dat gewoon te weten. Bovendien scheelde dat een hoop tijd. We konden over tot de dingen die de blog niet halen.

Uiteraard heb ik er goed over nagedacht of ik zou willen dat hulpverleners mee kunnen lezen. Wilde ik echt dat mijn blog voor hen bekend zou worden? Ja, dat wilde ik echt. Nooit zal ik hier een stiekeme boodschap aan hen plaatsen. Nooit zal ik een hulpverlener ‘verwijten’ dat hij of zij iets had moeten weten omdat het al op mijn blog heeft gestaan. Nooit zal mijn blog de spreekkamer vervangen. Andersom zullen er hier voor mijn hulpverleners waarschijnlijk weinig nieuwtjes te vinden zijn. Stiekem denk ik trouwens dat ze mijn blog alleen al af en toe checken om te zien wat ik over hen schrijf. Geen zorgen, zo verrassend is dat niet.

En eerlijk? Ik vind het eigenlijk wel prettig als hulpverleners mee blijken te lezen. Ik ben nu eenmaal op schrift beter te begrijpen dan in een spreekkamer. Bovendien vind ik het leuk om ook iets van mijn passie te laten zien, naast al mijn negativiteit. Dit ben ik ook. Ik kán nog wel iets! Dus hallo, meelezende hulpverleners. Welkom. Ook welkom aan alle hulpverleners die mij niet behandelen, maar anderen. Ik hoop dat ik iets kan bijdragen aan het begrip van jullie lijdende voorwerpen. In dat geval: Graag gedaan.

Vaderskind in rouw

Vroeger was ik een vaderskindje. Ik vond het heerlijk om samen met hem een rondje te wandelen, na het eten even op zijn schoot te kletsen, uren bij hem in de auto te zitten en dagjes met hem mee naar zijn werk te gaan. Het meest heerlijk vond ik het misschien wel dat we samen konden zwijgen. We konden uren naast elkaar zitten met een boek (hij stiekem knikkebollend, ik lezend) en niets zeggen. Juist dát maakte het voor mij zo goed en vertrouwd.

Daarbij leek hij te kunnen ondertitelen wat ik zelf niet snapte of niet zeggen kon. Onderhuidse spanning die ik maskeerde met grapjes, wist hij zo achter het masker vandaan te halen. Altijd. En dan snotterde ik even uit op zijn schouder en kon ik weer verder.

Dingen die ik niet snapte, legde hij me geduldig uit. Dat ‘ruzie’ tussen Nederland en België bijvoorbeeld niet gelijk een Derde Wereldoorlog betekent, maar dat dat betekent dat de leiders van die landen het ergens niet helemaal over eens zijn. Dat het oké is om te huilen als je verdrietig bent. En humor, dat leerde ik ook van hem. Of eigenlijk leerde ik dat niet, dat erfde ik, denk ik.

Bij dikke paniek was hij degene die orde in de chaos wist te scheppen en uit kon leggen dat het niet zo ernstig was als het voor mij leek. Maar als het wél ernstig was, zei hij dat ook eerlijk. Eerlijk zijn, sorry zeggen, niet boos gaan slapen. Ook dat leerde ik.

Praktisch was hij er ook. Fiets kapot? De volgende dag kon ik op een gerepareerde fiets weer naar school. Bril scheef? Even wat verstellen was geen probleem.

En toen was ik vijftien. Ook mijn vader was nog jong. Hij werd ziek en stierf niet lang na de diagnose. Tijdens zijn ziekte kon hij nog voor me ‘ondertitelen’. Hij was eerlijk over dat hij het niet zou redden. Hij troostte me als ik het niet meer wist. Hij hield me vanuit zijn ziekenhuisbed nog in de gaten. “Had jij deze week geen tentamens?” Eh. Ja. Maar wat konden mij die tentamens schelen? Als hij in het ziekenhuis lag, belde ik hem. Totdat hij te ziek was om nog te bellen. Er ging iets kapot. Hij kon het niet maken. Ik was verdrietig. Hij kon me tóch nog troosten, mijn hoofd naast het zijne op zijn ziekenhuisbed.

Toen stierf hij. Ik was intens verdrietig, naast de ‘opluchting’ dat zijn lijden voorbij was. Als ik verdrietig was, was er één die dat altijd direct door had en die dat altijd zag. Die was er niet meer. Ik voelde me verloren in mijn gevoel. Hoe moest ik dat uiten nu degene die me het beste snapte me niet snappen kon? Inmiddels heb ik meer dan een half leven geen vader meer. Ik mis hem. Het is inmiddels zo ‘gewoon’ dat ik, als er iets kapot gaat, echt niet meer denk dat ik hem zou willen bellen. Als ik naar mijn ouderlijk huis ga, denk ik er echt niet meer over na dat hij daar zou moeten zijn. Toen ik mijn diploma’s tekende, ja, toen miste ik hem. Ik denk niet elke dag bewust aan hem. Ik mis hem niet elke dag bewust. Maar wat ik het meest mis, is de liefde, de vanzelfsprekende vertrouwdheid, de schouder om op te huilen én dat ik mijn maskertje af kon doen, met een steuntje in de rug van hem. Dat mis ik. Het is geen open wond meer. Het is een litteken. Het trekt zo nu en dan. Dat is pijnlijk en tegelijk prima. Zoals iemand wel eens tegen me zei: “Hij is je tranen waard.”

Wel feesten, niet werken?

Al heel wat jaren moet ik gedoseerd leven, want mijn depressie zorgt voor enorme vermoeidheid. Heel lang betekende dat dat ik werkte en sliep en verder niks kon. Dat kon natuurlijk niet eindeloos goed gaan, maar ik dacht dat het op een dag beter zou worden en allemaal zou veranderen, zomaar vanzelf. Dat deed het niet.

Na jaren volhouden en vooral heel hard door blijven werken, brak het moment aan dat ik me, na overleg met behandelaars die me goed kennen, ziek meldde.  Ik kwam thuis te zitten en ging op een andere manier doseren. Het was niet alleen meer werken en slapen, maar het werd goed voor mezelf zorgen en nog steeds heel veel slapen.

Toch vond ik het heel ingewikkeld. Er kwamen verjaardagen. Kon ik daar nog wel naartoe? Wat als mijn collega’s zouden weten dat ik wel op die verjaardag was, terwijl ik niet werk? Ik moest mijn boodschappen doen, want ja, eten groeit niet in mijn hal, en kwam in de supermarkt ouders van leerlingen tegen. Wat zullen ze nu toch allemaal denken? Ik vond een bezoek aan de supermarkt nog te verantwoorden, want ik moet nu eenmaal eten en drinken.

Ik ging een avondje uit, met de nodige voorzorgsmaatregelen. Ik lag ’s morgens lang in bed en ’s middags sliep ik ook nog een poosje. ’s Avonds ging ik op stap. Ik betrapte mezelf erop dat ik constant om me heen keek. Waren hier misschien ook collega’s of leerlingen of ouders? Die waren er niet. Ik voelde me daar opgelucht over. De volgende morgen werd ik pas heel laat wakker. Ik had enorme moeite met uit bed komen en hing de rest van de dag een beetje op de bank. Meer energie was er niet. Maar ik had wél een fijne avond gehad.

Elke dag ga ik naar buiten. Dat deed ik al voor ik me ziek meldde en doe ik nog steeds. Mensen zien me lopen of fietsen of in de auto stappen. Daar vinden ze in mijn beleving van alles van. Ik merk dat ik me daar soms door tegen laat houden. Ik werk niet, dan kan ik toch ook niet….? Toch probeer ik daar nu mee te stoppen. Nee, ik werk niet. En ja, ik ga wel naar familie en vrienden. Maar dat doe ik gedoseerd. Ik betaal er bovendien een prijs voor. Als ik vandaag een gezellige avond heb, ben ik morgen moe en komt er niets uit mijn handen. Dat zien anderen niet. Mensen die zien hoe ‘gezellig’ ik nog van alles onderneem, zien niet dat ik daar van alles voor moet doen en laten. Ze zien niet dat ik daar achteraf een behoorlijke prijs voor betaal. Die prijs is het altijd waard, want als iets de prijs niet waard is, sla ik over. Maar het is een onzichtbare prijs.

Ik weet dat er een enkeling is die inderdaad redeneert dat ik niets leuks zou mogen doen, maar gelukkig zijn er ook vele anderen. Op straat sprak iemand me aan: ‘Misschien vind je het heel vervelend dat ik je aanspreek, maar ik wil gewoon even zeggen dat ik altijd zo blij ben als ik je weer zie lopen.’ Zo kan het dus ook. Dat helpt me om die andere meningen meer en meer naast me neer te leggen. Ja, ik ga wel naar verjaardagen (als ze me de prijs waard zijn) en ja, ik doe soms leuke dingen met familie of vrienden. Maar ik betaal er ook de prijs voor. Ik leer de balans te vinden en ik ga mezelf niet meer verantwoorden voor de dingen die ik doe. Hooguit verwijs ik nog naar deze blog, in het vervolg…